0 ALS de zon schijnt
en de aard wegkwijnt
in dien luister,
weg in 't duister,
en maar scheem'rend het hoofd
opheft in schauw omloofd --
treed nader, treed nader,
blankvoeten te gader,
te gader de voeten, de handen --
de lachtande
de blauwooge
de blondhooge,
de zilverwoorden weenende,
het lijnig hoofd leenende
achterover omhoog in de lucht --
zoet, zoet, langzaam vlucht
door het zonnedagen
in de hooge hagen
zon -- zoet zoet langzaam vlucht,
ga niet te gauw voorbij, voorbij, voorbij, de lucht
blijft hangende bevende achter u --
verlangende eeuwig naar u,
eeuwig, eeuwig, -- vlucht niet te vlug --
achter uw rug
rek ik de armen
van verlangen, van verlangen
rek ik de armen,
vlucht niet te vlug.
0 hoe blank zijt gij van rug,
zongebrand, uitgeglansd vleesch --
waar het tot schouder oprees,
waar de lichte haren
in trillende snaren
in de zonnescharen
hangen saam in de lucht,
in de lucht in de lucht
terwijl gij vlucht.
0 als de zon schijnt
en de aard wegkwijnt
wèg in het duister --
en dan wèg de luister,
uwe luister,
alle luister.
Naar boven => Index
0 KOELE zwarte ademen van den nacht,
stil vlietende kannen van wijnzwart gebracht
in haar rouwvingeren slepend zoo zacht --
gaat lavende tot waar mijn liefste wacht.
Ziet ge het flonkerend zware roode
wijnvocht de kan uit, de roodgoude,
vallen dwars door den zwarten nacht,
dat is de sombere roode oude
opgegravene bloedenddoode
wijn in de nachthand hier gebracht.
0 mijn liefste laten we drinken
samen het rood, als zee'pinken
dwalen naar huis die de vischvangst doen --
samen diep door het duister zinken
tusschen de huizen die donker weerklinken
of ze binnen ons stappen nadoen.
Die huizen die zijn wel volgeladen
stille lichtmenschen die zich te raden
woorden geven en lachen stil --
wij loopen saam door het duister te baden
boordevol vol van de donkere zaden
vreugde die straks hoog groeien wil.
Geele gelaten kijken van menschen
achter de ramen en gaan dan grijnzen
om ons twee'n die strompelen voort --
hoeren om hoeken den mond vol wenschen
loeren, en ruggen van mannen deinzen
mee in de straatstroom goudgeboord.
Onze gesloten oogen gaan --
langs onze oogen de golven gaan,
duistere lucht --
wij zijn twee visschen die gaan bewonen
diepbegraven zwarte zeeholen
zonder gerucht.
In de zwarte stad
in de steenkole stad
in de stad gestegen van metaal,
daar heb ik een zaal
zwart gebrand -- rood van minne,
daar brandt geel licht van binnen.
De leege wanden staan rondom,
gevallen fluweel, daar vouwen zich om
de stille plooien verrukkend --
dan gaan daar rukkend
de roodgouden lichten door --
wij oogend staan daarvoor --
en wandelen zuchtend.
Als stompe huizen gelicht geraamd,
waar het weerlicht in vlamt
zoo zijn onze wanden daar --
als groote vrouwen met vallend haar
staan de hoeken omhoog en houden verzaamd
het zachtfloerse zaalgeraamt.
Daar staan we en houden stil,
we raken elkaar met geril
en kijken al rondom ons --
in ons is gegons,
ver buiten gonst ook de stad
somber en mat.
Maar groote vlambloemen gaan beginnen
in uwe handen te wieglen van minne --
uw haren rijzen als een vlam,
uw wangen zijn vuurvloeiend, lichtklam --
o doe in mij vergaan
dat vlammend beraan.
Naar boven => Index
IN de zwarte nacht is een mensch aangetreden,
de zwarte nachtwolken vlogen,
de zwarte loofstammen bogen,
de wind ging zwaar in zwarte rouwkleeden.
't Gezicht was zoo bleek in 't zwarte haar,
de handen wrongen, de mond borg misbaar,
de nek was zwart,
een hel was 't hart,
van daar kwam het zwarte en worgde haar.
Met de wind, met de boomen en met al de wolken
is ze gekomen,
het waren rondom haar groote volken
van zwarte nachtdroomen.
Bij een groot zwart water aan zijn zoom
heeft ze heel stil gestaan,
de lang geleden geboren boom
heeft het toen geraên --
en de wind en de wolken hebben stil gestaan,
ze hadden het niet gedacht,
anders waren ze niet gegaan
en hadden haar niet hierheen gebracht,
en alle zijn ze blijven staan,
de wind en de boomeblaan
en het wolkevolk
en de zwarte golven in de kolk,
en de vaders en de voorouders
stonden omhoog
in stille wolken met hun schouders,
tot de voeten in zwarte toog,
en de kinderen die ze had willen baren,
kwamen rondom
tegen de boomen staan, ze waren
klein en stom,
en één ding dat ze in haar leven
altijd had gehad,
kwam nu heel hoog boven haar zweven
lichtend mat,
een groote vogel, een groote bloem,
een klinkende klok, haar groote roem,
haar stem waarmee ze was geboren
hing nu omhoog en liet zich hooren.
En al die kindren en die ouden
hadden het niet gedacht,
en ook niet de stem die boven de wouden
nog zong in den nacht --
die was altijd in 't leven geweest
haar eenig lam,
die blaatte nu nog als een eenzaam beest
of ze bij hem kwam,
die was het eenige vuur geweest
voor hare handen,
daar kwam ze 's avonds erg bevreesd
uit de menschelanden,
die was het droomen en lavende slaap
voor haar in 't leven geweest,
die stond nu boven, een eenzaam schaap,
een blatend beest.
Maar toch ze ging en ze sleurde mee
in een sleep,
kindren en klanken, in zwarte zee
ging alles scheep,
en 't dreef nog even, het water zwart
vonkte van diamant,
in die groote schipbreuk brak ook het hart,
alles zonk, het laatst de hand.
