| Poëzie in de Zuidelijke Nederlanden - XVIe eeuw (bovenaan)
Poëzie in de Noordelijke Nederlanden - XVIIe eeuw (vanaf het midden) |


De 'Gouden Eeuw' is een legendarische periode van welvaart, die in vele culturen bestaat. ![]() |
![]() Antwerpen - Gildenhuizen op de Grote Markt (XVIe eeuw) De Brabofontein van Jef Lambeaux is recenter (1887) Anna Bijns een dichtende onderwijzeres die haar hele leven in Antwerpen woonde en werkte, was een felle tegenstandster van de hervorming. Ze trok fel van leer tegen Martin Luther en zijn volgelingen. Haar kenspreuk was `Meer suers dan soets'. Zij dichtte in de trant van de rederijkers, maar door haar talent bereikte haar poëzie toch een zeer behoorlijk niveau. Van haar bestaan drie bundels refreinen `int vroede' (gedrukt in 1528, 1548 en 1567). Dit is een schoon ende suverlick boecxken inhoudende veel scoone constige refereinen. (Antwerpen, 1528). Princen en princessen, als u Luters ghespuys Wilt genaken, maect geringhe een cruys, Geeft hem geen geloove, haer fondament is wack. Luegenachtich spreken sij met twee monden, Men soude haer bedroch niet meten met ellen. Al dat sij soecken, is vrijheit in sonden. Tsijn eertsce duvels, die de menschen quellen. ![]() Martin Luther Prinsen en prinsessen, als het Lutherse gespuis in uw omgeving komt, sla dan snel een kruis. Vertrouw ze niet, want hun fundament is zwak... Ze liegen want zij spreken met twee monden en hun drogredenen zijn niet te tellen. Al wat zij zoeken is vrijheid voor hun zonden. Het zijn aardse duivels die de mensen kwellen. Anna Bijns PRIESTERS SIJN OOC MENSCEN (fragment) |
![]() VINCKEN MOETEN VINCKEN LOCKENAch! wat heb ic met verlangenMenighmael hierop gelet Hoe ic vogels mochte vangen Met dit eygen vincke-net, Maer al wat ic heb begonnen, Wat ic immer heb gestaen, Noyt en heb ic yet gewonnen, Noyt en heeftet wel gegaen; Dan had ic te bloot geseten, Dan begon ic al te vroug, Dan had ic den slach vergeten, Dan en trock ic niet genough, Dan wast al te stueren weder, Dan te claren Sonne-schijn, Noyt en quamer vogel neder, 't Scheen ten wilde nimmer sijn: Vraegter ymant nae de reden, Waer aen dat het schorten mocht? Geensins aen mijn rappe leden, En noch minder aen de locht: Macker, hoort eens sonder jocken Hoort den gront van mijn verdriet, Vincken moeten vinken locken, Sonder vincken vanghtmen niet, Vincken heb ic nu gekregen Daer ic mede vincken magh, Nu soo coomter vinck gesegen, Daermen eerst geen vinck en sagh. Dit o vrient dit moetje dincken, Anders sijt ghy my te dwaes, Niemant vinckter sonder vincken, Niemant vister sonder aes. Jacob Cats (1577-1660) 'Vincken' had meerdere betekenissen. Het betekende vinken lokken of vangen, maar ook 'vogelen' (neuken). HET MINNEN IS EEN ZELDZAAM SPELHet minnen is een zeldzaam spel,Het brengt de mensen in gekwel, het is een los en loze vond', het is een wezen zonder grond. Al wat men aan de vrijers raadt dat dunkt de jonkers enkel kwaad, doch wat hun afgeraden werd daarhenen wil hun grillig hert. En wat men zo een linker biedt, dat wil hij toch zijn leven niet; en wat hem niet gebeuren mag, daar haakt hij naar de ganse dag. Roept iemand zo'n verliefde kwant, gewis die wijkt hem van de hand, en schoon hem iemand henen zendt, hij is straks weder daar omtrent. In 't korte, 