Herman Gorter
Korte gedichten

Herman Gorter
Mei

Herman Gorter
Bloemlezing

Herman Gorter - Verzen 1890
Herman Gorter
Herman Gorter, omstreeks 1892. 
Foto: Willem Witsen.
(Wormerveer 1864 - Brussel 1924)


Linecol


Lange gedichten uit 'Verzen' (1890) :


1 '0 ALS de zon schijnt'


2 '0 KOELE zwarte ademen van den nacht',


3 'IN de zwarte nacht is een mensch aangetreden'


4 'BEWEGING is vr me ongewis',


5 'TOEN zag ik je'


6 'IK zat eens heel alleen te spelen',


7 'MIJN liefste was dood'


8 'De avond amt nu haar goudgroene licht',


9 'De zon heeft toen zelf een lied gezongen'


10 'VOEL je den nacht',


11 'DE lente komt van ver'


12 'IK was toen een arme jongen',


13 'ZACHT kwam ze als jonge sneeuw'


14 'EN ik bij de stille zeen',


15 'TOEN bliezen de poortwachters
op gouden horens'



16 'IK zat eens heel alleen te denken',


17 'EEN roode roos is in mijn hand'


18 'IK had zoo lang rondgeloopen',


19 'IK wilde ik kon u iets geven'


20 'IK lag te slapen op mijn bed',


21 'IK liep 's avonds door mijne stad'


22 'SAMEN te loopen tusschen breede zeen',


23 'LAAT ik nu denken hoe dat alles was'


24 'BLINKEND licht splinterde fijn',


25 'DE lente'
.


Linecol


0 ALS de zon schijnt
en de aard wegkwijnt 
in dien luister, 
weg in 't duister, 
en maar scheem'rend het hoofd 
opheft in schauw omloofd --
treed nader, treed nader, 
blankvoeten te gader, 
te gader de voeten, de handen -- 
de lachtande
de blauwooge 
de blondhooge, 
de zilverwoorden weenende, 
het lijnig hoofd leenende 
achterover omhoog in de lucht --
zoet, zoet, langzaam vlucht 
door het zonnedagen 
in de hooge hagen 
zon -- zoet zoet langzaam vlucht, 
ga niet te gauw voorbij, voorbij, voorbij, de lucht 
blijft hangende bevende achter u --
verlangende eeuwig naar u, 
eeuwig, eeuwig, -- vlucht niet te vlug --
achter uw rug 
rek ik de armen 
van verlangen, van verlangen 
rek ik de armen, 
vlucht niet te vlug.

0 hoe blank zijt gij van rug, 
zongebrand, uitgeglansd vleesch --
waar het tot schouder oprees, 
waar de lichte haren 
in trillende snaren 
in de zonnescharen
hangen saam in de lucht, 
in de lucht in de lucht 
terwijl gij vlucht.

0 als de zon schijnt 
en de aard wegkwijnt 
wg in het duister --
en dan wg de luister, 
uwe luister, 
alle luister.
Naar boven => Index
Linecol
0 KOELE zwarte ademen van den nacht, stil vlietende kannen van wijnzwart gebracht in haar rouwvingeren slepend zoo zacht -- gaat lavende tot waar mijn liefste wacht. Ziet ge het flonkerend zware roode wijnvocht de kan uit, de roodgoude, vallen dwars door den zwarten nacht, dat is de sombere roode oude opgegravene bloedenddoode wijn in de nachthand hier gebracht. 0 mijn liefste laten we drinken samen het rood, als zee'pinken dwalen naar huis die de vischvangst doen -- samen diep door het duister zinken tusschen de huizen die donker weerklinken of ze binnen ons stappen nadoen. Die huizen die zijn wel volgeladen stille lichtmenschen die zich te raden woorden geven en lachen stil -- wij loopen saam door het duister te baden boordevol vol van de donkere zaden vreugde die straks hoog groeien wil. Geele gelaten kijken van menschen achter de ramen en gaan dan grijnzen om ons twee'n die strompelen voort -- hoeren om hoeken den mond vol wenschen loeren, en ruggen van mannen deinzen mee in de straatstroom goudgeboord. Onze gesloten oogen gaan -- langs onze oogen de golven gaan, duistere lucht -- wij zijn twee visschen die gaan bewonen diepbegraven zwarte zeeholen zonder gerucht. In de zwarte stad in de steenkole stad in de stad gestegen van metaal, daar heb ik een zaal zwart gebrand -- rood van minne, daar brandt geel licht van binnen. De leege wanden staan rondom, gevallen fluweel, daar vouwen zich om de stille plooien verrukkend -- dan gaan daar rukkend de roodgouden lichten door -- wij oogend staan daarvoor -- en wandelen zuchtend. Als stompe huizen gelicht geraamd, waar het weerlicht in vlamt zoo zijn onze wanden daar -- als groote vrouwen met vallend haar staan de hoeken omhoog en houden verzaamd het zachtfloerse zaalgeraamt. Daar staan we en houden stil, we raken elkaar met geril en kijken al rondom ons -- in ons is gegons, ver buiten gonst ook de stad somber en mat. Maar groote vlambloemen gaan beginnen in uwe handen te wieglen van minne -- uw haren rijzen als een vlam, uw wangen zijn vuurvloeiend, lichtklam -- o doe in mij vergaan dat vlammend beraan.
Naar boven => Index
Linecol
IN de zwarte nacht is een mensch aangetreden, de zwarte nachtwolken vlogen, de zwarte loofstammen bogen, de wind ging zwaar in zwarte rouwkleeden. 't Gezicht was zoo bleek in 't zwarte haar, de handen wrongen, de mond borg misbaar, de nek was zwart, een hel was 't hart, van daar kwam het zwarte en worgde haar. Met de wind, met de boomen en met al de wolken is ze gekomen, het waren rondom haar groote volken van zwarte nachtdroomen. Bij een groot zwart water aan zijn zoom heeft ze heel stil gestaan, de lang geleden geboren boom heeft het toen geran -- en de wind en de wolken hebben stil gestaan, ze hadden het niet gedacht, anders waren ze niet gegaan en hadden haar niet hierheen gebracht, en alle zijn ze blijven staan, de wind en de boomeblaan en het wolkevolk en de zwarte golven in de kolk, en de vaders en de voorouders stonden omhoog in stille wolken met hun schouders, tot de voeten in zwarte toog, en de kinderen die ze had willen baren, kwamen rondom tegen de boomen staan, ze waren klein en stom, en n ding dat ze in haar leven altijd had gehad, kwam nu heel hoog boven haar zweven lichtend mat, een groote vogel, een groote bloem, een klinkende klok, haar groote roem, haar stem waarmee ze was geboren hing nu omhoog en liet zich hooren. En al die kindren en die ouden hadden het niet gedacht, en ook niet de stem die boven de wouden nog zong in den nacht -- die was altijd in 't leven geweest haar eenig lam, die blaatte nu nog als een eenzaam beest of ze bij hem kwam, die was het eenige vuur geweest voor hare handen, daar kwam ze 's avonds erg bevreesd uit de menschelanden, die was het droomen en lavende slaap voor haar in 't leven geweest, die stond nu boven, een eenzaam schaap, een blatend beest. Maar toch ze ging en ze sleurde mee in een sleep, kindren en klanken, in zwarte zee ging alles scheep, en 't dreef nog even, het water zwart vonkte van diamant, in die groote schipbreuk brak ook het hart, alles zonk, het laatst de hand.
Naar boven => Index

