De Harduwijn


LOF MYNS LIEFS HAER-TROS *

 
Och Haer ghestruevelt. Haer, dat soo vlammende blinckt,  1 
Dat ghy Phoebus Haer-schyn verre ten onder brinckt:  2  
Wie sal het minste deel van u weerde beschryven,  3 
Of inde penn' en sal spraeck-aerme Vele blyven ?  4  
Ghy zijt de kroon des hoofts, en van het hooft een hooft,  
Van schoonheydt zijn zij oock, die van u zijn berooft: 
Al-waer oock Venus self met schoon purper omvanghen,  7   
Met Ganges klaer ghesteent', met Tagus goudt behanghen,  8   
Of al-waer zij oock naeckt, soo zij voor Paris stondt,  9 
Als haer des schoonheydts prijs den Appel wierdt ghegont;  10   
Den traegh-voetighen Godt sou de walgh van haer steken,  11 
Siend' het schoon-maeckend' Haer aen zijn huysvrouw' ghebreken.  12 
Zijt ghegroet, gulden Haer, ghy zijt die myn lief schoon,  13 
Oock boven Venus doet spannen des schoonheydts kroon.   
Rondom 'themelsch' aenschyn, kondt ghy u rycke spreyden,  15   
En tusschen uws ryckx pael u selven nochtans leyden:  16   
Ghy myns liefs ooghen-strael belommert en beschaut  17   
Brekend' haer sterck ghesicht, 'twelck myn herte benaut:  18   
Het voor-hooft van ivoir set ghy hooghe verheven,  19   
En schynt als Over-heer hem zijn vrydom te gheven.  20 
Och wat een aensien ist, als ghy in een root lint,  21   
Het liefde-flauw ghesicht van den minnaer verblindt:  22 
Als ghy, d'halsen ghelijck van glimperende duyven,  23/24   
Der Sonne-straelen kracht te rugghe doet weerschuyven: 
Als ghy als eenen Pauw die zijnen steert ontpluyckt,  25  
Verwen duysenderley reghen-bogich ontpluyckt: 
Als ghy Pyramidael, en tor-wys opghedreven,  27  
Een oprechte vlam' viers op myns liefs hooft doet beven. 
Dit is het vier, Ű lief, het welck gheeft een voor-wys  29   
Van dien u met goedt recht behoordt, hemelschen prys.  30 
Op Tullus hooft voor-tydt een licht vier quam ghesoncken,  31   
Voor-segghende de Kroon, hem naedemael gheschoncken:  32 
Maer dit schyn-baerich vier van hem rasschelijck vloot,  33 
Als een vermeynde sterr' die spyse-loos valt doot.  34 
Het uwe jeuchdich blyft, groeyende met u oude,  35   
Altoos meer ende meer ghelijckende den goude; 
Altoos meer ende meer te kennen ons het gheeft, 
Dat ghy een Koninghinn' van alle vrouwen leeft. 
Wie en verwondert niet te sien de gouden stringhen  39   
Uyt der natueren gheest onder elckander vringhen ?  40   
Noyt Delphin inde zee in zijn weer-stille jacht,  41   
Soo menighen speel-keer onder elck-ander vlacht;  42   
Noyt, als de Son met haer ongheweert -vyandt -raeyen  43   
Der winden hert gheblaes verbiedt spytich te waeyen;  44   
Noyt dan den voghel-heer en draeyt soo in zijn vlucht  45 
En met zijn vloghel-scheers en maeyt de soete lucht.  46 
Och Haer, ghevlochten Haer! De spin tot gheender uren  47   
En breyde sulck een net uyt den gheest der natueren:  48   
Noyt den zyd'-worme veegh, als hem de doodt quam an,  49 
Hem selven uyt hem self sulck weerdich dootkleet span:  50 
'Tis de Goden een vreucht, een wonder voor de menschen; 
Des' eerent, en ontsient; de die om 'tselve wenschen. 52   
Het is, het is den nest van Venus roeck'loos kindt,  53   
Ghewapent, en ghevleerckt, bedriegher naeckt, en blindt:  54   
Hier wierdt eerst opghevoedt als in een weerde plecke,  55   
Als in eenen speel-hof bevrydt van alle vlecke:  56   
Van dit Haer zijn natuer', en zijn ghewaech hy track;  57   
In dit Haer hy zijn torts hert-brandende eerst onstack:  58 
Van dit Haer hy de pees' van zijnen boghe draeyde; 
Dit Son-luysterend' Haer zijns ooghen strael uytlaeyde:  60   
Van dit Haer worden hem zijn vloghelen ghemaeckt:  61 
Van dit Haer, soo hy is, quam hy eerst moedernaeckt:  62  
Hier leerd' hy eerst den mensch waen-trouwelijck bedrieghen,  63 
Siende 'tself met den windt licht-veerdelijck vervlieghen. 
Dit is, dit is de torts, die myn herte, Lief, schendt:  65 
Dit is de straffe pees' die my den schicht toesendt: 
Dit is den klaeren glans die'ck niet en kan verdraeghen: 
Dit is 'svloghels ghespan, die my over-al jaeghen:  68 
Dit is 'tonstandich Haer, 'twelck met u hert' hem vout:  69  
'Twelck my nu hope gheeft, en nu weder verflout:  70   
Dit is het Haer het welck my duysent, duysent werven, 
Van der Sonnen op-ganck, tot onderganck doet sterven: 
Dit is het Haer het welck door zijnen wilden gloet, 
Met u vreedtheydt myn doodt ghesworen hebben moet. 
Och wanneer sal dien dach, dien soeten dach eens schynen, 
Dat door myn lanck verdrach des' vreedtheydt sal verdwynen!  76 
Dat ghy d'ontrouwe vluch van u licht-vliegich Haer,  77 
Noch 'thooveerdich opstel niet en sult volghen naer !  78 
Maer siend' het selv' altydt ghehoorsaemheydt u bieden, 
En naer den will' uws handts, nu hier, en nu daer vlieden: 
Siende dat pluym-saecht is; sult my ghenade doen,  81   
En myn ghetrouwe liefd' oock saechtelijck opvoen.  82   
Nu dan, nu dan aensiet mijne betraende ooghen, 
Laet mij die met u Haer, lief, eens soetelijck drooghen: 
Van mijnder traenen vloedt sal ickt dan maecken nat, 
Dat door-gaens leken sal van overvloedt heel sat:  86   
Dan sal ickt aen mijn hert, gheroost door des brandts pyne,  87 
Vlechten tot laevenis, als koele medecijne. 
Och lief, och lief, laet toe d'welck u niet schaen en mach,  89   
En my bringhen nochtans uyt myn bitter gheklach: 
Dan sal ick met myn dicht soo hoogh' uwen naem heffen, 
Dat den hemel den prys lichtelijck sal beseffen;  92   
En segghen dat met recht Godt u Haer heeft ghestelt 
Op 'topperste des hoofts, als alder vrouwen beldt.  94


