Pozie in de Zuidelijke Nederlanden
XVIe eeuw (bovenaan)


Pozie in de Noordelijke Nederlanden
XVIIe eeuw (vanaf het midden)


Pozie in de Gouden Eeuw

GOUDEN EEUW

De 'Gouden Eeuw' is een legendarische periode van welvaart, 
die in vele culturen bestaat. Dit begrip kwam al voor in het oude 
India. Wat de Romeinse literatuur betreft was de eerste eeuw 
voor Christus 'De Gouden Eeuw', waarin de basis werd gelegd 
voor het klassieke Latijn.
In de Nederlanden was Brugge de eerste stad die een Gouden Eeuw meemaakte. Het werd in de Middeleeuwen het belang- rijkste handelscentrum van Noord-West-Europa. Vanuit Brugge werd het Vlaamse laken naar heel Europa uitgevoerd. Ook de Brugse voorhavens Damme en Sluis pikten hun graantje mee. In de Bourgondische tijd (vanaf 1384) bleef de stad nog een eeuw lang het belangrijkste internationale handelscentrum ten noorden van de Alpen. De lakenhandel werd echter gedeeltelijk vervangen door luxegoederen, gebruiksvoorwerpen, manuscripten, enz. Vermeldenswaard is, dat in de XVe eeuw schilderijen en beeldhouwwerken als betalingsmiddel dienden voor suiker uit de Canarische eilanden en Madeira. In La Palma en Funchal bevinden zich heden ten dage nog talrijke kunstwerken van Vlaamse meesters uit die periode. Ook de geldhandel floreerde onder de impuls van Italiaanse bankiers (Lombarden), die zich in Brugge gevestigd hadden.
In de XVIe eeuw was Brugge niet langer de belangrijkste maritieme en economische draaischijf in Noordwest-Europa, als gevolg van conflicten en de verzanding van het Zwin. Antwerpen nam die taak met verve over en beleefde zijn Gouden Eeuw. Zo was de scheldestad niet alleen de draaischijf voor de textielhandel, maar het was ook de hoofdzetel van de Portugese specerijen-handel in Noordwest-Europa. Die bloei begon allengs te tanen in de tweede helft van de XVIe eeuw. De grote welvaart in de Zuidelijke Nederlanden ging namelijk een eerste keer achteruit omstreeks 1563. Er was dan een handelsconflict uitgebroken met de Merchants Adventurers. De stapelmarkt voor de verhandeling van Engels laken werd uit Antwerpen weggetrokken. Deze tegenslag ging gepaard met een crisis van de oude lakenweverij. Ook de strenge winter van 1564/65, gevolgd door de mislukte oogst tastten de welvaart aan en zorgden voor misnoegdheid. Calvinistische predikers kregen veel aanhang en veroorzaakten de beeldenstorm in 1566. Alva die met harde hand de orde wou herstellen, zorgde met zijn repressie (+inquisitie) voor nog meer maatschappelijke onvrede. De crisis bereikte dan haar hoogtepunt na 'de Spaanse furie' (1576), 'de val van Antwerpen' (1585) en de blokkade van de Schelde. Meer dan 200.000 zuiderlingen emigreerden daarop naar het Oosten, maar vooral naar het Noorden. De opgang van Frankfurt-am-Main en Amsterdam was namelijk voor een groot deel te danken aan de inbreng van Antwerps kapitaal en knowhow. Dankzij de oprichting van de VOC in 1602 verwierven de zeven Verenigde Provinciën niet alleen het maritieme overwicht, maar ze veroverden ook een toppositie in de wereld, op het gebied van handel, wetenschap en kunst. Holland was dan ook het rijkste land ter wereld. Prominenten en schatrijke kooplieden lieten hun rijkdom etaleren in stillevens. Omdat ze zich een beetje schaamden voor hun materialisme (een calvinistische eigenschap) lieten ze ook zogenaamde vanitasschilderijen maken. De XVIIe eeuw geldt dan ook terecht als de Gouden Eeuw van de Noordelijke Nederlanden. Helaas werd de rijkdom in het Noorden mede verworven door de slavenhandel. Pas op 1 juli 1863 schafte Nederland, als een van de laatste landen ter wereld, de slavernij af.


© Gaston D'Haese

Poëzie in de Zuidelijke Nederlanden

Antwerpen - gildenhuizen
Antwerpen - Gildenhuizen op de Grote Markt (XVIe eeuw)
De Brabofontein van Jef Lambeaux is recenter (1887)

Anna Bijns een dichtende onderwijzeres die haar hele leven 
in Antwerpen woonde en werkte, was een felle tegenstandster 
van de hervorming. Ze trok fel van leer tegen Martin Luther 
en zijn volgelingen. Haar kenspreuk was `Meer suers dan soets'. 
Zij dichtte in de trant van de rederijkers, maar door haar talent 
bereikte haar poëzie toch een zeer behoorlijk niveau. 
Van haar bestaan drie bundels refreinen `int vroede' (gedrukt 
in 1528, 1548 en 1567).
Dit is een schoon ende suverlick boecxken inhoudende veel scoone constige refereinen. (Antwerpen, 1528).

