ODE *Onlancx den middernacht ontrent, Als hem den Beer hadde ghewent, 2 Naer den Coe-herder, en met luste 3 Elck dier vermoeyt lagh in sijn ruste, Cupido quam my over t'lijf, 5 En clopte voor mijn deure stijf. 6 Ick sprack: holla! wie is daer vooren, Die my mijn nacht-rust comt verstooren ? Doet open, riep hy, sonder vaer: 9 Ick ben een kindt, dat hier en daer 10 In't doncker doolt, en nu ter deghen 11 Hier stae besepen vanden reghen. 12 Ick wierd' met melijden bevaen: 13 En hebb' mijn deur open ghedaen: K'onstack mijn licht, en stracx ghewaere 15 Wierd'ick een wichtken ionck van iaere; 16 Met twee vleughels aen elcken kant, Den pijl aen zij', den bogh' in d'handt, 18 Het welck ick naer goe lien maniere 19 Noodde te commen by de viere: 20 En op dat eer verwermt sou zijn, 21 Dauwde ick sijn handekens in de mijn. 22 Noch boven dit was al mijn pooghen, 23 Zijn lekende nat hair te drooghen. 24 Als hy nu dan hem had' vermaeckt, 25 En dat de kauw' meest was gheslaeckt, 26 Nu is, sprack hy, eens mijn begheeren, Te sien, of mijnen bogh' gheen deeren 28 En heeft, of wel de pese swack: 29 Die hy mids dien ghespannen track 30 En doorschoot soo, ghelijck een straele, 31 Mijn hert van binnen teenemaele. 32 Daer me vloot hy, en louch met my: 33 Segghende, vriendt, verheught u vry, Want mijnen bogh' en heeft gheen deeren, 35 Maer t'hert sal u inwendigh sweeren 36 UIt ‘De Weerliicke Liefden tot Roose-mond’ |

* Ode: lofdicht 2 Beer: (astr.) de Grote Beer of Hellewagen 3 Coe-herder: (astr.) ook Berenhoeder Om middernacht wendt ‘De Beer’ zich naar de ‘Koeherder’ 5 Cupido: (ook wel Amor) is in de Romeinse mythologie het knechtje van de god(in) van de liefde. Meestal afgebeeld als een gevleugeld naakt jongetje met pijl en boog. 5 quam my over t' lijf: kwam onverwachts, verraste mij met zijn komst. 6 stijf: fel (klopte hard op de deur) 9 sonder vaer: zonder vrees 11 ter deghen: helemaal 12 besepen van: besijpeld door 13 bevaen: bevangen 15 stracx: dadelijk 16 een wichtken ionck van iaere: een kleine jongen 18 bogh': boog 19 lien: lieden (mensen); naer goe lien maniere: uit goed fatsoen 20 Noodde: uitnodigde; de viere: het vuur, de haard 21 op dat: opdat het 22 Dauwde: duwde 23 Noch: nog 24 lekende: afdruppelend; hair: haar (spreek ai uit als aa) 25 hem had' vermaeckt: zich had verkwikt, hersteld was 26 kauw': koude; gheslaeckt: verminderd, verzacht 28 gheen deeren en heeft: geen schade heeft 29 pese: pees 30 mids dien: inmiddels; track: trok 31 straele: horzelangel 32 teenemaele: helemaal 33 vloot: vluchtte; louch: loech, lachte. 35 bogh': boog; gheen deeren: geen schade 36 sweeren: smarten, pijn doen ![]() |