Naar boven => Index
BEWEGING is vóór me ongewis,
dag nauw siddrend is
geboren, waar menschen vluchten
doorheen, door de witte luchten,
de zwarte menschenstoeten
flauwooge, hangvoete --
de nacht valt, de zwarte brandnacht, --
die heeft nauw omgebracht
het zilverige lislicht,
of om de gevels
zwiepen de nevels
weder van stengelend licht.
Levenbeweging is ongewis,
ik werd geboren
en naar mij te voren
drongen op golven aan
vlotten met menschen belaan,
menschengezichten en dingen,
menschen zoo vreemdelinge
in 't daglicht, zoo licht en fijn,
met zoo welbegrepen schijn.
En ik zelf liep zoo te ademen
de heet verbrande wademen
der lucht, die van zelf doet drenken
keelen en vol beschenken.
Ik ademde licht tevree,
alleen des avonds dee
ik de oogen der dingen toe,
dan was àl om me moe
en wou me ook niet meer aanzien --
elk ding werd zwart van aanzien.
Ik heb honger gekregen,
ik voelde de leege
holen in mij worden des nachts,
in mij is onverwachts
verlangen gekomen,
o mijne leege armen,
o mijn oogen, o mijn arme
verlangende ooren en zoomen
van mijn bloedenden mond --
Sidderd' ik toen, rondom me stond
bleek en flauwoogig het lichten
van al de wereldgezichten.
Handen omhoog ben ik gegaan
vluchten, de zoute traan
stroomde over mijn lippen,
mijn voeten sloegen de slippen
van der dagen gewaan
langs waar ik vluchtend gegaan.
Ik schreide, ik schreide zoo,
mijn keel verhardde zoo,
ik liep zoo hard, zoo hard,
zoo'n pijn deed mijn hart.
O witheerlijk licht, wis
licht dat rondom me is,
maagd die lichtlucht zijt,
tot u heb ik geschreid.
Stil sta ik nu bij u,
vol licht is het mij nu,
het trillende wieglende leven --
ik zie het omhoog fijn beven,
ik zie het benee vaststaan,
warm-lichtend, koel donkrend op een effen baan.
Wij staan daar diep verscholen in,
hebbe' onze lust en onze zin
daarin, is het niet, is het niet, niemand weet
ons vrede gekomen, verdwenen leed.
Naar boven => Index
TOEN zag ik je --
Er was toen veel licht,
de kamer was een bloem die dicht
in eens open uit gaat schijnen,
het licht vloog rond in lijnen.
Ik was heel stil en ik dacht niet veel,
ge hebt gekeken en heel
mijn hoofd is wijd opengewaaid,
zooals 's zomers opengelaaid
boven op een wijd, wijd land,
in een wijd wereldsch open land --
zoo was ik eens in die kamer
in die roode gouddoorlijnde kamer
waar het gasgoudlicht doorvloog op vleugels
vleugslaande wegslaande roeivleugels
in de teere lucht,
in de bevende lucht,
in de lucht die vlucht als je doorgaat --
hoor hoor hoor o ik hoor het,
je teer droog keelstemmetje spreken,
omhoog en wat lager spreken
vlak voor me, ik rook je teer vleesch,
je uitschijnend stillevend vleesch,
ik stikte in je oogenkijken
in dat tintelend bloote kijken
uit dat stil hoofdbewegen,
in dat trillen en dat bewegen
van je handen en je hoofd en je voet
zooals het aan me nu nog doet.
O kon ik maar vinden
het uitvlietend gezwinde
woordenriviersterrelsel
waarin ik het alles vertel
voordat ik weg ga sterven
in het leven waarin ik zoo zwerve.
Maar o schoone tintelkleure
die binnen de groote lichtdeuren
van den zonzomer is,
en al de lichtlichternis,
de hooge heilige mis
van de dagen,
en goudlicht en avondschijn
in de roode kamer die zijn,
waarin zij toen was
met haar lichaam als glas
zoo doorzichtig, zoo lichtig, wilt wezen
samen altijd uitgelezen
in me die haar eenmaal zag
in uw licht roodgoudwitten dag.
Want laat ik maar bibbren
en maar heel wèg sidderen
in woorden opdat niets meer is
dan hare lichternis.
Naar boven => Index
IK zat eens heel alleen te spelen
op een gedachteharp, de kelen
van schemering en duisternis om mij
fluisterden liedjes, het leek tooverij.
Mijn vingers en mijn oogen teeder gleeden
langs gele snaren, boven en beneden
bleven ze langer, want ik wist niet wat
ver achter in gedachtevlakte zat.
Een kinderbeeldje, dat is òpgerezen
zwierig in haar gewaad, ze had te lezen
gezeten in haar vreemd gedachtenboek,
nu stond ze in een geelen rimpeldoek.
Nu kwam ze dichter bij, we zijn gekomen
midden ter vlakte onder heel wat boomen,
we spraken niet, want boven zei de wind
al mijn gedachten en die van het kind.
Maar te dansen zijn we wel gegaan,
heen en weer, op en neer, een lange baan
van luchtige passen, voeten beurteling
omhoog, omlaag, als rozenbuiteling.
Te dansen zooals twee rozen gaan,
rozeroode rozen tusschen groene blaan
samen gesproten van uit ééne steel,
twee windewiegelingen, geen geheel
maar altijd twee, hoewel ze ongescheiden
het leven doordansen met hun roode beiden.
Zoo dansten wij, mijn vingers scholen in
't geelglimmende fluweel, een diepen zin
voelden ze daar van 't levende dat edel
in 't gele woonde, en de windevedel
blies uit een adem van een gele stof
zooals een zonneschijn in bloemehof
Wij zeiden altijd niets maar sprongen om ons om --
haar gouden oogen fonkelden, haar lippen bleven stom --
de wind zei al gedachten, en de dansemaat,
die fonkelde in diamant op haar gelaat.