Anno 1611

Justus de Harduwijn
 (Gent 1582- Oudegem 1636)

UIt ĎDe Weerliicke Liefden tot Roose-mondí

*Bron ©DBNL



 *  Haer-Tros: uit vlechten gebundeld haar.
 1  ghestruevelt: gestreuveld, gekruld en opgekamd.
 2  Phoebus Haer-schyn: (gr. myt.) de zonnegod wiens hoofd 
     met een stralenkrans was omgloord. 
 2  ten onder brinckt (brengt): overtreft in glans en schoonheid.
 3  minste: kleinste; weerde: waarde.
 4  spraeck-aerme: woordarm; woorden schieten te kort. 
 7  Al-waer...: zelfs indien Venus in purper gekleed zou zijn.
 8  Ganges: de heilige stroom van de Hindoes. 
 8  klaer ghesteent': helderglanzend edelgesteente uit de Ganges. 
 8  Tagus: de Taag, Tejo, stroom in Spanje en Portugal die 
     te Lissabon in de Atlantische oceaan uitmondt en in de 
     oudheid beroemd was om het gouderts dat zijn water bevatte.
 9  soo zij: zoals zij.  
 9  Paris: hij was de zoon van de Trojaanse koning (Priamos). 
     Hij veroorzaakte de Trojaanse oorlog omdat hij 
     Helena had geschaakt. 
 10  Appel: de twistappel van Eris, godin van de Tweedracht. 
 19  ghegont: gegund, toegewezen.
 11  Den traegh-voetighen Godt: Hephaistos (Vulcanus). 
     de kreupele god van het vuur. 
 11  de walgh van haer steken: afkeer hebben van haar.
 12  ghebreken: ontbreken.
 13  ghy zijt: gij zijt het.
 15  'themelsch' aenschijn: het hemels gelaat van de geliefde. 
     u rycke spreyden: het haar spreidt zich rond het gelaat.
 16  tusschen uws ryckx pael... leyden: tussen de grenzen 
     van uw rijk - wordt het haar in bedwang gehouden 
     door opgekamd te worden.
 17  Ghy: (tot het haar gericht).
 17  ooghen-strael: stralende blik van de ogen; beschaut: 
     overschaduwt.
 18  ghesicht: blik; benaut: benauwt, vrees inboezemt.
 19  set ghy hooghe verheven: zet gij in sterk reliŽf.
 20  Over-heer: opper(leen)heer, gebieder.
 21  een aensien: een aanblik, een wonderbaar iets.
 22  Het liefde-flauw ghesicht: de minnezieke ogen.
 23/24  glimperende: glanzend oscillerende. Vergelijking met 
     de oscillerende glanzingen op de halzen van duivení.
 25  ontpluyckt: ontvouwt.
 27  Pyramidael: in pyramidevorm; tor-wys: hoog kapsel 
     in vorm van toren. 
 27  opghedreven: opgekamd en opgebonden. Kapsel naar 
     de toenmalige franse mode.
 29  voor-wys: voorafbeelding.
 30  Van...: van de prijs die u toekomt.
 31  Tullus: Tullus Hostilius, derde romeinse koning; voor-tydt: 
     eertijds.
 32  naedemael: naderhand.
 33  schyn-baerich: helder stralend.
 34  Als: zoals; vermeynde sterr': veronderstelde ster. 
 34  spijse-loos: bij gebrek aan spijs, d.i. aan licht (vallende ster).
 35  met u oude: met uw leeftijd, naarmate u ouder wordt.
 39  verwondert niet: verwondert zich niet; stringhen: haarvlechten.
 40  Uyt der natueren gheest: uit eigen kracht, niet kunstmatig. 
 40  onder elckander vringhen: zich verstrengelen.
 41  Delphin: dolfijn; weer-stille jacht: jacht bij kalm weder.
 42  speel-keer: spiraalbeweging; vlacht: vlocht. 
 43  Noyt, als: nooit, wanneer (leidt een bepalende zin in). 
 43  ongheweert: door niets afgeweerd; vyandtraeyen:
     windenremmend, hels stralen.
 44  hert: hard, geweldig; spytich: woest; verbiedt: belet 