Linecol BEWEGING is vr me ongewis, dag nauw siddrend is geboren, waar menschen vluchten doorheen, door de witte luchten, de zwarte menschenstoeten flauwooge, hangvoete -- de nacht valt, de zwarte brandnacht, -- die heeft nauw omgebracht het zilverige lislicht, of om de gevels zwiepen de nevels weder van stengelend licht. Levenbeweging is ongewis, ik werd geboren en naar mij te voren drongen op golven aan vlotten met menschen belaan, menschengezichten en dingen, menschen zoo vreemdelinge in 't daglicht, zoo licht en fijn, met zoo welbegrepen schijn. En ik zelf liep zoo te ademen de heet verbrande wademen der lucht, die van zelf doet drenken keelen en vol beschenken. Ik ademde licht tevree, alleen des avonds dee ik de oogen der dingen toe, dan was l om me moe en wou me ook niet meer aanzien -- elk ding werd zwart van aanzien. Ik heb honger gekregen, ik voelde de leege holen in mij worden des nachts, in mij is onverwachts verlangen gekomen, o mijne leege armen, o mijn oogen, o mijn arme verlangende ooren en zoomen van mijn bloedenden mond -- Sidderd' ik toen, rondom me stond bleek en flauwoogig het lichten van al de wereldgezichten. Handen omhoog ben ik gegaan vluchten, de zoute traan stroomde over mijn lippen, mijn voeten sloegen de slippen van der dagen gewaan langs waar ik vluchtend gegaan. Ik schreide, ik schreide zoo, mijn keel verhardde zoo, ik liep zoo hard, zoo hard, zoo'n pijn deed mijn hart. O witheerlijk licht, wis licht dat rondom me is, maagd die lichtlucht zijt, tot u heb ik geschreid. Stil sta ik nu bij u, vol licht is het mij nu, het trillende wieglende leven -- ik zie het omhoog fijn beven, ik zie het benee vaststaan, warm-lichtend, koel donkrend op een effen baan. Wij staan daar diep verscholen in, hebbe' onze lust en onze zin daarin, is het niet, is het niet, niemand weet ons vrede gekomen, verdwenen leed.
Naar boven => Index
Linecol
TOEN zag ik je -- Er was toen veel licht, de kamer was een bloem die dicht in eens open uit gaat schijnen, het licht vloog rond in lijnen. Ik was heel stil en ik dacht niet veel, ge hebt gekeken en heel mijn hoofd is wijd opengewaaid, zooals 's zomers opengelaaid boven op een wijd, wijd land, in een wijd wereldsch open land -- zoo was ik eens in die kamer in die roode gouddoorlijnde kamer waar het gasgoudlicht doorvloog op vleugels vleugslaande wegslaande roeivleugels in de teere lucht, in de bevende lucht, in de lucht die vlucht als je doorgaat -- hoor hoor hoor o ik hoor het, je teer droog keelstemmetje spreken, omhoog en wat lager spreken vlak voor me, ik rook je teer vleesch, je uitschijnend stillevend vleesch, ik stikte in je oogenkijken in dat tintelend bloote kijken uit dat stil hoofdbewegen, in dat trillen en dat bewegen van je handen en je hoofd en je voet zooals het aan me nu nog doet. O kon ik maar vinden het uitvlietend gezwinde woordenriviersterrelsel waarin ik het alles vertel voordat ik weg ga sterven in het leven waarin ik zoo zwerve. Maar o schoone tintelkleure die binnen de groote lichtdeuren van den zonzomer is, en al de lichtlichternis, de hooge heilige mis van de dagen, en goudlicht en avondschijn in de roode kamer die zijn, waarin zij toen was met haar lichaam als glas zoo doorzichtig, zoo lichtig, wilt wezen samen altijd uitgelezen in me die haar eenmaal zag in uw licht roodgoudwitten dag. Want laat ik maar bibbren en maar heel wg sidderen in woorden opdat niets meer is dan hare lichternis.
Naar boven => Index
Linecol
IK zat eens heel alleen te spelen op een gedachteharp, de kelen van schemering en duisternis om mij fluisterden liedjes, het leek tooverij. Mijn vingers en mijn oogen teeder gleeden langs gele snaren, boven en beneden bleven ze langer, want ik wist niet wat ver achter in gedachtevlakte zat. Een kinderbeeldje, dat is pgerezen zwierig in haar gewaad, ze had te lezen gezeten in haar vreemd gedachtenboek, nu stond ze in een geelen rimpeldoek. Nu kwam ze dichter bij, we zijn gekomen midden ter vlakte onder heel wat boomen, we spraken niet, want boven zei de wind al mijn gedachten en die van het kind. Maar te dansen zijn we wel gegaan, heen en weer, op en neer, een lange baan van luchtige passen, voeten beurteling omhoog, omlaag, als rozenbuiteling. Te dansen zooals twee rozen gaan, rozeroode rozen tusschen groene blaan samen gesproten van uit ne steel, twee windewiegelingen, geen geheel maar altijd twee, hoewel ze ongescheiden het leven doordansen met hun roode beiden. Zoo dansten wij, mijn vingers scholen in 't geelglimmende fluweel, een diepen zin voelden ze daar van 't levende dat edel in 't gele woonde, en de windevedel blies uit een adem van een gele stof zooals een zonneschijn in bloemehof Wij zeiden altijd niets maar sprongen om ons om -- haar gouden oogen fonkelden, haar lippen bleven stom -- de wind zei al gedachten, en de dansemaat, die fonkelde in diamant op haar gelaat. Maar eind'lijk zei ze goeien dag en is weer weggegaan, op hare lippen danste lach, haar kleed was als de maan zoo flikkerend om 't dansend lijf, zoo sprong ze heel, heel ver, zooals de gouden maan eerst, toen zooals de gouden ster. Ik ben zooals een oosterster, zij tintelt in het westen, wij twee'n vogels weten wel de takken onzer nesten, wij komen nog wel weer te saam, is het niet, is het niet, dansende liefste, liefste, liefste, op windelied? Maar onderwijl zit ik te spelen op een gedachteharp, de kelen van schemering en duisternis om mij fluisteren liedjes, het lijkt tooverij.