Maar eind'lijk zei ze goeien dag en is weer weggegaan,
op hare lippen danste lach, haar kleed was als de maan
zoo flikkerend om 't dansend lijf, zoo sprong ze heel, heel ver,
zooals de gouden maan eerst, toen zooals de gouden ster.
Ik ben zooals een oosterster, zij tintelt in het westen,
wij twee'n vogels weten wel de takken onzer nesten,
wij komen nog wel weer te saam, is het niet, is het niet,
dansende liefste, liefste, liefste, op windelied?
Maar onderwijl zit ik te spelen
op een gedachteharp, de kelen
van schemering en duisternis om mij
fluisteren liedjes, het lijkt tooverij.
Naar boven => Index
MIJN liefste was dood,
toen ben ik gegaan
alle werelden door,
ik heb gevonden, de wereld is groot,
maar zij was dood.
Ik heb veel gevonden, de wereld is groot,
er zaten veel in den nacht
met witte vingren wenkend, de macht
van mijne doode was heel groot.
Toen ben ik gekomen op eenen akker,
o mijn liefste word wakker,
gij laagt daar neer zoo zwart,
droomasch, verbrand uw hart.
Gij hadt te lang gewacht bij het vuur,
elk nacht- en daguur
zaagt ge mind'ren de vlam
alsof een dief haar nam.
En toen het stervend was op 't hout
het roode vuur -- te koud
was het -- toen hebt ge 't opgestookt
met eigen ziel, het heeft gerookt,
het heeft geknetterd, het heeft de vonken
doen springen en lonken,
het vuur heeft sissend het hout gekust
als kleine meisjes -- het is gebluscht,
o mijn liefste word wakker,
uw asch is zoo zwart op den akker.
En in mijn angst ben ik heengegaan
een heel eind weg, over de baan
de roode liederenmonden
om te roepen de dagschuwe,
nachtzieke schaduwe,
haar ziel, die bij de wachtvuren
wachtte de nachturen,
of ze nog levend was,
om te rak'len in de asch,
om te lokken uit de lucht,
als ze soms daarin was gevlucht,
dat ze kwam om me toe te spreken,
langs mijn wangen haar weeke
lippen te laten gaan --
de armen om me te slaan,
met haar vingers mijn hoofd te streelen
in mijn ooren te kweelen,
met haar stem mij te zeggen dat
ik haar altijd heb liefgehad --
Deze monden zijn gegaan,
ik hoorde ze als klokken slaan:
Roode gewaden, roode zij
ligt nu klaar, een groote wei
van roode zijde, kom o kom,
liefste, zijn liefste, ik bid er om.
Rood satijn voor 't rood lichaam,
roode bloemen voor het haar,
roode bladen als om 't raam
wingertgeblaar --
we hebben het allemaal klaargestrooid,
we hebben de wereld uitgerooid
van al het niet brandende, al het niet rood,
ge kunt nu keeren, arm en bloot.
Roode papavers, roode tulpen
vallen rondom de breede fulpen
spreiding van het rood fluweel --
een rood lied zingt er uit de keel
van roode vogelen, vijver wijn
purpert het marmer, in karmijn
zit hij alleen met heete lippen,
roode jonkvrouwen houden de slippen
van zijnen mantel, kom die hij wacht --
rondom duistert de purpere nacht.
Rondom duistert de purpere nacht,
kom keer weer, o kom die hij wacht,
ik ben zijn trouwe roode trompetter,
om en om ga ik, één gedacht
waait mij voort en dreunt geschetter
uit mijnen rooden mond die lacht,
lacht van de weerpijn die zijn hett'er
brandt in mijn rooden armen mond,
'k wilde dat ik u weder vond --
kom keer weer, zijn liefste, hij wacht
in purperrooden gloenden nacht.
Die roode kersen, die roode drank
stroomde en viel vergeefs, die rank
bleef eenzaam in den dorren nacht,
heeft den vogel niet weergebracht.
Naar boven => Index
De avond aâmt nu haar goudgroene licht,
waar is uw gezicht, waar is uw gezicht?
op aarde staat een altaar opgericht,
groenege takken branden rook en licht,
waar is uw gezicht, waar is uw gezicht?
De avond ademt om goudgroene boomen,
zult ge nu komen, zult ge nu komen,
het kopren mos brandt, aan hun groene toomen
en trenzen schudden al de waterstroomen,
zult ge nu niet komen, zult ge nu niet komen?
Groene ruiters gaan in draf,
rappe hoefklinkers hoogten af,
avondhoogten. --
Groene jachtstoeten rijden op
zwaarbestamden heuveltop
in de hoogte.
Ze blazen daar hoog hun kopren klaroenen,
groene vaandels dragen baroenen,
staan allemaal in avondlicht,
blazen orkest naar het West gericht --
de wereld lavend
gaan zon en avond
dood, o dood -- waar is uw gezicht? --
het wordt zoo donker onder de boomen,
zult ge nu komen, zult ge nu komen,
waar is uw gezicht?
De ruiters zijn naar huis gekomen
elk naar zijn slot in de oude boomen,
de nacht heeft hen in hun sloten gedekt,
de avond had haar niet gewekt.
Naar boven => Index
De zon heeft toen zelf een lied gezongen,
ik had mijn handen gewrongen
omhoog, mij was zoo erg, erg bange,
ik was zoo flauw en zoo moe van verlangen.
Ik heb hem gevraagd te lachen,
zelf kon 'k niet wagen,
mij dacht ze zou komen op zijn verlangen.
"Ik ga zelf op en kom gereden aan,
prachtige stralen vliegt nu af en aan,
regenwolken regent nu daarneer,
regenboog span u over het zeemeer.
Regen verguld u tot een gouden net,
wereld spreid u tot een goudzijden bed,
zee'n omvalt met een goudwaterval
gouden appel der aard van overal.
Regenwolken nu niet meer,
regenbogen gaat nu ver
kleurige sluiers uiteen scheuren,
wereld ontsluit de hooge deuren,
goudene ruimten opent u --
gouden licht, goud schaduw.