Princen en princessen, als u Luters ghespuys
Wilt genaken, maect geringhe een cruys,
Geeft hem geen geloove, haer fondament is wack.
Luegenachtich spreken sij met twee monden,
Men soude haer bedroch niet meten met ellen.
Al dat sij soecken, is vrijheit in sonden.
Tsijn eertsce duvels, die de menschen quellen.

Martin Luther (1483-1546)
door Lucas Cranagh de oude (1472 - 1553)
Uffizi - Firenze
Martin Luther

Prinsen en prinsessen, als het Lutherse gespuis
in uw omgeving komt, sla dan snel een kruis.
Vertrouw ze niet, want hun fundament is zwak...
Ze liegen want zij spreken met twee monden
en hun drogredenen zijn niet te tellen.
Al wat zij zoeken is vrijheid voor hun zonden.
Het zijn aardse duivels die de mensen kwellen.

Anna Bijns


PRIESTERS SIJN OOC MENSCEN
            ALS ANDER LIEN

 (fragment)
....................
Oft den priesters ooc somtijts hadden een care*,
De duvel, die u quelt, hen ooc tempteert,
Haer lichaem als duwe, geseyt in clare,
Es tot alder cranctheyt geinclineert.
Dit gevoeldi in u selven, als ghi wel jugeert,
Hier soudij om dincken, als ghi yet saecht gescien,
En seggen, als yemant de priesters accuseert:
Priesters sijn ooc menscen als ander lien.


Anna Bijns (1494 - 1575)

*care: geliefde, liefje, minnares.

Het Antwerps Liedboek

"Het daghet in den oosten" staat in het Antwerps Liedboek,
dat uitgegeven werd in 1544.
Een vrouw verneemt dat haar minnaar gedood is. Zij vindt
zijn levenloze lichaam onder een lindeboom. Met het zwaard
van haar dode geliefde graaft zij een kuil en begraaft hem.
Gebroken door verdriet treedt zij in een nonnenklooster.

Het daghet in den oosten

"Het daghet in den oosten,
Het lichtet overal;
Hoe luttel weet mijn liefken,
Och, waer ick henen sal!"
- Hoe luttel weet mijn liefken...

"Och, warent al mijn vrienden
Dat mijn vianden zijn!
Ick voerde u uuten lande,
Mijn lief, mijn minnekijn."
- Ick voerde u uuten lande...

"Dats waer soudi mi voeren,
Stout ridder welgemeyt?
Ic ligge in mijns liefs armkens
Met grooter waerdicheyt."
- Ic ligge in mijns liefs armkens...

"Ligdy in uus liefs armen?
Bilo, ghi en segt niet waer!
Gaet henen ter linde groene,
Versleghen so leyt hi daer."
- Gaet henen ter linde groene...

Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinc eenen ganck
Al totter linde groene
Daer si den dooden vant.
- Al totter linde groene...

"Och, ligdy hier verslaghen,
Versmoort al in u bloet?
Dat heeft gedaen u roemen
Ende uwen hooghen moet!"
- Dat heeft gedaen u roemen...

"Och, lichdy hier verslaghen,
Die mi te troosten plach?
Wat hebdy mi ghelaten?
So menighen droeven dach!"
- Wat hebdi mi ghelaten...

Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinck eenen ganck
Al voor haers vaders poorte,
Die si ontsloten vant.
- Al voor haers vaders poorte...

"Och, is hier eenich heere
Oft eenich edelman,
Die mi mijnen dooden
Begraven helpen can?"
- Die mi mijnen dooden...

Die heeren sweghen stille,
Si en maecten gheen geluyt.
Dat meysken keerde haer omme,
Si ghinc al weenende uut.
- Ende si ghinc wederomme...

Si nam hem in haren armen,
Si custe hem voor den mont
In eender corter wijlen
Tot also mengher stont.
- In eender corter wile...

Met sinen blancken swaerde
Dat si die aerde opgroef,
Met haer sneewitten armen
Ten grave dat si hem droech.
- Met haer sneewitte armen...

"Nu wil ic mi gaen begeven
In een cleyn cloosterkijn,
Ende draghen swarte wijlen
Ende worden een nonnekijn."
- Ende draghen swarte wijlen...

Met haer claer stemme
Die misse dat si sanck,
Met haer sneewitten handen
Dat si dat belleken clanck.
- Met haer sneewitte handen...


