Slot van het zesde visioen - © Hertaling
in hedendaags Nederlands door Lepus => Bovenaan


Zevende visioen - © Hertaling
in hedendaags Nederlands door Lepus => Midden


Zevende visioen - In het Diets => Onderaan


Hadewych - Daarna quam Hi selve te mi
Hadewych



Slot van het zesde visioen


Doen werdic weder ghewect in enen gheeste
ende ic bekinde weder alse te voren 
ende verstont alle redene; 
ende van hem wart echt gheseghet te mi: 
Hier na en saltu meer nieman doemen 
noch benedien buten ghetamen van mi; 
Ende du salt elken gheven recht na sine werdecheit. 
Aldus ghedane ben ic in ghebrukene ende in kinnen 
ende in op ghenomenheiden den ghenen 
die mi ghenoech na minen wille sijn. 
Jc gheleide di god ende mensche weder in die wrede werelt, 
daer du salt ghesmaken alre doede: 
des du hier weder coms in den ghehelen name mijns ghebrukens 
daer du in ghedoept best in mine diepheit. 
Ende ic wart met dien weder bracht iamerleke in mi seluen.

Slot van het zesde visioen
Toen ontwaakte ik weer in een geest en ik begreep alles weer als daarvoor en verstond alles wat er gezegd werd. En hij sprak opnieuw tegen mij: 'Hierna zul gij niemand meer veroordelen of zegenen zonder mijn toestemming; En gij zult iedere mens naar waarde schatten. Zo is het dus om mij te genieten en te kennen en om in mij opgenomen te zijn voor hen die mij genoeg ter wille zijn. Ik breng u, god en mens, weer in de wrede wereld, waar gij al het sterven zult ervaren, tot gij hier terugkomt om mij tenvolle te genieten omdat gij nu gedoopt zijt in mijn diepte.' En toen kwam ik weer jammerlijk tot mijzelf.





Zevende visioen


Op pinksteren bij dageraad zag ik een visioen, toen men de metten zong in de kerk en ik daar was. En mijn hart en mijn aderen en al mijn ledematen schudden en beefden van begeerte. En het verging mij zoals het vaak is geweest, zo verwoed en vreselijk was het mij te moede dat ik dacht, dat als ik mijn lief niet genoeg beminde en mijn lief mij niet bevredigde, ik smachtend zou tenonder gaan en van opwinding sterven. Ik was toen zo vreselijk ontdaan van de begeerlijke minne... Toen het me dus vreselijk te moede was, zag ik van het altaar een grote arend naar me toe komen vliegen. En die zei tegen mij: 'Wil je één worden, bereid je dan voor.' En mijn hart ging vreselijk te keer. En de arend keerde zich om en sprak: 'Rechtvaardige en machtige Heer, toon nu uw machtige kracht om iemand in uw enigheid op te nemen en uzelf te genieten.'... Toen gaf hij zich aan mij in de vorm van het sacrament, en daarna gaf hij mij te drinken uit de kelk. Daarna kwam hijzelf bij mij en nam mij helemaal in zijn armen en drukte mij tegen zich aan; en al mijn ledematen voelden de zijne in al hun genot zoveel als mijn hart begeerde en menselijk mogelijk was. Toen werden mijn zinnen intens bevredigd... Maar even nadien verloor ik de gedaante van de mooie man uit het oog en ik zag hem verdwijnen in het niets en hij leek op te lossen en weg te smelten, zodat ik buiten mij niets meer kon horen of zien en hem binnen mij niet van mezelf kon onderscheiden. Dit was al in zien, in smaken, in voelen, zoals wanneer men het sacrament ontvangt, in zinnelijk zien en voelen, zoals de ene geliefde de andere ontvangt in intens genot van zien en horen, van volledig opgaan in elkaar. Daarna bleef ik opgaan in mijn lief zodat ik helemaal met hem versmolt, en boven mezelf uitsteeg. En ik werd verheven en opgenomen in de geest.


..."Een waarachtig harmonisch mensch komt ons uit haar werken niet tegemoet; eer een zeer talentrijke onevenwichtige. Zij zingt veel van het heil der minne; in fijn-gevarieerde versschema's; maar ze beleeft dat alleen op haar momenten van orewoet, d.i. extaze, geestverheffing; waaruit ze ook de herinnering aan haar vizioenen krijgt, die soms veel van koortsdroomen hebben, deels ook zeer zinnelijk van aard zijn. Sedert haar tiende jaar heeft deze vrouw het gevoel, telkens met Jezus in innige gemeenschap te leven. Het geeft haar wilde en smeltende voldoeningen, als hij haar tegen zich aandrukt, zoodat al haar leden de zijne gevoelen; waarnaar zij, als zij, met afgematten, verdoften geest weer van ‘minne’ tot ‘redene’ is gekomen, hevig terug verlangt..." Uit 'Nieuw handboek der Nederlandsche letterkundige geschiedenis', door Jan L. Walch. Bron:  www.dbnl.org/tekst/_tij003190701_01/_tij003190701_01.pdf