Komt tot mij al wie vergieten
ziel in goud in grooten stoet,
stralen die het leven lieten
nu terug mij tegemoet. --
gaat nu allen achter mij,
breede vleugels, mij ter zij,
staat hier boven alle wolken,
regebogen, en de volken
van mijn dienaars, luide schreeuwt,
gouden stemmen uitgesneeuwd.
Winden, vliegt aan
sneeuw belaan,
aan alle daken
die er raken
woeste sterren ongezien,
zoekt het kind en
gaat te vinden
waar ze ooit heeft kunnen vlien."
Hij stond te wachten
in zijn pracht en
staat nu nog, ze keerde niet --
keerde weer het sneeuwelied.
Mijn liefste is dood, ik ben gegaan
alle werelden door --
ik heb gevonden, de wereld is groot,
maar zij was dood.
De wereld is groot, een regenboog
heb ik mijn reizen gemaakt,
die staat te branden hemelhoog --
ik rijs daarop brandend naakt.
Mij brandt dit eene groote verdriet,
ik kan niet vinden,
wie eens om mij het leven liet,
die jonge hinde,
dat jonge kindje, die jonge bloem,
die ochtendwolk, die nachteroem,
die witte ster, die bloemewinde,
die jonge hinde.
Ik ben gegaan de werelden door,
ik kan 't niet vinden
waarin ze schuilt die ik zoo minde,
zij is te loor.
Zij was de zon en ik de regen,
zij scheen door mij --
en van ons beide is opgestegen
een kleurenrij.
Die hangt nu boven in de lucht
met wereldvlucht,
de wereld is groot, eindloos groot
maar zij is dood.
Naar boven => Index
VOEL je den nacht
den eersten lentenacht?
Hoor je de boomen wel zingen
eerst daar heel hoog hoog zingen
van de teere bovenste takken
als keelen die braken
in angstig verlangend hoog vreugdeschreien,
hun hoog gierluidende lentelijen,
hoor je den nacht
den eersten lentenacht?
En nu gonzen de stammen
nu de eerste nachtvlammen
hen grijpen in zwarte handen,
ze gonzen tusschen hun tanden,
hoor je het, kind,
hoor je het, kind,
de oude zwarte stampalen
droomen in lage schalen
omdat het nu weer begint.
Laten we nu onze hoofden
buigen in zoelomloofde
zwarte warme nachtboezems,
om de lippen doffe nachtbloezems,
in de haren nachttrillingen
aan het lijf onze vingeren
in den mond onze drooge tongen,
in onze armen die vongen
elkander eindelijk
o eindelijk.
Laten we hoog opstaan
en door de zwarte lente gaan,
hij heeft zijn zwarte luchtebloemen
dat zijn zijn geurige lentehanden
daarmee is hij gekomen
daarmee loopt hij de wanden
der ronde luchten af --
hij legt ze aan onze wangen,
wij drinken luchten-lange
teugen zwartvallend hemellicht,
dat valt stil af
op ons gezicht.
Wat ben je nu zwart,
ik kan je oogen niet eens meer zien,
is dit je hart --
wat gaat er geschien?
Ik ben zoo bang,
toch is het zoo veilig,
de lente is zwart, de lucht weelig,
en jij in mijn armen zoo zacht
in je huidevacht --
het komt van het lang verlang.
Je bent zwart, ik wou wel vergaan
hongerig, nooit van daan
meer komen, in zwarte bloemen
o mijne zwarte bloeme.
Naar boven => Index
DE lente komt van ver, ik hoor hem komen
en de boomen hooren, de hooge trilboomen,
en de hooge luchten, de hemelluchten,
de tintellichtluchten, de blauwenwitluchten,
trilluchten.
O ik hoor haar komen,
o ik voel haar komen,
en ik ben zoo bang
want dit is het siddrend verlang
wat nu gaat breken --
o de lente komt, ik hoor hem komen,
hoor de luchtgolven breken
rondom rondom mijn hoofd,
ik heb het wel altijd geloofd,
nu is hij gekomen.
Goud is het in de lucht als goude heiligen,
in labberlichtkleeden, de zeilige
die nu de aarde bevaren, bezeilen,
over de luchte meeren
met het zachtgladde kleed scheeren
en blijven wijlen
en komen keeren,
het zachte hoog luchtkleed tillende zeilen
ze heene en weer wiegelende
en blikken zich spiegelend
in de blauwe verwarmde waterevlakken.
O hoor je haar komen
met je zachte warme vingeren
hoog trillende in de bloeme-
luchten die rondom klingelen?
met je vlottend haare
met het licht gebaren
van je blauwe vervlietende oogen
in het allerhooghooge
het hoogheilige luchtige goudluchtere licht?
hoor je 'm komen tederstil licht?
Laten we nu lachen
lachen lachen lachen
in zijn gezicht dat daar dagen
dagen doet in den dag,
laten we tranen weenen
weenen weenen weenen,
hij weent ook over ons henen
in zijn sneeuwglinsterdag.
Lentelicht is nu gekomen,
eindelijk is het gekomen,
o laten we toch lachen
lachen zoo licht als dagen,
want hij is er, hij is
en gij onz' droefenis
val toch in tintellichttranen
als bleeke vallende manen
stil in de lichternis.
Wij voelen als twee
hooge, op stengel verhoogde lenterood-bloemen
midden in de lichtzee --
de lente is gekomen.
Naar boven => Index
IK was toen een arme jongen
met te groot verlangen.
Lange luchten kwamen gevaren
als lichte zeeëbaren
over mijn hoofd, over mijn hoofd --
mijn licht weenend hoofd.
Op rezen zonnen, vergingen
op hunne goudvurige zwingen,
moe viel mijn oog in mijn hoofd.
Mijn lichaam was toen zoo wonderlijk,
elk lid afzonderlijk
leefde, ik zag het aan,
ik wist niet waar te gaan.
En lentenen kwamen met ademen,
sleepluchten in sleeplichte wademen,
en lichte groene groenblondende schromen
licht lichtlijk straalvingerend om boomen
en glansplekkende wateren
en uitgestrekt klateren
des eeuwigen hemels
en ernstige kemels
van wolken, onderwijl hoog over de lucht --
mijn jeugd, mijn jeugd, vlucht, vlucht,
vlucht niet te gauw voorbij,
maar blijf bij mij.