Het lichtet overal: het wordt dag
luttel: weinig
Och, waer ick henen sal: och, waar ik naartoe zal gaan
Ick voerde u uuten lande: ik zou je ver wegvoeren
    (meenemen)
minnekijn: liefje, lieverd
Bilo, ghi en segt niet waer: verdorie, je zegt
    de waarheid niet
Dats waer soudi mi voeren: en waar zou je mij
    dan heenvoeren (brengen)
stout: dapper
welgemeyt: goedgezind, vrolijk
Met grooter waerdicheyt: in alle eerbaarheid
Versmoort: badend
u roemen: je grootspraak, je bluf
hooghen moet: overmoed, hoogmoed
mengher stont: vele malen, dikwijls
In eender corter wile: op korte tijd
nonnekijn: non(netje)
swarte wijlen: zwarte sluiers (habijt)
claer stemme: heldere stem
sanck: zong
Dat si dat belleken clanck: dat zij het klokje luidde


Die gheen pluymen en can strijcken

Die gheen pluymen en can strijcken
Die en dooch ter werelt niet
Is hy aerm, hy en sal niet rijcken
Die gheen pluymen en can strijcken
Alomme soe heeft hy tachterkijcken
Hy wordt verschoven waer men hem siet
Die gheen pluymen en can strijcken
Die en dooch ter wereldt niet.

Wie niet kan pluimstrijken
is voor de wereld niet geschikt.
Wie arm is zal zich niet verrijken.
Wie niet kan pluimstrijken,
heeft altijd het nakijken
en wordt overal geflikt.
Wie niet kan pluimstrijken
is voor de wereld niet geschikt.

Anthonis de Roovere

REFEREYN AMOUREUX

Myn herte niet el dan druck besluyt
Ick vinde my selven al swaer beducht
Ick haecke tot den wint wordt zuydt
Want mijn lieffelijck lief reedt derwaerts uut
Dus coempt van daer den zoeten lucht
Mijn ooghen staen naer der coempste ter vlucht
En segghe dit woordt van wijlen eer
Daer lief daer ooghe, daer handt daer seer.

O zuyderste lucht die my beraeyt
Mijnen boesem ontdoe ick soe ick best mach
Mijn hertken is soe vele te bat ghepaeyt
Dat ick metten winde mach zijn bewaeyt
Hy coempt van daer ick hem rijden sach
Al ist van trooste een cleyn bejach
Tghesichte neempt derwaerts zijnen keer
Daer lief daer ooghe, daar handt daer seer.

Ick vanghe den windt, ick en hebs niet el
Tconfoort is cleyne dat ick hier schouwe
Maer men pleech te segghene in een spel
Een luttelken helpt den lecker wel
Diet nauwe staet, die nemet nauwe
Dus stae ick als een bedruckte vrauwe
En haecke, ken wiste wat segghen meer
Daer lief daer ooghe, daer handt daer seer.

Princhelijck Lief diemen in eeren noomt
Daer ick eens sdaechs nae te siene pooghe
Maer tis een saecke die luttel vroomt
Te sienen nae eene die niet en coomt
Dus seg ick als die tlijden dooghe
Daer handt daer seer; daer lief daer ooghe.


Het Middelnederlandse 'bejach' betekent voordeel;
    buit; bezit; streven
De stokregel 'Daer lief daer ooghe, daer handt daer seer'
    kan men als volgt hertalen:

'Het oog is waar het lief is,
de hand (op het hart)
is waar pijn is'


Anthonis de Roovere (Brugge 1430-1482)

Anthonis de Roovere was de meest succesrijke rederijker
in Vlaanderen. Toen hij zeventien was riep men hem al
uit tot 'prinche van rethorieke'.
Hij schreef rondelen, refreinen en toneelstukken,
meestal met een moraliserende inhoud.
Vlamingen en Brabanders, die na 'De val van Antwerpen'
uitweken naar het Noorden hebben daar verschillende
rederijkerskamers gesticht.
Vondel was actief in Het Wit Lavendel' en Bredero
en Hooft waren lid van 'De Eglantier' (In Liefd'
Bloeyende).


Poëzie in de Noordelijke Nederlanden



'Met onwillige honden is 't quaet hasen vangen.'

Jacob Cats 
(Brouwershaven, 10 november 1577  
Den Haag, 12 september 1660). 
Hij was een Nederlands dichter, 
jurist en politicus. Cats is ook 
bekend onder de naam Vader Cats, 
wegens zijn vele didactische gedichten.

VINCKEN MOETEN VINCKEN LOCKEN

Ach! wat heb ic met verlangen
Menighmael hierop gelet
Hoe ic vogels mochte vangen
Met dit eygen vincke-net,
Maer al wat ic heb begonnen,
Wat ic immer heb gestaen,
Noyt en heb ic yet gewonnen,
Noyt en heeftet wel gegaen;
Dan had ic te bloot geseten,
Dan begon ic al te vroug,
Dan had ic den slach vergeten,
Dan en trock ic niet genough,
Dan wast al te stueren weder,
Dan te claren Sonne-schijn,
Noyt en quamer vogel neder,
't Scheen ten wilde nimmer sijn:
Vraegter ymant nae de reden,
Waer aen dat het schorten mocht?
Geensins aen mijn rappe leden,
En noch minder aen de locht:
Macker, hoort eens sonder jocken
Hoort den gront van mijn verdriet,
Vincken moeten vinken locken,
Sonder vincken vanghtmen niet,
Vincken heb ic nu gekregen
Daer ic mede vincken magh,
Nu soo coomter vinck gesegen,
Daermen eerst geen vinck en sagh.
Dit o vrient dit moetje dincken,
Anders sijt ghy my te dwaes,
Niemant vinckter sonder vincken,
Niemant vister sonder aes.

