Het literaire werk van Hadewych bleef lange tijd bewaard in 't Rode Klooster
in het Zoniënbos. De nog bestaande manuscripten zijn echter kopieën uit latere eeuwen.
Ze bevatten proza (*Visioenen), brieven en gedichten.
Handschrift A (2879-80) bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel
Ook Handschrift B (2877-78) bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel
Handschrift C (941) bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek te Gent.
Het is het oudste Hadewych-handschrift (einde 14e eeuw). Op de cover
van dit manuscript staat een latere toevoeging, die niet door de kopiist
is aangebracht: "Beata Hadewigis de Antverpia".
Tenslotte bevindt ook handschrift D (3093-95) zich in de Koninklijke Bibliotheek
te Brussel. Het dateert uit 1510.
De vier manuscripten bevatten de volgende werken:
-Strofische gedichten - 45 mystieke minnedichten, die beïnvloed zijn
door de minneliederen van troubadours en trouvères. Typisch is
de inleiding met een natuurthema, het centrale thema van de meestal
onvervulde liefde en de slotstrofe. In ballades en chansons smacht
de man meestal naar de vrouw, maar bij Hadewych draait het rond
haar 'minne' voor Jezus Christus.
-Veertien Visioenen die haar mystieke extases beschrijven.
Sommige deskundigen beweren dat drie van de veertien Visioenen
niet geschreven zijn door Hadewych. Vooral het zevende visioen
is extreem erotisch. De mystica ligt te schokken en te beven
van begeerte. Christus komt dan bij Hadewych en drukt haar
tegen zich aan, wat intens zinnelijke gevoelens veroorzaakt.
Het komt zelfs tot een intieme samensmelting met haar goddelijke minnaar...
-Eenendertig brieven aan gelijkgezinden en volgelingen. Hadewych komt
hierin naar voren als leidster, maar koestert een hartelijke vriendschap
voor haar aanhangsters. Ze spreekt hen aan met 'lieve minne', 'suete kint',
'lieve herte',enz.
-Mengeldichten I t.e.m. XVI. Dit zijn meestal berijmde brieven. Ook hier
geeft de mystica goede raad aan bevriende begijnen.
De Mengeldichten XVII t.e.m. XXIX zouden volgens sommige bronnen
niet van Hadewych zijn.

In de late middeleeuwen geraakte Hadewych in de vergetelheid.
Pas in 1838 is er weer sprake van Hadewych als drie mediaevisten (J.F. Willems,
F.J. Mone en F.A. Snellaert) twee Hadewych-handschriften vinden in de Koninklijke
Bibliotheek van Brussel.
Beide manuscripten bestaan uit vier geschriften, twee in proza en twee in poëzie.
Ze bevatten geen aanwijzingen over de auteur en ze zijn in het Middelnederlands
geschreven. Daarna zijn er al heel wat studies over de handschriften verschenen,
maar men is het nog altijd niet eens over haar identiteit (=Bloemardine?!)
en de exacte periode waarin zij leefde.
Er is dus nog werk aan de winkel voor filologen en historici zonder jezuïetenstreken. |