En donkere nachten
met purperblauw gedachten
en woorden uit omlage stad --
ik zat, ik zat
duisteromfonkeld, nachtoogbelonkeld,
omhoog tegen mijn kussen
gedachten te sussen
en wiegelen in mijn armen --
dat maakte zoo warme
mijn borst en adem langs mijn hals.
En dan de verlangenweeën
naar de schitterlichtzeeën,
naar het teere vingrige spelen,
naar het ongehoord tintelgekwelen,
naar het strepend fellichtend ooglichtblauwen,
naar het lichtezwemen van vrouwen,
naar omtrekken licht die vallend kwijnen,
waar lichamen lijnen schijnen,
ver weg, ver weg --
terwijl hier ver weg
tranen neervallen, lachen opschijnen,
en 't leven in lichte treinen
lachend voorbijgaat alsof het leeft --
zie vèr, vèr geeft
zich de een na de ander op als golven,
golven, golven bedolven
de een na de ander, alles is lichten,
wit, wit verlichten
en scheem'rend schijnen
vlekken en lijnen. . .;
dat is de koninklijke dag
dien een arm kind zag,
lang geleden, lang geleden,
verlangende, toch tevreden,
niet wegdurvend uit verlangen,
lange, lange, lange.
En altijd weer dagen
goudzonspreidingvlagen
en mijn naakte armen omhoog in het licht
en mijn hoofd achterover naar 't licht,
en altijd wachten
wat in gedachten
geheel niet meer was dan wit licht.
Naar boven => Index
ZACHT kwam ze als jonge sneeuw,
stille en wiegelend,
witte zich spiegelend
in den spiegel der grijze eeuw.
De eeuw was een grijze spiegel,
blinkende met gewiegel,
voer ze er over heen --
wit in het wit verleen.
Ze was lichtgeschuim, ze was vonkelsel,
ze was licht'ge luim, sterkarbonkelsel
op het waterig vlak der aard,
ze was handgevlam, ze was vuurgelicht,
ze was brandgekam, ze was uurgelicht,
ze was brandende diamantsneeuw,
o ze was toch bewaard,
blanke gekooide meeuw,
eind'lijk voorbijvliegende aan de aard.
In de grijze lichthoven,
op den akker lichtschoven,
in de waterpoelen van licht --
vonkelde haar gezicht --
hingen haar bloemekens, haar witte lichtharten
open en bloot te wachten,
in den sneewigen zomer
de sneewlichtdroomer
de zon omregende haar
handen met stuifsneeuw klaar,
in de dooiende nachten
de maansneewvachten
behingen haar stille ooren --
ze zat naar het vallen te hooren
van 't opene sneewbloemgloren,
maansneewbloemen hooggeboren,
die spraken met geele monden
al in het ronde --
de lichte winden
die trippelhinde
woeien naar voor, naar ver --
o een verloren veer --
maar een lichtgeschuim, maar een vonkelsel,
maar een licht'ge luim, maar karbonkelsel,
maar een sneewween' lachsneew' meid --
o hare vroolijkheid,
o hare droevigheid sneewden wel wijd en zijd.
Haar oogen begonnen te gloren,
haar handen kwamen naar voren
meer en meer, meer en meer --
ze voelden zich verloren
veel gaan, ze wou toebehooren
teer, o teer.
En het ooglichten begon
en het hoog opkijken,
en het opschrikken begon
en het heel ver wijken --
het wegsneewen aIs sneeuwjacht
en het voetvluchten heel zacht,
en het heel zacht in zich denken,
en dan weer het wilde krenken
der vingeregrepen
en het zacht gegrepen
hoofdhaar en het liggen neer
en 't wreede levensbegeer.
En het bloedproeven begon,
het wijnroodbloede --
en het volgroeien begon
en hartstormwoede
en het heenloopen en het wederkeeren
en het wrang gepijn, het diepe zeere
leeg zijn en hongeren heel alleen,
en het zacht neerzinken
en het opblinken
van willend lachen om het lijf heen.
En het luisteren begon
in de stille kamer --
en het stilzitten begon
voor de gladde ramen
en het ver weg zijn als een droom --
en het luistrend hooren
naar het geboren
worden geluiden als een droom.
En de wereld hooren
en de wind hooren
en het zonlicht hooren
en de nacht hooren
en het stappen van den lichttijd,
ze was onderwijl gekwijn,
o, ze was zeegeween,
o hare vroolijkheid,
o hare droevigheid
konden nòg flauwlicht zijn
als sneewigheid.
Naar boven => Index
EN ik bij de stille zeeën
der wereld zoo wreed tevreeën
levende, hongerende,
o, ik verhongerende,
ik met mijn drooge handen,
ik met het knarsetanden,
ik met het al aangrijpen,
ik met het tot niets rijpen
van bleeke begeerende vruchten --
ik at de geduchte
lauwe ademen met mijn ooren,
ik stond bibberend voor de
groote wijd opene spiegeloogen --
de blauwe lichthoogten.
Hoor, ze gaat over de zeeën
de bleeke sneewweeë,
sneewvlagigheid --
de waters beneeën,
ze liggen te schreien
van gragigheid --
er begint blauw blinken,
de voeten zinken
tot ons, tot ons --
de armen dalen,
rood wordt het vale
vleesch zooals rood dons.
Ik zie haar lijf,
ze is vol schaduw en rood --
teer zijn de dalen in haar.
Naar boven => Index
TOEN bliezen de poortwachters op gouden horens,
buiten daar spartelde het licht op 't ijs,
oen fonkelden de hooge boometorens,
blinkende sloeg de Oostewind de zeis.
Uw voeten schopten omhoog het witte sneeuwsel,
uw oogen brandden de blauwe hemellucht,
uw haren waren een goudgespannen weefsel,
uw zwierende handen een roôvogelvlucht.