Jacob Cats (1577-1660)

'Vincken' had meerdere betekenissen. Het betekende
vinken lokken of vangen, maar ook 'vogelen' (neuken).


HET MINNEN IS EEN ZELDZAAM SPEL

Het minnen is een zeldzaam spel,
Het brengt de mensen in gekwel,
het is een los en loze vond',
het is een wezen zonder grond.
Al wat men aan de vrijers raadt
dat dunkt de jonkers enkel kwaad,
doch wat hun afgeraden werd
daarhenen wil hun grillig hert.
En wat men zo een linker biedt,
dat wil hij toch zijn leven niet;
en wat hem niet gebeuren mag,
daar haakt hij naar de ganse dag.
Roept iemand zo'n verliefde kwant,
gewis die wijkt hem van de hand,
en schoon hem iemand henen zendt,
hij is straks weder daar omtrent.
In 't korte, 't is een vreemde pijn
in Venus' hof verdoold te zijn.

Jacob Cats (1577-1660)

ANTICHRIST

Wanneer de ruyge sneeu de Alpen niet sal decken,
Wanneer de somer heet sal yselen van cou,
Wanneer de locht het lant sal weygeren den dou,
Wanneer t'gedierte sal de Ocean uutlecken,
Wanneer den noorder-pool den seyl-steen niet sal trecken,
Wanneer de grijse wolf het schaep sal wesen trou,
Wanneer de vrou een man, de man sal sijn een vrou,
Wanneer de aerd' haer sal rontom den hemel strecken,
Wanneer de son en maan verwisselen haer beurt,
Wanneer eens menschen hant die vanden hemel scheurt,
Wanneer de Seraphim haer Schepper niet beminnen,
Wanneer de Heer sijn cracht en goetheyt derven sal,
Wanneer Gods Soon noch eens aent cruyce sterven sal,
So sal den Antichrist Gods kinders overwinnen.

Jacobus Revius

SCHEPPINGE

God heeft de werelt door onsichtbare clavieren
Betrocken als een luyt met al sijn toebehoor.
Den hemel is de bocht vol reyen door en door,
Het roosken, son en maen die om ons hene swieren.

Twee grove bassen die staech bulderen en tieren
Sijn d'aerd en d'oceaan: de quinte die het oor
Verheuget, is de locht: de reste die den choor
Volmaket, is t'geboomt en allerhande dieren.

Dees luyte sloech de Heer met sijn geleerde vingers,
De engels stemden in als treffelicke singers,
De bergen hoorden toe, de vloeden stonden stil:

Den mensch alleen en hoort noch sangeren noch snaren,
Behalven dien 't de Heer belieft te openbaren
Na sijn bescheyden raet en Goddelijcken wil.

staech: gestadig, aanhoudend
bocht: de boog van de klankkast
reyen: versieringsrichels van de klankkast
roosken: klankopening
son: de grote klankopening van de luit (zon)
maan: de kleine klankopening
quinte: de hoge snaar


Jacobus Revius (pseudoniem van Jakob Reefsen)

WAT BATET

Wat batet veel gereisd in landen wijd gelegen,
zo gij niet in en gaat des Heeren smalle wegen?

Wat batet te bezien zo menig schone stad,
zo gij het hemelrijk in 't herte niet bevat?

Wat batet, dat gij roemt van velerhande spraken,
indien des Geestes taal u niet en kan vermaken?

Wat batet dat gij weet, en vele daarvan kout,
hoe hier of daar een waard zijn gasten onderhoudt,
indien gij niet en weet, hoe dat gij moet onthalen,
dien gast, die in uw ziel komt van de hemel dalen?

Reist vrij ter plaatsen daar gij vreemde dingen ziet,
Maar wacht u en vervreemdt van uwen Schepper niet.

Jacobus Revius (pseudoniem van Jakob Reefsen)

ONVERMOGEN

Soo weynich als men wijn, uyt netelen can drucken,
Soo weynich als den moor can bleycken zijne huyt,
Soo weynich als de losch sijn vlecken wisschen uyt,
Soo weynich als men mach van dorens vijgen plucken,

Soo weynich als een steen hem rechten can of bucken,
Soo weynich als een trom van sellef slaen geluyt,
Soo weynich sonder vocht opschieten can het cruyt,
Soo weynich sonder saet den lantbou can gelucken,

Soo weynich als een pot self wasset uyt de aerd',
Soo weynich als een kint hem selven teelt of baert,
Soo weynich als een lijck can ploegen ofte delven,

Soo weynich als een huys wort sonder hant gesticht,
Soo weynich als den dach comt sonder t'sonne-licht,
Soo weynich heeft den mensch het goede van hemselven.