Naar boven => Index
Linecol
MIJN liefste was dood, toen ben ik gegaan alle werelden door, ik heb gevonden, de wereld is groot, maar zij was dood. Ik heb veel gevonden, de wereld is groot, er zaten veel in den nacht met witte vingren wenkend, de macht van mijne doode was heel groot. Toen ben ik gekomen op eenen akker, o mijn liefste word wakker, gij laagt daar neer zoo zwart, droomasch, verbrand uw hart. Gij hadt te lang gewacht bij het vuur, elk nacht- en daguur zaagt ge mind'ren de vlam alsof een dief haar nam. En toen het stervend was op 't hout het roode vuur -- te koud was het -- toen hebt ge 't opgestookt met eigen ziel, het heeft gerookt, het heeft geknetterd, het heeft de vonken doen springen en lonken, het vuur heeft sissend het hout gekust als kleine meisjes -- het is gebluscht, o mijn liefste word wakker, uw asch is zoo zwart op den akker. En in mijn angst ben ik heengegaan een heel eind weg, over de baan de roode liederenmonden om te roepen de dagschuwe, nachtzieke schaduwe, haar ziel, die bij de wachtvuren wachtte de nachturen, of ze nog levend was, om te rak'len in de asch, om te lokken uit de lucht, als ze soms daarin was gevlucht, dat ze kwam om me toe te spreken, langs mijn wangen haar weeke lippen te laten gaan -- de armen om me te slaan, met haar vingers mijn hoofd te streelen in mijn ooren te kweelen, met haar stem mij te zeggen dat ik haar altijd heb liefgehad -- Deze monden zijn gegaan, ik hoorde ze als klokken slaan: Roode gewaden, roode zij ligt nu klaar, een groote wei van roode zijde, kom o kom, liefste, zijn liefste, ik bid er om. Rood satijn voor 't rood lichaam, roode bloemen voor het haar, roode bladen als om 't raam wingertgeblaar -- we hebben het allemaal klaargestrooid, we hebben de wereld uitgerooid van al het niet brandende, al het niet rood, ge kunt nu keeren, arm en bloot. Roode papavers, roode tulpen vallen rondom de breede fulpen spreiding van het rood fluweel -- een rood lied zingt er uit de keel van roode vogelen, vijver wijn purpert het marmer, in karmijn zit hij alleen met heete lippen, roode jonkvrouwen houden de slippen van zijnen mantel, kom die hij wacht -- rondom duistert de purpere nacht. Rondom duistert de purpere nacht, kom keer weer, o kom die hij wacht, ik ben zijn trouwe roode trompetter, om en om ga ik, n gedacht waait mij voort en dreunt geschetter uit mijnen rooden mond die lacht, lacht van de weerpijn die zijn hett'er brandt in mijn rooden armen mond, 'k wilde dat ik u weder vond -- kom keer weer, zijn liefste, hij wacht in purperrooden gloenden nacht. Die roode kersen, die roode drank stroomde en viel vergeefs, die rank bleef eenzaam in den dorren nacht, heeft den vogel niet weergebracht.
Naar boven => Index
Linecol
De avond amt nu haar goudgroene licht, waar is uw gezicht, waar is uw gezicht? op aarde staat een altaar opgericht, groenege takken branden rook en licht, waar is uw gezicht, waar is uw gezicht? De avond ademt om goudgroene boomen, zult ge nu komen, zult ge nu komen, het kopren mos brandt, aan hun groene toomen en trenzen schudden al de waterstroomen, zult ge nu niet komen, zult ge nu niet komen? Groene ruiters gaan in draf, rappe hoefklinkers hoogten af, avondhoogten. -- Groene jachtstoeten rijden op zwaarbestamden heuveltop in de hoogte. Ze blazen daar hoog hun kopren klaroenen, groene vaandels dragen baroenen, staan allemaal in avondlicht, blazen orkest naar het West gericht -- de wereld lavend gaan zon en avond dood, o dood -- waar is uw gezicht? -- het wordt zoo donker onder de boomen, zult ge nu komen, zult ge nu komen, waar is uw gezicht? De ruiters zijn naar huis gekomen elk naar zijn slot in de oude boomen, de nacht heeft hen in hun sloten gedekt, de avond had haar niet gewekt.
Naar boven => Index
Linecol
De zon heeft toen zelf een lied gezongen, ik had mijn handen gewrongen omhoog, mij was zoo erg, erg bange, ik was zoo flauw en zoo moe van verlangen. Ik heb hem gevraagd te lachen, zelf kon 'k niet wagen, mij dacht ze zou komen op zijn verlangen. "Ik ga zelf op en kom gereden aan, prachtige stralen vliegt nu af en aan, regenwolken regent nu daarneer, regenboog span u over het zeemeer. Regen verguld u tot een gouden net, wereld spreid u tot een goudzijden bed, zee'n omvalt met een goudwaterval gouden appel der aard van overal. Regenwolken nu niet meer, regenbogen gaat nu ver kleurige sluiers uiteen scheuren, wereld ontsluit de hooge deuren, goudene ruimten opent u -- gouden licht, goud schaduw. Komt tot mij al wie vergieten ziel in goud in grooten stoet, stralen die het leven lieten nu terug mij tegemoet. -- gaat nu allen achter mij, breede vleugels, mij ter zij, staat hier boven alle wolken, regebogen, en de volken van mijn dienaars, luide schreeuwt, gouden