De oogen in u die fonkenden jong-goude,
het bloed in u vloog wentel-roowiekend om,
de oogen der lucht die antwoordden zoo goude,
boven dreven ijsschuimwolken om.
IJskoud was het -- lagen de waters bezijen
klinkklaar van ijs niet, spiegelend onder zon,
schreeuwde het heete licht niet bij 't overglijen,
omdat het snelvoetig de kou niet lijden kon.
De bolle blauwwangige lucht blies in zijn gouden
horenen omgespannen met zijn vuist --
de lucht kon 't wijd weerklinken niet meer houden,
berstte en brak en blauwe sneeuw vloog vergruisd.
De wereld was een blauwe en witte zale,
daar stond een sneeuwbed tintelsneeuw midde' in,
uw goudhoofd naar zwaanveeren ging te dalen --
lachende laagt ge, over het veld, handblanke, blanktande,
trantele koningin.
Naar boven => Index
IK zat eens heel alleen te denken
aan een gedachtezee, het krenken
van geele golfjes kriebelde mijn voet,
ik voelde als zoet lachen in me, zoet.
Een murmelwindje floot me om de beenen
lang blikkend schoven zich de golven henen
verlangend, en ze veinsden hunnen lach,
ze weenden dˆn als ik ze niet meer zag.
En stil begonnen toen de bleeke misten
knievouwend op te staan en in de risten
àl voort te gaan, de murmelwind werd koud,
de mistewang en waterwange blauwt.
En toen kwam ze aangegleden
òver het ijswater --
voeten haar kletteren deden,
handen met handschater,
lichtend verrezen òm de witte misten
kijkende lichtoogig of ze vergiste
zich met te komen, maar ze weigerde néén --
o weenen, weenen, weenen
deed ze met geween.
Weenen, weenen, weenen,
lachen, lachen, lachen,
ik wist niet of druppelen schenen,
ik wist met wat oogen zagen --
gleden haar koude handen,
vielen haar marmerwangen
dicht voor me neer, eilanden
licht zag ik in verlangen-
zee, hare oogen blinken,
deed ze toch nederzinken
stillekens, smeltend, nevelend aan mijn voet --
spraakademen, oogademen, handademen,
haarademen riekten zoet.
Weenen weenen weenen,
lachen, lachen lachen,
ik weet niet wat er uitschene,
ik weet niet wat er uitzage --
over mijn strakke oogen
sloegen de neergebogen
nevelen van haar om --
dicht in mijn mondkeel stom,
drongen haar nevelen,
lichaam te omrevelen
vielen hare lichtzeilen,
sloegen haar vlamwaden
mistvonkelsel beladen
dooddronken, neergelegen, bleef ik wijlen.
O weenen weenen weenen,
o lachen lachen lachen,
haar armen deden me dragen,
haar handen deden me schragen
als een hooge hooge wagen --
misten hebben geschenen
lachend als blanke vanen --
om ons twee'n henen
fonkelden vallende tranen,
ik wist wat mijn oogen zagen.
Naar boven => Index
EEN roode roos is in mijn hand
zie hoe puur
elk blad brandt,
nu is vol vuur
elk mijner oogen, mijn hoofd verbrandt.
O dof karmijn
bevroren wijn
uitslaand plots in roode vlammen
en vuurrood bloed
fonteinen gloed,
gebroken uit de hartedammen.
Ik kan staren en al uw licht vergaren,
ik kan liggen neder, 'n geblazen veder,
hijgend, hijgend om u,
ik kan mij wasschen diep in plassen,
ik kan hoog opdrinken uw hoog uitblinken,
uw vlammen luw.
Een roode roos staat voor mijn slaap
zie hoe somber,
bloed in mijn slaap,
een droom als amber,
in roode zeedroom, ik blanker kaap.
O droevig klotsen
en somberder botsen
rondom mijn droomenden voet --
o bloemfontein van rouw,
roerlooze droom van vrouw,
witschitter en somber als roet.
Ik kan droomen van 't bij u komen
ik kan weenen, bij u verschenen,
gij zijt zoo rood in mijn ziel --
gij zijt mijn gloênde, mijn eeuwig woênde
vulkaan waarin ik viel.
Dood, o dood,
sombere, somber geronnen rood,
kom, o kom.
Naar boven => Index
IK had zoo lang rondgeloopen,
de uren waren voorbij gekropen,
en de lichte dagen
die mijn oogen zagen
en de zwarte nachten
die mijn leven ombrachten --
en door de stad ben ik gegaan
langs de steenhuizen tot aan
haar -- o toen heeft haar stem geklonken.
Eerst zacht, toen luider en luider,
als de wind die uit het zuid'er
opsteekt -- mijn hart doet pijn,
betraand mijn oogenschijn.
O ik verlangde om niets meer te zijn,
niets meer dan haar en mijn
zelf heel weg te laten
om in die zachte maten
over te gaan van haar,
op te leven met haar
stem en weer neer te zinken --
haar stem deed zoo om me klinken --
die kwam in 't ruischen van haar haar
in 't schijnen van haar oogen waar
ze teer lichtroode is --
haar arrem is
zooals een boom omhoog gegroeid
tot haar gezicht dat als een bloem uitbloeit.
De dag ging en ook het zonnelicht
van haar gezicht,
ik zat als een pelgrim bij
een boom en zij boven mij.
In de stilte van haren avend
lag ik als een schip gehavend,
mijn hart deed een beetje pijn.
Nog altijd kan ik 't niet zeggen,
mijn arme verlangen niet zeggen,
mijn leegte en mijn begeer
grooter en meer en meer.
Naar boven => Index
IK wilde ik kon u iets geven
tot troost diep in uw leven,
maar ik heb woorden alleen,
namen, en dingen geen.
Maar o alzegenend licht,
witheerlijk, witgespreid licht,
daal op haar en laat haar nooit zijn
zonder uw zaligen schijn.
Zij is zoo stil en zoo zacht
als gij en niet onverwacht
zijt ge voor haar -- zóó is
het water voor een zwemvisch.
Ik weet niet of zij u maakt
licht, als haar monde slaakt
adem, of dat zij door
u werd en uit u bevroor.