Jacobus Revius
(pseudoniem van Jakob Reefsen)


PROFETEN EN POËTEN

Waarin verschillen toch profeten en poëten?
Het onderscheid is klein, doch duidelijk, te weten
De eersten zeggen waar, van 't geen men nog verwacht,
De tweeden liegen van hetgeen al is volbracht.

Jacobus Revius (1586 - 1658)

ROOSJE

In de bladen van een roosje
Vindt gij, o mijn zoete Troosje,
Kleene gift. Waar' zij zoo groot
Als de gunst, te kleen een doosje
Waar de gansche wereldkloot.

Pieter Corneliszoon Hooft 
(Amsterdam, 16 maart 1581 - Den Haag, 21 mei 1647). 
Hij was een Nederlandse geschiedkundige, dichter 
en toneelschrijver. Na een reis door Europa 
studeerde hij rechten in Leiden. 
Hooft ondersteunde de renaissance in Nederland 
en had humanistische ideen.
P.C. Hooft

MIJN LIEF

Mijn lief, mijn lief, mijn lief; soo sprack mijn lief mij toe,
Dewijl mijn lippen op haer lieve lipjes weiden.
De woordtjes alle drie wel claer en wel bescheiden
Vloeiden mijn ooren in, en roerden ('ck weet niet hoe)
Al mijn gedachten om staech maelend nemmer moe;
Die 't oor mistrouwden en de woordtjes wederleiden.
Dies jck mijn vrouwe bad mij claerder te verbreiden
Haer onverwachte ren; en sij verhaelde' het doe.
O rijckdoom van mijn hart dat over liep van vreuchden!
Bedoven viel mijn siel in haer vol hart van deuchden.
Maer doe de morgenstar nam voor den dach haer wijck,
Is, met de claere son, de waerheit droef verresen.
Hemelsche Gon, hoe comt de Schijn soo naer aen 't Wesen,
Het leven droom, en droom het leven soo gelijck?

'Bedoven viel mijn siel': mijn ziel werd opgenomen.

P.C. Hooft (1610)

SONNET

Zydy van minnaers smert een onverzaedlijck vraetjen
O Min? so gaet het my noch al voor wint voor stroom,
Hoe naeu men waect mijn lief met grendel slot en boom,
Ick stae noch niet met u in 't alderquaedste blaetjen.
Ghy komt en steeltse my door 't aldernauste gaetjen,
En buyten moeyten van mijn slapend' lichaem loom,
Voerdyze lieflijck by my in een zoete droom,
Ghy zijt verzocht van all's, en zijt een wacker maetjen.
Teghen u streken gheldt noch oude wyvenraedt,
Noch yverige wacht: dan goude Minne laet
Het, bid ick, blyven niet, by deze kleine gunsiens:
Maer dat ghy my int slaep jont, jont my op den dagh,
Dat ick ghenaken eens 's Liefs ware lippen mach,
Ghy kunt wanneer ghy wilt, schud uyt u sack met kunsjens.

Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647)

Gezwinde grijsaard

        Opgedragen aan zijn verloofde Christina van Erp,
        met wie hij in 1610 in het huwelijk zou treden.


Gezwinde grijsaard die op wakkre wieken staag*
De dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken*
Altijd vaart voor de wind, en ieder na laat kijken,
Doodsvijand van de rust, die woelt* bij nacht, bij dag,

Onachterhaalbre Tijd, wiens hete honger graag*
Verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken
En keert en wendt en stort Staten en Koninkrijken;
Voor iedereen te snel, hoe valt gij* mij zo traag?

Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijve* ik met mishagen
De schoorvoetige Tijd, en tob de lange dagen
Met arbeid avondwaarts; uw afzijn valt te bang.

En mijn verlangen kan de Tijdgod niet bewegen*.
Maar t schijnt* verlangen daar zijn naam af heeft gekregen,
Dat ik de Tijd die ik verkorten wil, verlang*.

op wakkre wieken staag - op altijd snelle vleugels
zonder zeil te strijken - zonder het zeil neer te laten
woelt - vooruitsnelt
wiens hete honger graag - wiens grote, gretige honger
valt gij - lijkt gij
verdrijve - breng door
bewegen - bewegen tot meer spoed
t schijnt - het schijnt dat
verlang - verleng

Gerbrand Adriaenszoon Bredero
(Amsterdam, 16 maart 1585 - 23 augustus 1618).
Hij was een Nederlandse dichter, toneelschrijver
en rederijker. Bredero was een van de grote
Nederlandse 17de-eeuwse auteurs. Zijn kluchten
(De klucht van de koe en De klucht van den
meulenaer) worden soms nog opgevoerd.