 45  voghel-heer: vorst van de vogels, arend.
 46  vloghel-scheers: vleugel-scheermes = 'vleugelsikkel' van Zeus.
 47  tot gheender uren: op geen enkel ogenblik, nooit.
 48  uyt den gheest der natueren: van uit de in de natuur 
     sluimerende krachten.
 49  veegh: de dood nabij; zyd-worme: zijderups.
 50  dootkleet: kokon, het omhulsel waarin de rupsen zich 
     als pop inspinnen.
 52  Des': deze, de enen, de mensen; de die: de anderen,  
     de goden eerent, en ontsient: 
     de goden eren en er ontzag voor hebben. 
 53  Venus kindt: Cupido.
 54  Ghewapent: met pijl en boog; ghevleerckt: gevleugeld;  
     blindt: geblinddoekt.
 55  wierdt: werd het (nl. Venus' kind); weerde plecke: 
     eervolle plaats.
 56  vlecke: vlek, besmetting, gevaar.
 57  ghewaech: waagspel (der liefde), initiatief; track: trok.
 58  torts: toorts; hert-brandende: vurig brandend.
 60  Son-luysterend' Haer: haar vol zonneglans. 
     uytlaeyde: doofde het licht van zijn ogen, verblindde hem. 
 61  vloghelen: vleugelen.
 62  Van: van uit; soo hy is: zoals hij is, d.i. naakt.
 63  waen-trouwelijck: op grond van ongegronde hoop.
 65  torts: toorts.
 68  'svloghels ghespan: de twee vleugels.
 69  onstandich: ongestadig, lichtzinnig. 
 69  hem vout: zich voegt en schikt (naar uw onstandvastig hart).
 70  my verflout: (mijn hoop) ondermijnt.
 76  lanck verdrach: lang geduld.
 77  d'ontrouwe vluch: de vlugge, speelse ontrouw.
 78  'thooveerdich opstel: de trots, uitdagende hoge haardracht. 
 78  volghen naer: involgen. 
 81  dat: dat het; ghenade doen: genadig zijn.
 82  opvoen: opvoeden, leiden.
 86  Dat: dat het; door-gaens: ononderbroken; sat: verzadigd.
 87  gheroost: geroosterd.
 89  niet schaen en mach: niet kan schaden.
 92  prys: lofprijs; beseffen: waarderen, op prijs stellen.
 94  beldt: zinnebeeld, kenmerk

*Bron ©DBNL




O BLOND-GESTRUIVELD HAAR

 
O blond-gestruiveld haar! haar dat de Zonní beraait,
  dat mijn jonk-jarig hert houdt zo strange bevangen.
  O tanden van ivoor! o sneewwittige wangen,
  die típinceel van Apellí met purper heeft befraaid !
 
O lipjes daaruit dat liefde zijn schichten zaait !
  O mond daaruit dat stort de jeugd haar zoete zangen.
  O wel-besneden hand, die om mijn pijn tíherlangen
  ontsteekt van nieuws de toorts, die eens was uitgewaaid.
 
O oogskens, biÍnde vreugd en droefheid van gelijke !
  O borstjens die bezit Cupido voor zijn rijke !
  O keel, diens zoet geluid zolang in díore blijft !
 
O kuskens, die mij dwaas ijdel troost-hope geven !
  O zoet-zurige spraak, die nu smeekt, en nu kijft !
  Gij doet mij duizímaal sídaags hersterven en herleven.



Justus de Harduwijn
 (Gent 1582 - Oudegem 1636)

gestruiveld (ghestruevelt): gekruld en opgekamd
Apell': Apelles, hofschilder van Alexander de Grote
(4e eeuw v.Chr.)





Naar boven!


De Harduwijn - Ode


DaniŽl Heinsius - Rossa


Jacobus Zevecotius - Thaumantis


Jacobus Zevecotius - Bruyloft-Dicht


De rederijkerskamers
in de Zuidelijke Nederlanden


De rederijkerskamers
in de Noordelijke Nederlanden


Naar Bakermat



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

©  Gaston D'Haese: 11-12-2005.
Laatste wijziging: 28-08-2015.

E-post: webmaster