Zij is als de gouden zonmiddag,
een herfstige laatste biddag
van boomen en het graskruid
tot 't zonlicht, hoog boven ze uit.
Zij is het zilveren zwevende
het teere licht blozende gevende
licht, dat hemelhoog is,
goudeeuwig als 't herrefst is.
Haar oogen gaan wijd en zijd
boven mijn starend hoofd uit,
gouden en zilveren lichten
brengt ze op menschengezichten.
Ze weet haar licht niet, ze is
zich zelve wel droefenis,
ik wilde ik kon haar iets geven
verlichtend het donkere leven.
Naar boven => Index
"IK lag te slapen op mijn bed
leliebebloemd en met
mijn witte vingeren dood doodstil.
Het was daar stil stil stil --
Ruischen van waskaarsen,
't knappen van vlamamandelen,
de lucht goude asch -- schaarse
leli'n lagen op mijn sprei te wandelen.
Ik ben geboren als een bloem
brekende in de bleeke lucht
als 't guldene lente is in de lucht,
de velden nog wat sneeuwbevlucht,
goudene lucht, sneeuwgrond rondom.
Ik ben gegroeid tot deze maagd
dagegelijk, zoo onversaagd
blinkend, wanneer de dage daagt --
gulden naar blauwen boog --
ik wiegelde zoo omhoog.
Ik legde mij neder op mijn bed
wachtende achterover, met
mijn voeten schuif ik de stille sneeuw
waarin ik lig, de fonklende sneeuw,
die vult rondom mij zijn kristal
mijn hals, mijn armen en het dal
tusschen mijn borsten, als ik blaas
sneeuwt over mij een jachtsneeuwgaas,
kristalletjesspel, mijn adem rust,
ze dooien als het vel ze kust.
Ik heb mijn kamer zoo in de stad,
waarom kwam toch niet wat
ik lag te wachten,
zoo wit waren nachten,
zoo wit en leeg,
ik wendde mijn oogen en neeg
naar alle kanten mijn hoofd --
er was me toch iets beloofd.
Niets kwam er dan goudgeluid,
ik stak mijn armen uit,
die blonken zoo eenzaam licht,
ik sloot ze rondom me dicht --
ik ademde diep in mij
't goudkoude dat over mij
hing als een drooge mist --
ik had me zeker vergist.
Toen ben ik opgestaan
heen en weergegaan
hijgende tusschen de lichtstandaarden
de zonnen van mijn slaapgaarde,
ik kon daar niet langer zijn
in den goudkouden schijn.
Kom nu, o kom nu hooren
naar al 't dringend te voren
uit mijnen armen mond,
ik wilde dat ge me vond,
ik u om met u te keeren
naar het vlammen, het teere
lichten, het bibbrende schijnen -
uit en het verwegkwijnen,
sterven van licht in de hoeken,
niet langer wil ik dan zoeken
licht, maar het roode bloed
dat gloeiende leven doet.
Kom in mijn witte kameren
daar deed ik verzamelen
stilte en wit albast
licht voor een hoogen gast.
O 't is daar stil stil stil,
wachten, alleen geril
van vlammen en vlamamandelen,
ruischende gaat te wandelen
het licht in het gouden gewaad
hangende in de luchtstraat."
Naar boven => Index
IK liep 's avonds door mijne stad,
Het water zwartvloerig, elk huis had
zich van boven tot onder met rouw behangen,
dat was zoo mijn verlangen.
En voor alle ramen zaten
mijn onderdanen naar me te zien,
ze hadden het donker gelaten
om me te beter te kunnen zien.
En midden op een plein
wou ik alleen zijn,
ik heb mijn herauten verzonden
naar alle ronde.
Den roode hoorde ik zingen
veraf en met zijn zwingen
karmijnrood kleppren hard,
het roode was nu zwart.
En er sloeg een zwarte brand uit
veraf, de vlam stak zijn hand uit,
daar was een vrouwegeschreeuw,
woorden als vonken sneeuw.
Ik zat eenzaam te kijken
uit het donker naar het prijken
der vlam en het deed me zeer,
langzaam kwam 't donker weer.
En waar de gele was gegaan,
verscheen hij hoog als de geele maan,
de huizen en al de daken
zwart bij het geel afstaken.
De huizen kregen een valschen schijn
van schoonheid of ze van ebbenhout zijn
met lijsten vlammend van goud,
ivoren balken geel en oud.
En vrouwen kwamen uitsteken
het hoofd uit ramen, ze keken
en spraken wat woordjes fijn
en valsch zooals munten zijn.
En mannen kwamen met koppen
vooruit uit de stedesloppen,
het roode dikke werd geel,
zeien woorden zwart en veel.
Ik zat heel stil en recht,
mijn onderdanen zijn slecht,
dacht ik, ik ben alleen --
ik voelde me trotsch en tevreên.
Naar boven => Index
SAMEN te loopen tusschen breede zeeën
en landeilanden als wij samen deeën,
samen te eten van de grijze lucht --
en aldoor door dat éénzelfde en geducht
uitgaan te voelen tot elkander heen
en niets te zeggen, arme menschentwee'n,
wel naast elkander maar toch gansch alleen,
uw handen naast mij op en neer zien gaan
en uwe oogen in het opwaarts gaan
over mij voelen -- hoor de breede zee
wellend en komend met een zelfde tree.
Wacht maar naar de winternachten
al wat in mijn gedachten
weenende zit mijn kind,
o mijn bleek meisje ge vindt
het in de stille mistezeeën,
treed dan binnen die winterweeën,
zwem er als zilvervisch,
waad er wijdarmig, er is
zilveren licht wel hier en ginder,
daar komt een adem, een wind er
blaast er een open meer,
daar vlamt het gouden begeer
van vlammen omhoog,
daar is een boog
vast in den nevelmuur,
en in het winternachtuur
groeit langs de nisse loovervlam.
Zit daar dan neer en sla uw klam
tranengewaad dicht om uw leden
uw bloemronde, natwitte leden.