LIEDEKEN

Snachts rusten meest die dieren,
Oock menschen goet en quaat
En mijn Lief goedertieren
Is in een stillen staat;
Maer ick moet eensaam swieren
En cruysen hier de straat.

Ick sie het swierich dryven,
Ick sie de claare Maan,
Ick sie dat ic moet blyven
Alleen mistroostich staan.
Ach lief wilt my gheryven
Met troostelijck vermaan.

Ach Lely hoogh verheven,
Verheven in mijn sin,
Mijn hoope van mijn leven,
Ghewenschte schoon Vriendin,
Wilt my, u jonstich, gheven
Een lieve weder min.

Met hoop en vrees bevanghen,
Met een ghestaeghe stryt
Van sorghen en verlanghen,
Verwacht ick nu ter tijdt
Van u, myn troost, t'ontvangen
t' Woort daar men lang om vrijt.

Myn vruchteloos verwachten
Myn commer niet en blust,
Sult ghy my heel verachten,
Och voester van myn lust?
Maer siet, ick onbedachte
Claagh, nu sy seyt en rust..

Och, slaapt ghy myn behagen,
Dewyl ick doe myn clacht?
Wat baat my dan myn claagen
Nu ghy den dooven slacht?
Ick salt gheduldich draagen,
Ick wensch u goeden nacht.

Adieu Prinsesge jeughelijck,
Mijn Vrou van mijn ghemoet,
Adieu en droomt gheneughelijck
En slaapt gerust en soet;
Ach t' is my soo onmeughelijck
Te rusten als ghy doet.

Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618)


Joost van den Vondel 
(Keulen, 17 november 1587  
Amsterdam, 5 februari 1679)
Joost van den Vondel (1587-1679)

Hij was een Nederlands dichter en toneelschrijver.
Zijn ouders waren doopsgezind en waren in 1585 gevlucht
uit Antwerpen. In 1597 vestigden zij zich in Amsterdam.
Daar werd Joost Van den Vondel lid van de Brabantse
rederijkerskamer "Het Wit Lavendel".
In 1641 ging hij over van de Remonstranten tot de Rooms-
katholieke Kerk.
Tot Vondels' bekendste toneelwerken horen 'Gijsbrecht
van Aemstel' en 'Lucifer'.

OP HET VERONGELUCKEN VAN
            DOCTOR ROSCIUS

Zijn Bruit t'omhelzen, in een beemt, bezaait met roozen,
Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw:
Maar springende in een meir, daar 't water stremt van kou,
En op de lippen vriest, zich te verreuckeloozen;
Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen:
Gelijck mijn Roscius, beklemt van druk en rouw,
In d'armen houdt gevat zijn vrucht, en waarde vrouw,
En gloeit van liefde, daar 't al kil is, en bevrozen.
Zij zuchtte: Och lief, ik zwijm. Ik sterf. Ik ga te gront.
Hy sprak: Schep moed, mijn troost, en ving in zijnen mont
Haar adem, en haar ziel. Zy hemelde op zijn lippen.
Hy volght haar bleecke schim naar 't zaligh paradijs.
Vraagt yemant u naar trou, zoo zeg: Zy vroos tot ys,
En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen.

Op een Italiaans schilderij van Suzanna

Guido Reni (1575 - 1642)
De kuise Suzanna
The National Gallery, London

De zuivere SUZAN, schier naakt en bad-gereed,
bewaart nog de eerbaarheid van voren met haar kleed,
zo zuiver als het vlees, en ziet eerst om, beladen
of iemands oog zich zoekt in 't eenzaam te verzaden
met aan te zien hetgeen de man alleen betaamt.
Zij verft zorgvuldiglijk met schaamrood en beschaamd
de wang uit achterdocht voor onbeschaamde schalken.
Haar flonk'rende ogen zien nog wakkerder dan valken
door lommer en door loof, dat voelt alree het vuur,
de gloet der schone kole: een tergsel van Natuur
met Salomons vernuft noch ene bron te blussen.
Gelukkig is de mond die zulk een mond mag kussen,
dat kopje van robijn voor n alleen gespaard.
Maar het aandachtiglijk met welk een schuwen aard
zij u de rugge biedt om 't voorste te beschermen.
Bezie de schouders eens, de nek, de rug en de armen,
dat levendige albast, die hoogsels en dat diep,
dat ronden op zijn maat. Toscaans vernuft, hoe sliep
de schilderkunst zo lang om eind'lijk dus t'ontwaken?
...

Joost van den Vondel  (1587 - 1679)

BESCHRIJVINGH VAN EEN MAEGHT

SY vlucht, en vluchtende, wil sy, men haer sal volgen;
Sy strijdt, en strijdende, wil sy verwonnen zijn;
En sy en haet ons niet, al toont sy sich verbolgen;
Want dus dwinght haer eer, te wesen in dees schijn.