Te enen cinxen daghe wart mi vertoent inde dagheraet, ende men sanc mettenen inde kerke ende ic was daer ende mijn herte ende mijn aderen ende alle mine lede scudden ende beueden van begherten ende mi was alst dicke heeft gheweest Soe verwoeddeleke ende soe vreeseleke te moede dat mi dochte, ic en ware minen lieue ghenoech ende mijn lief en uerwlde minen nyet, dat ic steruende soude verwoeden ende al uerwoedende steruen. Doe was mi van begherliker minnen soe vreseleke te moede ende soe wee dat mi alle die lede die ic hadde sonderlinghe waenden breken ende alle mine aderen waren sonderlinghen in arbeiden. Die begherte daer ic doe in was die es ontseggheleke enegher redennen ocht yemens die ic kinne ende dat selue dat icker af segghen mochte ware ongehoert vore alle die die minne nye en bekinden met begherten werken ende die vore minne nye bekint en waren. Aldus maghicker af segghen: Jc begherde mijns liefs te vollen te ghebrukene ende te bekinnenne ende te ghesmakene in allen uollen ghereke; Sine menscheit ghebrukeleke mitter miere Ende de mine daer in te ghestane ende starc te wesene in onghebrekelecheiden te valne dat ic hem weder dat onghebrekeleke ghenoech ware: Suuer ende enech ende in allen te vollen ghereke ghenoech te doghene in elker doghet. Ende daer toe woudic van binnen dat hi mi met siere godheit in eneghen gheeste ghenoech ende al ware dat hi es, sonder ontbliuen. Want die ghichte coesic meest bouen alle ghichten die ic ye ghecoes: dat ic ghenoech ware in allen groten doghene; Want dat es dat volcomenste ghenoech doen te wassene god met gode te sine. Want dats doghen ende pine ellende ende in groten nuwen vernoye te sine ende dat al laten comen ende gaen sonder vernoyen ende el en ghenen smake daer af te hebbene dan soete minne ende helsen ende cussen. Aldus begherdic dat mi god ware hem mede ghenoech te sine. Doe mi aldus vreeseleke te moede was Doe versaghic vanden outare comen gheuloghen te mi enen are die groet was; ende hi seide mi: Wiltu een werden soe ghereide di. Ende ic stoent op mijn knien, ende mijn herte gheberde vreseleke dat enechleke te anebedene na sine werde werdecheit, dat doch mi onghereet ware, dat wetic wel, wet god, altoes te minen wee ende te minen sware. Ende gheen aer keerde segghende: Gherechte here ende moghende, Nu tone dine moghende cracht dijnre enecheit te eneghene na ghebruken dijns selues. Ende hi keerde hem weder ende seide te mi: Die ghecomen es hi comt weder ende daer hi nye en quam, daer en comt hi niet. Doe quam hi vanden outare hem seluen toenende alse een kint; Ende dat kint was van dierseluer ghedane dat hi was in sinen yersten drien Jaren; ende hi keerde hem te mi waert ende nam vter ciborien sinen lichame in sine rechte hant ende in sine slinke hant nam hi enen kelc die sceen vanden outare comende, maer ic en weet wanen hi quam. Daer mede quam hi in die ghedane des cleeds ende des mans dat hi was op dien dach doen hi ons sinen lichame iersten gaf, also ghedane mensche ende man Soete ende scoene ende uerweent ghelaet tonende, ende also onderdanechleke te mi comende alse een die eens anders al es. Doe gaf hi mi hem seluen in specien des sacraments in figuren alsoe men pleghet; Ende daer na gaf hi mi drinken vten kelke ghedane ende smake alsoe men pleghet. Daer na quam hi selue te mi, ende nam mi altemale in sine arme ende dwanc mi ane heme; ende alle die lede die ic hadde gheuoelden der siere in alle hare ghenoeghen na miere herten begherten na miere menscheit. Doe werdic ghenoeghet van buten in allen vollen sade. Ende oec haddic doe ene corte wile cracht dat te draghene. maer saen in corter vren verloesic dien sconen man van buten in siene in vormen, ende ic sachene al te niete werdene Ende alsoe sere verdoiende werden ende al smelten in een, Soe dat icken buten mi niet en conste bekinnen noch vernemen, Ende binnen mi niet besceden. Mi was op die vre ochte wi een waren sonder differencie. Dit was al van buten in siene, in smakene, in gheuoelne, alsoe men smaken mach van ontfane inden sacramente van buten, Jn siene ende in gheuoelne van buten, Also lief met lieue ontfaen mach in aller voller ghenoechten van siene ende van hoerne, van veruaerne deen inden anderen. Hier na bleef ic in enen veruaerne in mijn lief dat ic al versmalt in heme, ende mi mijns selues niet en bleef; ende ic wart verwandelt ende op ghenomen inden gheeste, *ende mi wart daer vertoent uan selker hande vren. *De laatste versregel verwijst naar het achtste visioen    waarin deze mystieke uren beschreven worden.






Het literaire werk van Hadewych bleef grotendeels bewaard
in 't Rode Klooster in het Zoniënbos. De betreffende manuscripten
zijn echter kopieën uit latere eeuwen. Ze bevatten proza, brieven
en gedichten.



Naar boven!


Hadewych - Minneliederen


Hadewych - Ic groete dat ic minne


Hadewych - Handschriften


Anonieme liefdesgedichten


Poëzie in de middeleeuwen


Naar 'Bakermat'


Anna Bijns - Priesters nonnen en papen


De Harduwijn - Lof myns liefs haertros


De Harduwijn - Ode


Liefdesgedichten - Top 10



Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

 © Gaston D'Haese: 25-02-06.
Laatste wijziging 27-08-2015.


E-post: webmaster