De Harduwijn

 ODE *


   Onlancx den middernacht ontrent, 
Als hem den Beer hadde ghewent,  2 
Naer den Coe-herder, en met luste  3
Elck dier vermoeyt lagh in sijn ruste, 
   Cupido quam my over t'lijf,  5 
En clopte voor mijn deure stijf.  6   
Ick sprack: holla! wie is daer vooren, 
Die my mijn nacht-rust comt verstooren ? 
Doet open, riep hy, sonder vaer:  9   
Ick ben een kindt, dat hier en daer  10 
In't doncker doolt, en nu ter deghen  11   
Hier stae besepen vanden reghen.  12 
   Ick wierd' met melijden bevaen:  13   
En hebb' mijn deur open ghedaen: 
K'onstack mijn licht, en stracx ghewaere  15 
Wierd'ick een wichtken ionck van iaere;  16   
Met twee vleughels aen elcken kant, 
Den pijl aen zij', den bogh' in d'handt,  18   
Het welck ick naer goe lien maniere  19 
Noodde te commen by de viere:  20   
En op dat eer verwermt sou zijn,  21 
Dauwde ick sijn handekens in de mijn.  22 
Noch boven dit was al mijn pooghen,  23 
Zijn lekende nat hair te drooghen.  24 
  Als hy nu dan hem had' vermaeckt,  25   
En dat de kauw' meest was gheslaeckt,  26   
Nu is, sprack hy, eens mijn begheeren, 
Te sien, of mijnen bogh' gheen deeren  28 
En heeft, of wel de pese swack:  29 
Die hy mids dien ghespannen track  30   
En doorschoot soo, ghelijck een straele,  31   
Mijn hert van binnen teenemaele.  32   
  Daer me vloot hy, en louch met my:  33 
Segghende, vriendt, verheught u vry, 
Want mijnen bogh' en heeft gheen deeren,  35   
Maer t'hert sal u inwendigh sweeren  36

Justus de Harduwijn  (Gent 1582- Oudegem 1636)

UIt ‘De Weerliicke Liefden tot Roose-mond’



 *  Ode: lofdicht 
 2  Beer: (astr.) de Grote Beer of Hellewagen
 3  Coe-herder: (astr.) ook Berenhoeder 
     Om middernacht wendt ‘De Beer’ zich naar de ‘Koeherder’
 5  Cupido: (ook wel Amor) is in de Romeinse mythologie 
     het knechtje van de god(in) van de liefde. Meestal afgebeeld
     als een gevleugeld naakt jongetje met pijl en boog.
 5  quam my over t' lijf: kwam onverwachts, verraste mij 
     met zijn komst.
 6  stijf: fel (klopte hard op de deur)
 9  sonder vaer: zonder vrees
 11  ter deghen: helemaal
 12  besepen van: besijpeld door
 13  bevaen: bevangen
 15  stracx: dadelijk 
 16  een wichtken ionck van iaere: een kleine jongen
 18  bogh': boog
 19  lien: lieden (mensen);  naer goe lien maniere: uit goed fatsoen
 20  Noodde: uitnodigde;  de viere: het vuur, de haard
 21  op dat: opdat het
 22  Dauwde: duwde
 23  Noch: nog
 24  lekende: afdruppelend;  hair: haar (spreek ai uit als aa)
 25  hem had' vermaeckt: zich had verkwikt, hersteld was
 26  kauw': koude;  gheslaeckt: verminderd, verzacht
 28  gheen deeren en heeft: geen schade heeft
 29  pese: pees
 30  mids dien: inmiddels; track: trok
 31  straele: horzelangel
 32  teenemaele: helemaal
 33  vloot: vluchtte; louch: loech, lachte.
 35  bogh': boog;  gheen deeren: geen schade
 36  sweeren: smarten, pijn doen


Naar boven!


De Harduwijn - Lof myns Liefs Haertros


Heinsius - Rossa


Jacobus Zevecotius - Thaumantis


Jacobus Zevecotius - Bruyloft-Dicht


De Gouden Eeuw


De rederijkerskamers
in de Zuidelijke Nederlanden


De rederijkerskamers
in de Noordelijke Nederlanden


Naar Bakermat



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

©  Gaston D'Haese: 15-12-2005.
Laatste wijziging: 31-03-2016.

E-post: webmaster