't is een vreemde pijn in Venus' hof verdoold te zijn. Jacob Cats (1577-1660) ANTICHRISTWanneer de ruyge sneeu de Alpen niet sal decken,Wanneer de somer heet sal yselen van cou, Wanneer de locht het lant sal weygeren den dou, Wanneer t'gedierte sal de Ocean uutlecken, Wanneer den noorder-pool den seyl-steen niet sal trecken, Wanneer de grijse wolf het schaep sal wesen trou, Wanneer de vrou een man, de man sal sijn een vrou, Wanneer de aerd' haer sal rontom den hemel strecken, Wanneer de son en maan verwisselen haer beurt, Wanneer eens menschen hant die vanden hemel scheurt, Wanneer de Seraphim haer Schepper niet beminnen, Wanneer de Heer sijn cracht en goetheyt derven sal, Wanneer Gods Soon noch eens aent cruyce sterven sal, So sal den Antichrist Gods kinders overwinnen. Jacobus Revius SCHEPPINGEGod heeft de werelt door onsichtbare clavierenBetrocken als een luyt met al sijn toebehoor. Den hemel is de bocht vol reyen door en door, Het roosken, son en maen die om ons hene swieren. Twee grove bassen die staech bulderen en tieren Sijn d'aerd en d'oceaan: de quinte die het oor Verheuget, is de locht: de reste die den choor Volmaket, is t'geboomt en allerhande dieren. Dees luyte sloech de Heer met sijn geleerde vingers, De engels stemden in als treffelicke singers, De bergen hoorden toe, de vloeden stonden stil: Den mensch alleen en hoort noch sangeren noch snaren, Behalven dien 't de Heer belieft te openbaren Na sijn bescheyden raet en Goddelijcken wil. staech: gestadig, aanhoudend bocht: de boog van de klankkast reyen: versieringsrichels van de klankkast roosken: klankopening son: de grote klankopening van de luit (zon) maan: de kleine klankopening quinte: de hoge snaar Jacobus Revius (pseudoniem van Jakob Reefsen) WAT BATETWat batet veel gereisd in landen wijd gelegen,zo gij niet in en gaat des Heeren smalle wegen? Wat batet te bezien zo menig schone stad, zo gij het hemelrijk in 't herte niet bevat? Wat batet, dat gij roemt van velerhande spraken, indien des Geestes taal u niet en kan vermaken? Wat batet dat gij weet, en vele daarvan kout, hoe hier of daar een waard zijn gasten onderhoudt, indien gij niet en weet, hoe dat gij moet onthalen, dien gast, die in uw ziel komt van de hemel dalen? Reist vrij ter plaatsen daar gij vreemde dingen ziet, Maar wacht u en vervreemdt van uwen Schepper niet. Jacobus Revius (pseudoniem van Jakob Reefsen) ONVERMOGENSoo weynich als men wijn, uyt netelen can drucken,Soo weynich als den moor can bleycken zijne huyt, Soo weynich als de losch sijn vlecken wisschen uyt, Soo weynich als men mach van dorens vijgen plucken, Soo weynich als een steen hem rechten can of bucken, Soo weynich als een trom van sellef slaen geluyt, Soo weynich sonder vocht opschieten can het cruyt, Soo weynich sonder saet den lantbou can gelucken, Soo weynich als een pot self wasset uyt de aerd', Soo weynich als een kint hem selven teelt of baert, Soo weynich als een lijck can ploegen ofte delven, Soo weynich als een huys wort sonder hant gesticht, Soo weynich als den dach comt sonder t'sonne-licht, Soo weynich heeft den mensch het goede van hemselven. Jacobus Revius (pseudoniem van Jakob Reefsen) PROFETEN EN POËTENWaarin verschillen toch profeten en poëten?Het onderscheid is klein, doch duidelijk, te weten De