stemmen uitgesneeuwd. Winden, vliegt aan sneeuw belaan, aan alle daken die er raken woeste sterren ongezien, zoekt het kind en gaat te vinden waar ze ooit heeft kunnen vlien." Hij stond te wachten in zijn pracht en staat nu nog, ze keerde niet -- keerde weer het sneeuwelied. Mijn liefste is dood, ik ben gegaan alle werelden door -- ik heb gevonden, de wereld is groot, maar zij was dood. De wereld is groot, een regenboog heb ik mijn reizen gemaakt, die staat te branden hemelhoog -- ik rijs daarop brandend naakt. Mij brandt dit eene groote verdriet, ik kan niet vinden, wie eens om mij het leven liet, die jonge hinde, dat jonge kindje, die jonge bloem, die ochtendwolk, die nachteroem, die witte ster, die bloemewinde, die jonge hinde. Ik ben gegaan de werelden door, ik kan 't niet vinden waarin ze schuilt die ik zoo minde, zij is te loor. Zij was de zon en ik de regen, zij scheen door mij -- en van ons beide is opgestegen een kleurenrij. Die hangt nu boven in de lucht met wereldvlucht, de wereld is groot, eindloos groot maar zij is dood.
Naar boven => Index
Linecol
VOEL je den nacht den eersten lentenacht? Hoor je de boomen wel zingen eerst daar heel hoog hoog zingen van de teere bovenste takken als keelen die braken in angstig verlangend hoog vreugdeschreien, hun hoog gierluidende lentelijen, hoor je den nacht den eersten lentenacht? En nu gonzen de stammen nu de eerste nachtvlammen hen grijpen in zwarte handen, ze gonzen tusschen hun tanden, hoor je het, kind, hoor je het, kind, de oude zwarte stampalen droomen in lage schalen omdat het nu weer begint. Laten we nu onze hoofden buigen in zoelomloofde zwarte warme nachtboezems, om de lippen doffe nachtbloezems, in de haren nachttrillingen aan het lijf onze vingeren in den mond onze drooge tongen, in onze armen die vongen elkander eindelijk o eindelijk. Laten we hoog opstaan en door de zwarte lente gaan, hij heeft zijn zwarte luchtebloemen dat zijn zijn geurige lentehanden daarmee is hij gekomen daarmee loopt hij de wanden der ronde luchten af -- hij legt ze aan onze wangen, wij drinken luchten-lange teugen zwartvallend hemellicht, dat valt stil af op ons gezicht. Wat ben je nu zwart, ik kan je oogen niet eens meer zien, is dit je hart -- wat gaat er geschien? Ik ben zoo bang, toch is het zoo veilig, de lente is zwart, de lucht weelig, en jij in mijn armen zoo zacht in je huidevacht -- het komt van het lang verlang. Je bent zwart, ik wou wel vergaan hongerig, nooit van daan meer komen, in zwarte bloemen o mijne zwarte bloeme.
Naar boven => Index
Linecol
DE lente komt van ver, ik hoor hem komen en de boomen hooren, de hooge trilboomen, en de hooge luchten, de hemelluchten, de tintellichtluchten, de blauwenwitluchten, trilluchten. O ik hoor haar komen, o ik voel haar komen, en ik ben zoo bang want dit is het siddrend verlang wat nu gaat breken -- o de lente komt, ik hoor hem komen, hoor de luchtgolven breken rondom rondom mijn hoofd, ik heb het wel altijd geloofd, nu is hij gekomen. Goud is het in de lucht als goude heiligen, in labberlichtkleeden, de zeilige die nu de aarde bevaren, bezeilen, over de luchte meeren met het zachtgladde kleed scheeren en blijven wijlen en komen keeren, het zachte hoog luchtkleed tillende zeilen ze heene en weer wiegelende en blikken zich spiegelend in de blauwe verwarmde waterevlakken. O hoor je haar komen met je zachte warme vingeren hoog trillende in de bloeme- luchten die rondom klingelen? met je vlottend haare met het licht gebaren van je blauwe vervlietende oogen in het allerhooghooge het hoogheilige luchtige goudluchtere licht? hoor je 'm komen tederstil licht? Laten we nu lachen lachen lachen lachen in zijn gezicht dat daar dagen dagen doet in den dag, laten we tranen weenen weenen weenen weenen, hij weent ook over ons henen in zijn sneeuwglinsterdag. Lentelicht is nu gekomen, eindelijk is het gekomen, o laten we toch lachen lachen zoo licht als dagen, want hij is er, hij is en gij onz' droefenis val toch in tintellichttranen als bleeke vallende manen stil in de lichternis. Wij voelen als twee hooge, op stengel verhoogde lenterood-bloemen midden in de lichtzee -- de lente is gekomen.
Naar boven => Index
Linecol
IK was toen een arme jongen met te groot verlangen. Lange luchten kwamen gevaren als lichte zeebaren over mijn hoofd, over mijn hoofd -- mijn licht weenend hoofd. Op rezen zonnen, vergingen op hunne goudvurige zwingen, moe viel mijn oog in mijn hoofd. Mijn lichaam was toen zoo wonderlijk, elk lid afzonderlijk leefde, ik zag het aan, ik wist niet waar te gaan. En lentenen kwamen met ademen, sleepluchten in sleeplichte wademen, en lichte groene groenblondende schromen licht lichtlijk straalvingerend om boomen en glansplekkende wateren en uitgestrekt klateren des eeuwigen hemels en ernstige kemels van wolken, onderwijl hoog over de lucht -- mijn jeugd, mijn jeugd, vlucht, vlucht, vlucht niet te gauw voorbij, maar blijf bij mij. En donkere nachten met purperblauw gedachten en woorden uit omlage stad -- ik zat, ik zat duisteromfonkeld, nachtoogbelonkeld, omhoog tegen mijn kussen gedachten te