Jacob Weyerman

 ZONGEDACHTEN

De zongedachten van den frischen dageraat, Vervat in onze ziel, Herspeelt den Slaapgod op zyn streelent spinnewiel, Zo dra 't vermoeit gestel des menschdoms rustwaards gaat. Wanneer den jaager, moede, en afgement door 't volgen Der winden, zich vertrekt tot de algemeene rust, En schynt in slaap gesust, Dan vliegt en jaagt zyn ziel, nu blyde, en dan verbolgen, Na maate dat hy 't wild verstoort, en dekt, of dat Den heyhaas onvoorziens der brakken ontspat. Den Rechtsgeleerde, die, gedooken in papieren; Gelyk een huysrot zit, Treft dikmaals in de rust zyn wit, En wint een oud proces, waar op zyn zinnen gieren; Of wel hy mist een rechtsgeding, Waar aan de welvaart van zyn heer en meester hing. Den vlieger, met zyn ligte cheesen, Vliegt met de nachtkaros, zo wel als by den dag, Hy waagt een arm of been, onthutst door duyzent vreezen, Vermydt een diepe voor, ontduykt een linkschen slag: Doch, ach! het slimste spoor van zyn vervalle zaaken, Door forsse draavers ondermynt, Verschynt Hem zelden in de rust, en alzo min by 't waaken. Den wargeest trekt de kling, of 't mes: Den woekeraar droomt van zyn schatten, Van goud, en ponden Vlaams; en van een brief van Ces Droomt Roelant, die het lot wist by de neus te vatten, En echter op het laatst het ey verzuymde om 't hoen, Want 't was het veulen steeds om groote winst te doen. Ik zelf droom om de tydverdryven, Om 't wys, en ook om 't mal, Om 't kolfje, en om den bal Der tydgenooten, op het vrolykst, te beschryven.

Uit 'Den Vrolyke Tuchtheer', pag.139 (1730).
Linecol

 HET HUUWELYK AAN DE BLONDE AMARILLIS

Ik ken geen grooter dwang aan 's menschdoms lentelust, En aan de meysjes graag gekust, Als 't huuw'lyk: en ik zeg, in spyt van 't tegenkallen, Den man is tweemaal, door die graage keus, gevallen. Heel anders was 't gestelt in God Saturnus eeuw, Toen 't ongebonden lam zich vlyde by den leeuw: Toen kende niemant Hymens toortsen, Met myrth, en maagdepalm geciert, Vergult, belovert, gelauriert, Aan 't doodsgevaar verknogt gelyk als Maartsche koortsen. Toen was alleen de lust, het voorschrift van de min, Toen trof alleen de keus de zielszucht der vriendin; Toen was men niet bezorgt voor 't Jawoord om te paaren, Of om 't getuygschrift der bekranste wicghelaaren. Het woud, Naturas lustprieel, Bevloert met donzig mos en laage muskusroozen, Befloerste en heelde 't kleynste deel, Des geene nymf uyt schaamt' behoefde te verbloozen: Toen was de schoone sex, gelyk als 't vrye velt, Door grenspaal, landmerk, noch myneedige n verzelt. 't Is waar, zo 't boos gestarnt my toch eens kwam te noopen Tot de overtreeding van myn Vryheyds fier besluyt, En dat de trouwlust, die my nimmer heeft bekroopen, My dwong een zielsvriendin te vormen in een bruyt; Dan vond ik echter op uw kuysche legersponde Die misdaat, dien ik straf in dees en geenen doem, In uw, ( 't past ommers dat ik 't eenigsins verbloem ) Slegts een vergeefelyke zonde.

Jacob Weyerman publiceerde dit gedicht, 'Het Huuwelyk', in zijn weekblad 'Den Vrolyke Tuchtheer' op 1 mei 1730.
Voor Jacob Campo Weyerman was het huwelijk kennelijk niet zijn ding. In 1713 deed hij een trouwbelofte aan Johanna Ernst uit Breda, maar kwam die niet na. Hij trouwde pas met haar op 31 maart 1727, alhoewel hij twee kinderen bij haar had (in 1713 en 1715). Hun twee zonen, Jacobus en Henricus, waren aanwezig op het huwelijk. In mei 1730 werd dan hun dochter Johanna Jacoba geboren.

Linecol

 HET VAAR WEL AAN MYN GEBOORTEPLAATS

Vaar wel myn Land, myn Zanggodin, Myn Schulden, en myn wufte Min, Het Nootlot is de Winter-spin, Die fel verbolgen, Myn Licghaam waagt aan Nereus Storm, My Kerkert in een Houte Vorm, En parst en drukt om als een Worm, Zyn Spyt te volgen. Doch baar en tier, k ben onverschrikt; t Is beter doch op Zee gestikt, Als aan der Heyde Schraal gemikt, Dood arm te leeven. t Is beter op dees Wester-klomp, Te tuureluuren, als zig plomp Verlooren aan een ouden Romp Om t Geld te kleeven. Vaar wel Gejuygh, t Poeetisch Loon; Vaar wel de Munt van Ha dat s Schoon! Je steekt een Baak zelfs na de Kroon, Met Schimpdichts lanssen. Maar als de Klok van Eene slaat, Dan weet Apollos Zoon geen raat Om aan t Servetsteegs dor Gebraat Zig zat te Schranssen. Dan stuyft hy als een Mosse veer, Den Dam op en de Beurssluys neer, Om, kon t geschieden, op het Smeer Eens Zots te teeren. Doch lukt dat al voor t Middagmaal, Dan is hy s Avonds even schraal, En zingt gelyk een Kerk Koraal Den Miserere.

Uit 'De Echo des Weerelds'
Deel 1 (1726).

Linecol

Jacob Campo Weyerman

Hij werd geboren op 9 augustus 1677 in een legerkamp in Charleroi. Zijn vader was er militair en zijn moeder was waarschijnlijk marketentster. Jacob Weyerman werd geroemd en verguisd als schilder, auteur, dichter, uitgever van weekbladen, schrijver van smaadschriften, scharrelaar, enz. Vermeldenswaard is dat hij de venijnige tijdschriften 'Rotterdamsche Hermes', 'Amsterdamsche Hermes' (1721-1723), 'Den Ontleeder der Gebreeken' (1723-1725), 'Den Echo des Weerelds' (1725-1727) en Den Vrolyke Tuchtheer (1729-1730) op zijn naam heeft staan. Hij woonde her en der en heeft ook heelwat afgereisd. Tijdens zijn omzwervingen door Europa verbleef hij verscheidene keren langdurig in Engeland, waar hij in zijn levensonderhoud voorzag met schilderen. Uiteindelijk eindigde zijn avontuurlijke leven in mineur op 9 maart 1747 in de gevangenis van 's Gravenhage.
Enkele werken: 'Historie des Pausdoms' (1725-1728) 'Levensbeschryvingen der Konstschilders' (1729). Grouwelen onzer eeuwe'. Omtrent de sodomietenvervolgingen (1730).
Linecol

Naar boven

Jan Luyken - Duytse Lier I

Jan Luyken - Duytse Lier II

Jan Luyken - Duytse Lier III

Liefdesgedichten van anonieme dichters

Bredero - Sonnet

Bredero - Ooghen vol majesteyt

Vondel - De slaepende Venus

Vlaamse dichters

Nederlandse dichters

Liefdesgedichten - Top 10


Homepage


Pageviews sinds 21-02-2002: 

© Gaston D'Haese: 22-07-2012.
Laatste wijziging: 14-09-2017.

E-mail:: webmaster