Wiegelend komen in een rij
schouderezinkend, stemmezinkend,
schoudererijzend, stemmerijzend
teere lichtwezens naderbij.
Ze lachen met handen op en neer,
trillende voeten slaan het teer
luchtgenevel om ze heen,
vonken zilver spat om het been,
oogen blinken in het verlichten
in doorzichtige aangezichten.
Ze dragen bekers en schalen
vol met een drank van verhalen
bobblend van stemmelucht,
het water kookt en zucht,
ge drinkt het, dat is een troost,
en mijn gedachtenkroost
danst als het u ziet lachen --
kan het niet stil verdragen,
springt bij u op uw knie,
hun moedertje weet wel wie
't lachen gezonden heeft,
hun mond aan haar ooren beeft.
Dit is een dronk die doet ook klinken,
binnen het hoofd van haar die drinken
doet de teere windeschaal,
wiegelend windeverhaal
wuift de blikken heen en weer,
langzamer, langzamer, teer
vallen de oogen dicht,
daar ligt het wicht.
Een bleeke vrouw in een mistnacht,
een van de kinderen wischt zacht
tranen nog weg,
ze gaan alle weg.
Naar boven => Index
LAAT ik nu denken hoe dat alles was,
gaat toch niet voorbij, mijn gedachten, zoo ras,
en schoone blanke stem blijft in 't zwart duister staan
wil toch niet zoo ijlings van mij weggaan.
't Was buiten de stad in de kou
van water en wei, erg rauw
blies de wind het laag land over, de boeren sliepen,
de stad was verlicht waar de wakkere menschen liepen.
De wolken weenden soms, verder
gingen ze, zonder herder
van zelve als menschen doen
die doelloos, aarzelend spoen.
Zwart glansden mijne oogen,
mijn mond werd zwart in 't droogen,
fijn spikkelden druppels neer
op 't drooge lippenbegeer.
Zacht druppelden neer de teere
nachtdruppels die dorst vermeeren,
de zwarte nevelvlam
sloeg om me stil en klam
onder de wolken zwart van glans,
beglommen alsof het de schans
geharnast was van de aarde
die ze bewaarde.
Toen heb ik me stil neergezet
aan den wegrand en met
mijn oogen heb ik de stad aangekeken
die deed de lucht verbleeken,
die deed de lucht verbleeken
en de oogen schrikken,
de stad lag daar stil te branden,
het leek wel een groote warande
buiten als 't zomer is,
het donker in bosschen is.
Ik begon toen stil te rillen
en in me bang voor mijn gillen
te worden dat ik ging doen,
ik kon het niet houden toen.
Naar boven => Index
BLINKEND licht splinterde fijn,
uitstortte ik in den schijn,
het straalde over mijn oogen, het stroomde langs mijn lippen,
het viel over mijn gebogen armen en handen -- mijn tippen
van mijn vingeren striemden zijn teere geweven lichthuid,
mijn hooge beenen riemden het spikklend spatzilver er uit --
en toen was ik in de dage
waar hàre zoetstroomige bedden lagen,
hare, de jonge gezwollen bladige bloemige roode lent' --
tot me gewend.
Ze ging zoo dansend, zoo armen zwaar heffend lichtend voorbij,
haar stroomende rug, een glijbaan van licht, haar lichtvolle zij,
het ronde hoofd daar van boven,
de omhoog zolende voet --
de vingers zooals lovers
die zénuwig dè wind trillen doet --
en daar kwam ze ook weer aan
de lucht van zich duwend, over de aarde, luchtbelaan,
in het zware daglicht met haar eigen lachlicht
ademend zwaar alsof ze zong,
omdat het haar lippen hóógvol drong,
en de teeder gevelde borsten omhoog
waarlangs het licht langzaam vloog
omdat zíj het was -- omdat zíj zíj was --
het roode langzame lichte witte met een beetje goude licht
en over haar wang en gezicht
gleed het neder omlaag, langzaam en juist daarom traag,
en ze kwam zoo dicht bij me
en ze neerlei me
haar teedere volle borst tegen mijn lip
een ogenblik, want een tip
was ook al veel te veel voor mij
en ze streelde ook over mij
haar groote omhoog geheven zware maar mij lichte hand
en ze legde aan mij
heel het uitgestrekte bloeiende bloem-beddige land
van haar fonkelend, gazzend, zonnend, koren-vlammend lijf
en ik hield me stijf
om niet te vallen, want ik voelde de duizendtallen
van groote bloeddruppels opspringen als een regen in mij --
maar als een plassende stralende regen in Mei
voelde ik toen het licht van haar oogen
door de glimlichte glanzende drooge
luchten over me heen --
't werd stiller om me heen,
ik zag haar gaan, lichtspreidend als een rad van vuur,
verder en verder, zwijmen in dag, overal gelijk vuur --
omhoog was ze en omlaag,
nu was het overal dag,
boven, beneden -- vurig tevreden --
en ik stond alleen met mijn lach.
Naar boven => Index
DE lente -- ik sta midden in haar --
o daar komt ze daar daar
daar vliegt ze op mij aan, ze zoent me,
ze zoent me, ze zoent me en ze noemt me
haar zoete ademen, woord voor woord;
o en daar vliegt ze voort
de honnege fladderende lente,
daar naar de verte, daar naar de horizonnerige tenten,
de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente,
de zomerige lente.
Kijk nu, ze strooit den zomer rond
die vliegt om haar rond
uit haar mond,
rond haar boezem, haar gladde rug, haar beenen
zoo donslicht omschenen,
ze gaat langs de horizonnen
maar aldoor omme,
ze heeft toch zoo veel, ze kan geven
wel, zie het lichte sneven
van al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht
en daar midde' in haar gezicht,
zie je het wel, zie je het wel --
hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel,
hoe kunnen we het toch verdragen
van ochtend tot avonddage,
kom weer, kom bij mij weer
gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve oogenbegeer.
O ze valt op mijn borst,
haar mond midde' in de dorst
van mijn mond, haar roode zachte weeke punttong --
't is of ze helemaal in me drong.
Naar boven => Index
 |