sussen en wiegelen in mijn armen -- dat maakte zoo warme mijn borst en adem langs mijn hals. En dan de verlangenween naar de schitterlichtzeen, naar het teere vingrige spelen, naar het ongehoord tintelgekwelen, naar het strepend fellichtend ooglichtblauwen, naar het lichtezwemen van vrouwen, naar omtrekken licht die vallend kwijnen, waar lichamen lijnen schijnen, ver weg, ver weg -- terwijl hier ver weg tranen neervallen, lachen opschijnen, en 't leven in lichte treinen lachend voorbijgaat alsof het leeft -- zie vr, vr geeft zich de een na de ander op als golven, golven, golven bedolven de een na de ander, alles is lichten, wit, wit verlichten en scheem'rend schijnen vlekken en lijnen. . .; dat is de koninklijke dag dien een arm kind zag, lang geleden, lang geleden, verlangende, toch tevreden, niet wegdurvend uit verlangen, lange, lange, lange. En altijd weer dagen goudzonspreidingvlagen en mijn naakte armen omhoog in het licht en mijn hoofd achterover naar 't licht, en altijd wachten wat in gedachten geheel niet meer was dan wit licht.
Naar boven => Index
Linecol
ZACHT kwam ze als jonge sneeuw, stille en wiegelend, witte zich spiegelend in den spiegel der grijze eeuw. De eeuw was een grijze spiegel, blinkende met gewiegel, voer ze er over heen -- wit in het wit verleen. Ze was lichtgeschuim, ze was vonkelsel, ze was licht'ge luim, sterkarbonkelsel op het waterig vlak der aard, ze was handgevlam, ze was vuurgelicht, ze was brandgekam, ze was uurgelicht, ze was brandende diamantsneeuw, o ze was toch bewaard, blanke gekooide meeuw, eind'lijk voorbijvliegende aan de aard. In de grijze lichthoven, op den akker lichtschoven, in de waterpoelen van licht -- vonkelde haar gezicht -- hingen haar bloemekens, haar witte lichtharten open en bloot te wachten, in den sneewigen zomer de sneewlichtdroomer de zon omregende haar handen met stuifsneeuw klaar, in de dooiende nachten de maansneewvachten behingen haar stille ooren -- ze zat naar het vallen te hooren van 't opene sneewbloemgloren, maansneewbloemen hooggeboren, die spraken met geele monden al in het ronde -- de lichte winden die trippelhinde woeien naar voor, naar ver -- o een verloren veer -- maar een lichtgeschuim, maar een vonkelsel, maar een licht'ge luim, maar karbonkelsel, maar een sneewween' lachsneew' meid -- o hare vroolijkheid, o hare droevigheid sneewden wel wijd en zijd. Haar oogen begonnen te gloren, haar handen kwamen naar voren meer en meer, meer en meer -- ze voelden zich verloren veel gaan, ze wou toebehooren teer, o teer. En het ooglichten begon en het hoog opkijken, en het opschrikken begon en het heel ver wijken -- het wegsneewen aIs sneeuwjacht en het voetvluchten heel zacht, en het heel zacht in zich denken, en dan weer het wilde krenken der vingeregrepen en het zacht gegrepen hoofdhaar en het liggen neer en 't wreede levensbegeer. En het bloedproeven begon, het wijnroodbloede -- en het volgroeien begon en hartstormwoede en het heenloopen en het wederkeeren en het wrang gepijn, het diepe zeere leeg zijn en hongeren heel alleen, en het zacht neerzinken en het opblinken van willend lachen om het lijf heen. En het luisteren begon in de stille kamer -- en het stilzitten begon voor de gladde ramen en het ver weg zijn als een droom -- en het luistrend hooren naar het geboren worden geluiden als een droom. En de wereld hooren en de wind hooren en het zonlicht hooren en de nacht hooren en het stappen van den lichttijd, ze was onderwijl gekwijn, o, ze was zeegeween, o hare vroolijkheid, o hare droevigheid konden ng flauwlicht zijn als sneewigheid.
Naar boven => Index
Linecol
EN ik bij de stille zeen der wereld zoo wreed tevreen levende, hongerende, o, ik verhongerende, ik met mijn drooge handen, ik met het knarsetanden, ik met het al aangrijpen, ik met het tot niets rijpen van bleeke begeerende vruchten -- ik at de geduchte lauwe ademen met mijn ooren, ik stond bibberend voor de groote wijd opene spiegeloogen -- de blauwe lichthoogten. Hoor, ze gaat over de zeen de bleeke sneewwee, sneewvlagigheid -- de waters beneen, ze liggen te schreien van gragigheid -- er begint blauw blinken, de voeten zinken tot ons, tot ons -- de armen dalen, rood wordt het vale vleesch zooals rood dons. Ik zie haar lijf, ze is vol schaduw en rood -- teer zijn de dalen in haar.
Naar boven => Index
Linecol
TOEN bliezen de poortwachters op gouden horens, buiten daar spartelde het licht op 't ijs, oen fonkelden de hooge boometorens, blinkende sloeg de Oostewind de zeis. Uw voeten schopten omhoog het witte sneeuwsel, uw oogen brandden de blauwe hemellucht, uw haren waren een goudgespannen weefsel, uw zwierende handen een rovogelvlucht. De oogen in u die fonkenden jong-goude, het bloed in u vloog wentel-roowiekend om, de oogen der lucht die antwoordden zoo goude, boven dreven ijsschuimwolken om. IJskoud was het -- lagen de waters bezijen klinkklaar van ijs niet, spiegelend onder zon, schreeuwde het heete licht niet bij 't overglijen, omdat het snelvoetig de kou niet lijden kon. De bolle blauwwangige lucht blies in zijn gouden horenen omgespannen met zijn vuist -- de lucht kon 't wijd weerklinken niet meer houden, berstte en brak en blauwe sneeuw vloog vergruisd. De wereld was een blauwe en witte zale, daar stond een sneeuwbed tintelsneeuw midde' in, uw goudhoofd naar zwaanveeren ging te dalen -- lachende laagt ge, over het veld, handblanke, blanktande, trantele koningin.