W.G. Focquenbroch

SONNET AAN PHILLIS

Ghy hebt het, Phillis! dan soo 't schijnt op my geladen?
Want 'k vind u, sint een wijl, my vriendlijck aen te sien,
Ghy druckte my mijn handt lest tusscen bey uw knien,
En soo ghy soo volhart, ben ik haest gaer ghebraden.

Helaes! hoe mient ghy dus een eerlijk mensch te schaden?
En wat hart heeft de maght van uw geweldt t'ontvlien?
Gewis, ick voel het mijn, en met hem noch wel tien,
U, eer ghy verder vaert, al roepen lijfs-genade.

Ghy zijt in alles volmaeckt, ghy mindt de Poesy;
Ja selfs, men seydt, ghy rijmt gelijck een Cats of dry;
En als ghy singht, of spreekt, so streelt ghy Ziel en Ooren.

Goon! waarom schiept ghy my niet tot haer Bruydegom?
Ghy laght Phillis! ghy laght, van dus uw lof te hooren,
Maer kryt veel eer, Sottin! want sie ik lagh 'er om.

W.G. Focquenbroch

OP GRIET

Griet seyt, sy leent haer buyck
alleen maer aen haer vrinden
Waar souw men dan in 't landt
een vyand van haer vinden ?

W.G. Focquenbroch

MADRIGAL AEN MARANTE

Ons beyder harten, Amarant!
Die zijn als uyt een Rots gesneeden:
Want 't mijn verduurt des liefdens brandt,
En 't uw, mijn tranen en gebeeden.

Dit is d' oorsaeck, waarom dat de tijt
Mijn min, noch smart sal doen verdwijnen:
Want mijn Hart is een Rots in pijnen,
En 't uw een Rots in straffigheyt.

Madrigaal: 1) minnedicht   2) meerstemmig lied


W.G. Focquenbroch

OP DE BOESEM VAN CLORENIE

Wat aengenaem Albast, wat Marmer, of Ivoor,
Sou met de schoonheyt van dees boesem derven twisten?
Waer in natuur haer Kunst soo overdadigh quisten,
Dat's al haer macht daer in op eenen tijdt verloor.

O schoone Wereldtjes! ghy doet het Marmer bloosen,
Van schaemte; wijl het sich van u verwonnen siet:
Want by uw witheyt heeft self't bleeck Albaster niet,
Gelijck als by dees mondt niet haelt het puyck der Roosen.

O Heemel! wie of doch die luckighe mach zijn,
Die tot besitter van dees schatten is ghebooren?
O Goon! was my van u dat groot gheluck beschooren,
Noyt ruylden ick uw staedt, noch glorie, voor de mijn.

W.G. Focquenbroch

OP HET AFWEESEN VAN PHILLIS

Versteken van de Son, die my wel eer verlichte,
En die wel eertijts plagt vreugt in mijn ziel te stigten,
     Leef ick nu vol verdriet:
     Wat; leef ick ? Neen 'k leef niet,
Mits dat ick daegelijks voor duysend don moet swigten.

Ick leef dan niet: 'k doe al: wel hoe souw ick niet leven ?
Ick voel te seer d'ellendt, waer door ick wordt gedreven
      End' endeloose smart:
     Maer ick leef sonder hart,
Vermits dat is tot pandt by mijn Goddin gebleven.

Hoe leef ick sonder hart ? dat kan geen mens goet vinden
Maer dat het hart de ziel komt aen het lichaem binden;
     Maar 'k ben mijn ziel oock quyt:
     Wat dient'er dan geseyt ?
Dat 'k in mijn self niet leef, maer leef in mijn beminde.

W.G. Focquenbroch (1640-1670)

HET YDELE VERMAAK

Het ydele vermaak verdrijft gelijk een stroom:
Nu is 't: nu is 't geweest; het leven is een droom.
Op 't hoogste van de nacht, naar 't sinken, en voor 't krieken
Des dageraats, wanneer de slaap die 't al verblind,
Met Mankop om de kruyn drijft op sijn vale wieken,      1
En d' yd'le dromen, door een fluysterende wint
Ten Olm-boom uytgejaagt,      2
Door al de Weereld vliegen,
Om al wat harssens draegt,
Met schaduw te bedriegen,
Met list te domp'len in een treur, of vreugde-stroom,
Toen viel mijn geest te beurt, dese allerschoonste droom.
Mijn Laura dien ik min, quam in mijn Slaapsaal treden,
Met lieffelijk gelaat, en moedernaakte len,
Een kleetje alleen bedekte haar heupe naar beneden,
't Hing al van melk en bloed, en Maagdenwas aan een:      3
Een windje op haar verlieft,
Ten veynster ingeslopen,
Bedreef een stoute dieft,      4
En spreyde 't kleetjen open,
Daar zach men dat een mensch, hoe koud, sette in een vlam.
Men segt, dat Venus so wel eer ten oordeel quam.      5
Zy naderden mijn koets; wat hart was niet bewogen      6
Geworden, door soo schoone en goddelijk een swier?
De liefde blixemde uyt haar bruyne en drayende oogen,
En setten al de Zaal in lichte vlam en vier;
Zy lachte, en greep mijn hand,
Mijn boesem sloeg aan 't beven;
't Hart swoegde door de brand;
Ik swijmde, en blies het leven
Op roose lippen uyt; maar och! hoe onverwacht,
Vond ik my toen gewaakt, in eene donk're nacht.