eersten zeggen waar, van 't geen men nog verwacht, De tweeden liegen van hetgeen al is volbracht. Jacobus Revius (1586 - 1658) ROOSJEIn de bladen van een roosjeVindt gij, o mijn zoete Troosje, Kleene gift. Waar' zij zoo groot Als de gunst, te kleen een doosje Waar de gansche wereldkloot. ![]() P.C. Hooft MIJN LIEFMijn lief, mijn lief, mijn lief; soo sprack mijn lief mij toe,Dewijl mijn lippen op haer lieve lipjes weiden. De woordtjes alle drie wel claer en wel bescheiden Vloeiden mijn ooren in, en roerden ('ck weet niet hoe) Al mijn gedachten om staech maelend nemmer moe; Die 't oor mistrouwden en de woordtjes wederleiden. Dies jck mijn vrouwe bad mij claerder te verbreiden Haer onverwachte reên; en sij verhaelde' het doe. O rijckdoom van mijn hart dat over liep van vreuchden! Bedoven viel mijn siel in haer vol hart van deuchden. Maer doe de morgenstar nam voor den dach haer wijck, Is, met de claere son, de waerheit droef verresen. Hemelsche Goôn, hoe comt de Schijn soo naer aen 't Wesen, Het leven droom, en droom het leven soo gelijck? 'Bedoven viel mijn siel': mijn ziel werd opgenomen. P.C. Hooft (1610) SONNETZydy van minnaers smert een onverzaedlijck vraetjenO Min? so gaet het my noch al voor wint voor stroom, Hoe naeu men waect mijn lief met grendel slot en boom, Ick stae noch niet met u in 't alderquaedste blaetjen. Ghy komt en steeltse my door 't aldernauste gaetjen, En buyten moeyten van mijn slapend' lichaem loom, Voerdyze lieflijck by my in een zoete droom, Ghy zijt verzocht van all's, en zijt een wacker maetjen. Teghen u streken gheldt noch oude wyvenraedt, Noch yverige wacht: dan goude Minne laet Het, bid ick, blyven niet, by deze kleine gunsiens: Maer dat ghy my int slaep jont, jont my op den dagh, Dat ick ghenaken eens 's Liefs ware lippen mach, Ghy kunt wanneer ghy wilt, schud uyt u sack met kunsjens. Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) ![]() G.A. Bredero (1585-1618) LIEDEKENSnachts rusten meest die dieren,Oock menschen goet en quaat En mijn Lief goedertieren Is in een stillen staat; Maer ick moet eensaam swieren En cruysen hier de straat. Ick sie het swierich dryven, Ick sie de claare Maan, Ick sie dat ic moet blyven Alleen mistroostich staan. Ach lief wilt my gheryven Met troostelijck vermaan. Ach Lely hoogh verheven, Verheven in mijn sin, Mijn hoope van mijn leven, Ghewenschte schoon Vriendin, Wilt my, u jonstich, gheven Een lieve weder min. Met hoop en vrees bevanghen, Met een ghestaeghe stryt Van sorghen en verlanghen, Verwacht ick nu ter tijdt Van u, myn troost, t'ontvangen t' Woort daar men lang om vrijt. Myn vruchteloos verwachten Myn commer niet en blust, Sult ghy my heel verachten, Och voester van myn lust? Maer siet, ick onbedachte Claagh, nu sy seyt en rust.. Och, slaapt ghy myn behagen, Dewyl ick doe myn clacht? Wat baat my dan myn claagen Nu ghy den dooven slacht? Ick salt gheduldich draagen, Ick wensch u goeden nacht. Adieu Prinsesge jeughelijck, Mijn Vrou van mijn ghemoet, Adieu en droomt gheneughelijck En slaapt gerust en soet; Ach t' is my soo onmeughelijck Te rusten als ghy doet. Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618) ![]() Joost van den Vondel (1587-1679) OP HET VERONGELUCKEN VAN
Zijn Bruit t'omhelzen, in een beemt, bezaait met roozen, |