Naar boven => Index
Linecol
IK zat eens heel alleen te denken aan een gedachtezee, het krenken van geele golfjes kriebelde mijn voet, ik voelde als zoet lachen in me, zoet. Een murmelwindje floot me om de beenen lang blikkend schoven zich de golven henen verlangend, en ze veinsden hunnen lach, ze weenden dn als ik ze niet meer zag. En stil begonnen toen de bleeke misten knievouwend op te staan en in de risten l voort te gaan, de murmelwind werd koud, de mistewang en waterwange blauwt. En toen kwam ze aangegleden ver het ijswater -- voeten haar kletteren deden, handen met handschater, lichtend verrezen m de witte misten kijkende lichtoogig of ze vergiste zich met te komen, maar ze weigerde nn -- o weenen, weenen, weenen deed ze met geween. Weenen, weenen, weenen, lachen, lachen, lachen, ik wist niet of druppelen schenen, ik wist met wat oogen zagen -- gleden haar koude handen, vielen haar marmerwangen dicht voor me neer, eilanden licht zag ik in verlangen- zee, hare oogen blinken, deed ze toch nederzinken stillekens, smeltend, nevelend aan mijn voet -- spraakademen, oogademen, handademen, haarademen riekten zoet. Weenen weenen weenen, lachen, lachen lachen, ik weet niet wat er uitschene, ik weet niet wat er uitzage -- over mijn strakke oogen sloegen de neergebogen nevelen van haar om -- dicht in mijn mondkeel stom, drongen haar nevelen, lichaam te omrevelen vielen hare lichtzeilen, sloegen haar vlamwaden mistvonkelsel beladen dooddronken, neergelegen, bleef ik wijlen. O weenen weenen weenen, o lachen lachen lachen, haar armen deden me dragen, haar handen deden me schragen als een hooge hooge wagen -- misten hebben geschenen lachend als blanke vanen -- om ons twee'n henen fonkelden vallende tranen, ik wist wat mijn oogen zagen.
Naar boven => Index
Linecol
EEN roode roos is in mijn hand zie hoe puur elk blad brandt, nu is vol vuur elk mijner oogen, mijn hoofd verbrandt. O dof karmijn bevroren wijn uitslaand plots in roode vlammen en vuurrood bloed fonteinen gloed, gebroken uit de hartedammen. Ik kan staren en al uw licht vergaren, ik kan liggen neder, 'n geblazen veder, hijgend, hijgend om u, ik kan mij wasschen diep in plassen, ik kan hoog opdrinken uw hoog uitblinken, uw vlammen luw. Een roode roos staat voor mijn slaap zie hoe somber, bloed in mijn slaap, een droom als amber, in roode zeedroom, ik blanker kaap. O droevig klotsen en somberder botsen rondom mijn droomenden voet -- o bloemfontein van rouw, roerlooze droom van vrouw, witschitter en somber als roet. Ik kan droomen van 't bij u komen ik kan weenen, bij u verschenen, gij zijt zoo rood in mijn ziel -- gij zijt mijn glonde, mijn eeuwig wonde vulkaan waarin ik viel. Dood, o dood, sombere, somber geronnen rood, kom, o kom.
Naar boven => Index
Linecol
IK had zoo lang rondgeloopen, de uren waren voorbij gekropen, en de lichte dagen die mijn oogen zagen en de zwarte nachten die mijn leven ombrachten -- en door de stad ben ik gegaan langs de steenhuizen tot aan haar -- o toen heeft haar stem geklonken. Eerst zacht, toen luider en luider, als de wind die uit het zuid'er opsteekt -- mijn hart doet pijn, betraand mijn oogenschijn. O ik verlangde om niets meer te zijn, niets meer dan haar en mijn zelf heel weg te laten om in die zachte maten over te gaan van haar, op te leven met haar stem en weer neer te zinken -- haar stem deed zoo om me klinken -- die kwam in 't ruischen van haar haar in 't schijnen van haar oogen waar ze teer lichtroode is -- haar arrem is zooals een boom omhoog gegroeid tot haar gezicht dat als een bloem uitbloeit. De dag ging en ook het zonnelicht van haar gezicht, ik zat als een pelgrim bij een boom en zij boven mij. In de stilte van haren avend lag ik als een schip gehavend, mijn hart deed een beetje pijn. Nog altijd kan ik 't niet zeggen, mijn arme verlangen niet zeggen, mijn leegte en mijn begeer grooter en meer en meer.
Naar boven => Index
Linecol
IK wilde ik kon u iets geven tot troost diep in uw leven, maar ik heb woorden alleen, namen, en dingen geen. Maar o alzegenend licht, witheerlijk, witgespreid licht, daal op haar en laat haar nooit zijn zonder uw zaligen schijn. Zij is zoo stil en zoo zacht als gij en niet onverwacht zijt ge voor haar -- z is het water voor een zwemvisch. Ik weet niet of zij u maakt licht, als haar monde slaakt adem, of dat zij door u werd en uit u bevroor. Zij is als de gouden zonmiddag, een herfstige laatste biddag van boomen en het graskruid tot 't zonlicht, hoog boven ze uit. Zij is het zilveren zwevende het teere licht blozende gevende licht, dat hemelhoog is, goudeeuwig als 't herrefst is. Haar oogen gaan wijd en zijd boven mijn starend hoofd uit, gouden en zilveren lichten brengt ze op menschengezichten. Ze weet haar licht niet, ze is zich zelve wel droefenis, ik wilde ik kon haar iets geven verlichtend het donkere leven.