Uit 'Duytse lier III' * (negende verdeling).

Jan (Ioan) Luyken (1649 - 1712)


1 Mankop: papaverbollen, slaap- en roesmiddel
2 Olm-boom (uit klassieke mythologie): de boom
    waarin de dromen huisden
3 Maagdenwas: zuivere was
4 dieft: diefstal, onbeschaamdheid
5 oordeel - het 'Parisoordeel'
    Paris koos Aphrodite als mooiste godin
    en schonk haar de gouden appel.
    Van die tijd af waren Hera en Athena
    vijandinnen van de Trojanen.
6 koets: in dit gedicht metafoor voor bed
*Een duitse lier of draailier
    is een snaarinstrument

                  Korte biografie


Jan Luyken (dichter, schilder, etser, graveuren boekillustrator)
groeide op in een streng religieus-chiliastisch* gezin. Zijn vader
Caspar was lid van de reformateurs.
Omstreeks het einde van 1671 heeft de tweentwintigjarige dichter
het manuscript van zijn debuut, het erotische 'Duytse lier'
ingeleverd bij drukker - uitgever Jacobus Wagenaar in Amsterdam.
Tijdens zijn adolescentie zette de dichter zich namelijk af tegen
zijn fundamentalistische milieu en genoot volop van wijntje en
trijntje. Toch prees hij in sommige verzen het huwelijk aan.
Uit zijn 'Duitse Lier' blijkt ook dat hij gecharmeerd was door
verschillende meisjes, die hij 'vrolike Amstel-Nimphjes' noemde.
Ondermeer Appelona Pynberg (in de 2e en 8e verdeling), Lea
Steylvlied (in de 8e verdeling), en Barbera Wiggers (in de 10e
en laatste verdeling) genoten zijn amoureuze belangstelling.
In 1672 trouwde hij met de actrice-zangeres Maria de(n) Oude(n)
(1647 - 1682) naar wie het slotgedicht van de tiende verdeling
verwijst. Zij wordt voorgesteld als Argivinnia (meisje uit Argos).
 Ik bidde Argivina voor Venus aan.
Omstreeks 1676 'bekeerde' hij zich. Hij trad terug in de voetstappen
van zijn vader en werd een diepgelovig man (mennoniet**).
In de laatste decennia van zijn leven paste hij zelfs de leer van
zijn vriend en leermeester in het mysticisme Bhme grondig toe
en deed afstand van het leeuwendeel van zijn bezittingen. Slechts
de toewijding van een dienstbode, Annetje van Vliet, behoedde hem
voor verregaande verpaupering.
Na langdurig ziek geweest te zijn overleed Jan Luyken in 1712.
Zijn schoondochter, de weduwe van zijn zoon Caspar, die met haar
zoontje bij hem inwoonde, stond hem bij aan zijn sterfbed.
In het leven van Jan Luyken zijn er dus duidelijk twee periodes
te onderscheiden, een frivool-wereldse en een ascetisch-vrome.

*chiliasme: het geloof aan een duizendjarig vrederijk op aarde.
**mennoniet: doopsgezinde.

AIR

Droom is 't leven, anders niet;
't Glijt voorby gelijk een vliet,
Die langs steyle boorden schiet,
Zonder ooyt te keeren.
d'Arme mensch vergaapt sijn tijt,
Aan het schoon der ydelheyd,
Maar een schaduw die hem vlijt,      1
Droevig ! wie kan 't weeren ?
d'Oude grijse blijft een kint,
Altijd slaap'rig, altijd blind;
Dag en uure,
Waart, en duure,      2
Word verguygelt in de wind,      3
Daar mee glijt het leven heen,
't Huys van vel, en vlees, en been,
Slaat aan 't kraaken,
d'Oogen waaken,
Met de dood in duysterheen.


Uit 'Duytse lier III' * (negende verdeling).


1 vlijt (vleit): bekoort
2 Waart, en duure: waardevol, en kostbaar
3 verguygelt: verspild


Jan (Ioan) Luyken  (1649 - 1712)


Foto van VOC-schip

De schepen van de VOC brachten welvaart
in de Noordelijke Nederlanden

Naar boven

Naar Bakermat

Anna Bijns
Meer suers dan soets


Anthonis de Roovere
Refereynen en Baladen


Vondel
Slaepende Venus


Bredero
Gedichten


Focquenbroch
Aan Fillis


Focquenbroch
Gedachten op mijn kamer


Het Antwerps Liedboek


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 12-06-2002.
Laatste wijziging: 11-09-2017.

E-mail: webmaster