Naar boven => Index
Linecol
"IK lag te slapen op mijn bed leliebebloemd en met mijn witte vingeren dood doodstil. Het was daar stil stil stil -- Ruischen van waskaarsen, 't knappen van vlamamandelen, de lucht goude asch -- schaarse leli'n lagen op mijn sprei te wandelen. Ik ben geboren als een bloem brekende in de bleeke lucht als 't guldene lente is in de lucht, de velden nog wat sneeuwbevlucht, goudene lucht, sneeuwgrond rondom. Ik ben gegroeid tot deze maagd dagegelijk, zoo onversaagd blinkend, wanneer de dage daagt -- gulden naar blauwen boog -- ik wiegelde zoo omhoog. Ik legde mij neder op mijn bed wachtende achterover, met mijn voeten schuif ik de stille sneeuw waarin ik lig, de fonklende sneeuw, die vult rondom mij zijn kristal mijn hals, mijn armen en het dal tusschen mijn borsten, als ik blaas sneeuwt over mij een jachtsneeuwgaas, kristalletjesspel, mijn adem rust, ze dooien als het vel ze kust. Ik heb mijn kamer zoo in de stad, waarom kwam toch niet wat ik lag te wachten, zoo wit waren nachten, zoo wit en leeg, ik wendde mijn oogen en neeg naar alle kanten mijn hoofd -- er was me toch iets beloofd. Niets kwam er dan goudgeluid, ik stak mijn armen uit, die blonken zoo eenzaam licht, ik sloot ze rondom me dicht -- ik ademde diep in mij 't goudkoude dat over mij hing als een drooge mist -- ik had me zeker vergist. Toen ben ik opgestaan heen en weergegaan hijgende tusschen de lichtstandaarden de zonnen van mijn slaapgaarde, ik kon daar niet langer zijn in den goudkouden schijn. Kom nu, o kom nu hooren naar al 't dringend te voren uit mijnen armen mond, ik wilde dat ge me vond, ik u om met u te keeren naar het vlammen, het teere lichten, het bibbrende schijnen - uit en het verwegkwijnen, sterven van licht in de hoeken, niet langer wil ik dan zoeken licht, maar het roode bloed dat gloeiende leven doet. Kom in mijn witte kameren daar deed ik verzamelen stilte en wit albast licht voor een hoogen gast. O 't is daar stil stil stil, wachten, alleen geril van vlammen en vlamamandelen, ruischende gaat te wandelen het licht in het gouden gewaad hangende in de luchtstraat."
Naar boven => Index
Linecol
IK liep 's avonds door mijne stad, Het water zwartvloerig, elk huis had zich van boven tot onder met rouw behangen, dat was zoo mijn verlangen. En voor alle ramen zaten mijn onderdanen naar me te zien, ze hadden het donker gelaten om me te beter te kunnen zien. En midden op een plein wou ik alleen zijn, ik heb mijn herauten verzonden naar alle ronde. Den roode hoorde ik zingen veraf en met zijn zwingen karmijnrood kleppren hard, het roode was nu zwart. En er sloeg een zwarte brand uit veraf, de vlam stak zijn hand uit, daar was een vrouwegeschreeuw, woorden als vonken sneeuw. Ik zat eenzaam te kijken uit het donker naar het prijken der vlam en het deed me zeer, langzaam kwam 't donker weer. En waar de gele was gegaan, verscheen hij hoog als de geele maan, de huizen en al de daken zwart bij het geel afstaken. De huizen kregen een valschen schijn van schoonheid of ze van ebbenhout zijn met lijsten vlammend van goud, ivoren balken geel en oud. En vrouwen kwamen uitsteken het hoofd uit ramen, ze keken en spraken wat woordjes fijn en valsch zooals munten zijn. En mannen kwamen met koppen vooruit uit de stedesloppen, het roode dikke werd geel, zeien woorden zwart en veel. Ik zat heel stil en recht, mijn onderdanen zijn slecht, dacht ik, ik ben alleen -- ik voelde me trotsch en tevren.
Naar boven => Index
Linecol
SAMEN te loopen tusschen breede zeen en landeilanden als wij samen deen, samen te eten van de grijze lucht -- en aldoor door dat nzelfde en geducht uitgaan te voelen tot elkander heen en niets te zeggen, arme menschentwee'n, wel naast elkander maar toch gansch alleen, uw handen naast mij op en neer zien gaan en uwe oogen in het opwaarts gaan over mij voelen -- hoor de breede zee wellend en komend met een zelfde tree. Wacht maar naar de winternachten al wat in mijn gedachten weenende zit mijn kind, o mijn bleek meisje ge vindt het in de stille mistezeen, treed dan binnen die winterween, zwem er als zilvervisch, waad er wijdarmig, er is zilveren licht wel hier en ginder, daar komt een adem, een wind er blaast er een open meer, daar vlamt het gouden begeer van vlammen omhoog, daar is een boog vast in den nevelmuur, en in het winternachtuur groeit langs de nisse loovervlam. Zit daar dan neer en sla uw klam tranengewaad dicht om uw leden uw bloemronde, natwitte leden. Wiegelend komen in een rij schouderezinkend, stemmezinkend, schoudererijzend, stemmerijzend teere lichtwezens naderbij. Ze lachen met handen op en neer, trillende voeten slaan het teer luchtgenevel om ze heen, vonken zilver spat om het been, oogen blinken in het verlichten in doorzichtige aangezichten. Ze dragen bekers en schalen vol met een drank van verhalen bobblend van stemmelucht, het water kookt en zucht, ge drinkt het, dat is een troost, en mijn gedachtenkroost danst als het u ziet lachen -- kan het niet stil verdragen, springt bij u op uw knie, hun moedertje weet wel wie 't lachen gezonden heeft, hun mond aan haar ooren beeft. Dit is een dronk die doet ook klinken, binnen het hoofd van haar die drinken doet de teere windeschaal, wiegelend windeverhaal wuift de blikken heen en weer, langzamer, langzamer, teer vallen de oogen dicht, daar ligt het wicht. Een bleeke vrouw in een mistnacht, een van de kinderen wischt zacht tranen nog weg, ze gaan alle weg.
Naar boven => Index
Linecol
LAAT ik nu denken hoe dat alles was, gaat toch niet voorbij, mijn gedachten, zoo ras, en schoone blanke stem blijft in 't zwart duister staan wil toch niet zoo ijlings van mij weggaan. 't Was buiten de stad in de kou van water en wei, erg rauw blies de wind het laag land over, de boeren sliepen, de stad was verlicht waar de wakkere menschen liepen. De wolken weenden soms, verder gingen ze, zonder herder van zelve als menschen doen die doelloos, aarzelend spoen. Zwart glansden mijne oogen, mijn mond werd zwart in 't droogen, fijn spikkelden druppels neer op 't drooge lippenbegeer. Zacht druppelden neer de teere nachtdruppels die dorst vermeeren, de zwarte nevelvlam sloeg om me stil en klam onder de wolken zwart van glans, beglommen alsof het de schans geharnast was van de aarde die ze bewaarde. Toen heb ik me stil neergezet aan den wegrand en met mijn oogen heb ik de stad aangekeken die deed de lucht verbleeken, die deed de lucht verbleeken en de oogen schrikken, de stad lag daar stil te branden, het leek wel een groote warande buiten als 't zomer is, het donker in bosschen is. Ik begon toen stil te rillen en in me bang voor mijn gillen te worden dat ik ging doen, ik kon het niet houden toen.
Naar boven => Index
Linecol
BLINKEND licht splinterde fijn, uitstortte ik in den schijn, het straalde over mijn oogen, het stroomde langs mijn lippen, het viel over mijn gebogen armen en handen -- mijn tippen van mijn vingeren striemden zijn teere geweven lichthuid, mijn hooge beenen riemden het spikklend spatzilver er uit -- en toen was ik in de dage waar hre zoetstroomige bedden lagen, hare, de jonge gezwollen bladige bloemige roode lent' -- tot me gewend. Ze ging zoo dansend, zoo armen zwaar heffend lichtend voorbij, haar stroomende rug, een glijbaan van licht, haar lichtvolle zij, het ronde hoofd daar van boven, de omhoog zolende voet -- de vingers zooals lovers die znuwig d wind trillen doet -- en daar kwam ze ook weer aan de lucht van zich duwend, over de aarde, luchtbelaan, in het zware daglicht met haar eigen lachlicht ademend zwaar alsof ze zong, omdat het haar lippen hgvol drong, en de teeder gevelde borsten omhoog waarlangs het licht langzaam vloog omdat zj het was -- omdat zj zj was -- het roode langzame lichte witte met een beetje goude licht en over haar wang en gezicht gleed het neder omlaag, langzaam en juist daarom traag, en ze kwam zoo dicht bij me en ze neerlei me haar teedere volle borst tegen mijn lip een ogenblik, want een tip was ook al veel te veel voor mij en ze streelde ook over mij haar groote omhoog geheven zware maar mij lichte hand en ze legde aan mij heel het uitgestrekte bloeiende bloem-beddige land van haar fonkelend, gazzend, zonnend, koren-vlammend lijf en ik hield me stijf om niet te vallen, want ik voelde de duizendtallen van groote bloeddruppels opspringen als een regen in mij -- maar als een plassende stralende regen in Mei voelde ik toen het licht van haar oogen door de glimlichte glanzende drooge luchten over me heen -- 't werd stiller om me heen, ik zag haar gaan, lichtspreidend als een rad van vuur, verder en verder, zwijmen in dag, overal gelijk vuur -- omhoog was ze en omlaag, nu was het overal dag, boven, beneden -- vurig tevreden -- en ik stond alleen met mijn lach.
Naar boven => Index
Linecol
DE lente -- ik sta midden in haar -- o daar komt ze daar daar daar vliegt ze op mij aan, ze zoent me, ze zoent me, ze zoent me en ze noemt me haar zoete ademen, woord voor woord; o en daar vliegt ze voort de honnege fladderende lente, daar naar de verte, daar naar de horizonnerige tenten, de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente, de zomerige lente. Kijk nu, ze strooit den zomer rond die vliegt om haar rond uit haar mond, rond haar boezem, haar gladde rug, haar beenen zoo donslicht omschenen, ze gaat langs de horizonnen maar aldoor omme, ze heeft toch zoo veel, ze kan geven wel, zie het lichte sneven van al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht en daar midde' in haar gezicht, zie je het wel, zie je het wel -- hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel, hoe kunnen we het toch verdragen van ochtend tot avonddage, kom weer, kom bij mij weer gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve oogenbegeer. O ze valt op mijn borst, haar mond midde' in de dorst van mijn mond, haar roode zachte weeke punttong -- 't is of ze helemaal in me drong.


Naar boven!

Herman Gorter
Verzen
(korte gedichten)


Herman Gorter
Bloemlezing


Herman Gorter
Mei


De tachtigers


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

  © Gaston D'Haese: 02-10-2007.
Laatste wijziging: 10-09-2017.

E-mail: webmaster