Jan Campert

 Op een balkon

Wolken in maanlicht trekken hun schemerende sporen over en langs het hoog balkon waar ik heb postgevat, uitziende op het land, dat aan de rand der stad tot een verzonken werelddeel lijkt te behoren. Sluim'ren de duizenden nu in ene slaap verloren, vervoerd en opgenomen in deze bitter-zoete rust, ontdaan van hopen, vrezen, liefde en al de lust, die overdag de waakse lijven komt verstoren? Schuift over ogen, de welhaast brekende, de helle, van wimper en van lid 't beschuttend, teder schild; ontspant der handen kramp; wordt eindelijk gestild de drift, die 't bloed tot ene stroom doet zwellen? Roepen zij thans elkaar niet meer bij namen, vrouwen en vrienden, vijanden en volk, vergeefs en vluchtig als een spoorloos-snelle wolk; werd waardeloos het sluw en dagelijks beramen? Zij liggen altezamen in ene groten slaap gebed achter de blinde vensters in dorpen en in steden, ontkomen aan het jachten, het moeizaam overreden, meedogend naar de vrede dezer vergetelheid gered.

 Voorjaar

De lente nadert en daarmee de lieve dromen; het licht blinkt op het koel en vochtig gras. Ik meen hieraan kan toch geen sterveling ontkomen, alles wordt weer gelijk het altijd was. De paarlemoeren lucht, de broze wiegel-twijgen en na de regen het geuren van de grond, de luwe voorjaarswind en het verrukte stijgen der sterren aan het doorzichtig hemelrond. Men kan zich daaromtrent bezwaarlijk meer vergissen, want het ontvanklijk hart kent zijn bestemde tijd. Het heeft een winter lang de warmte moeten missen, waarnaar het hunkert, en het weet zich thans bereid.

 Heilloze wandeling

Nu ik wandel door de straten van deze verdoemde stad, met altijd diezelfde gelaten voel ik mij zo verlaten als een vrouw die de liefste vergat. Zij blijft maar blindelings lopen langs grachten, kaden en plein, zonder uitzicht en zonder hopen, de hunkerende ogen open en brandend van de oude pijn. Grauw zijn de huizen-blokken - kooien van steen en cement - waar de sterflijken samenhokken, bederf de adem doet stokken en elk geheim wordt gekend. De loden hemel daarboven, boven misère en sleur, die ons de dromen ontroven, geen hart om aan te geloven, geen zon, geen warmte, geen kleur. Heilloos, verdwaald en vergeten, op geluk niet voorbereid, moet ik mijzelve wel weten een offer der dood'lijke vete tussen droom en werkelijkheid.
Uit 'De Gemeenschap' (1935)

 Hollands lied

Ik weet, ik weet zo zeker als mijn hart Zijn eigen maatslag kent, Dat Holland, thans geteisterd en gesard Herrijzen zal in 't end. Daar zal geen dag, geen uur meer zijn voortaan, Dat ik niet voor mij zie, Het puin in straten die ik ben gedaan, De doden die zijn voorgegaan, Weerloos, langs Maas en Schie. Ik vraag het elke vijand, die oprecht En trouw dient volk en land: Noemt gij dat Recht, werd dit u toegezegd? Een stad tot op de grond geslecht, Walmend en leeggebrand. Vraag het aan elke vijand, niet aan 't rot, Dat op de borst zich slaat, Zich uitverkoren acht en dat verzot Na-aapt, en botter is dan bot - Zeg dan alleen: verraad! Zo één gevoel hier gerechtvaardigd zij, Ik zeg: het is de haat, Die 'k niet begeer, maar anderen dan wij Vergrepen zich aan 't volk, dat vrij En frank was in zijn staat. Ik weet, ik weet zo zeker als het bloed In 't Sticht en 't Zeeuwse land, In Brabant, 't Gelderse de voren voedt - Eén is er die mijn volk behoedt Al schijnt het overmand. Vertrouw gerust daarop, maar laat niet af, Ook al beheerst ge uw hand, Gedenk de vele doden in hun graf, Waarvan elk een zijn leven gaf, Voor ons klein Vaderland. Die eenmaal hier geboren werd, hij weet - En weet dat voor altijd - Dat hij één vroege Meimaand nooit vergeet, Vijf dagen zwart van rouw en leed, Hij is ten strijd bereid.
Uit 'Geuzenliedboek' (1940-1945)

 Verlaine sterft

Een kamer, een tafel, een bed, grillige bloemen van ijs waaieren wit aan het raam - de nacht staat over Parijs. Een oud man weet zich alleen, geen hand die de zijne vindt; zelfs niet eens de goede troost van een enkel glas absinth. De muren zijn verveloos in het armzalige vertrek, waar ik, denkt Paul Verlaine, alleen, als een hond verrek. Een kamer, een tafel, een bed, bloemenwaaiers van ijs - zo crepeerde Paul Verlaine, rue Descartes, Parijs.
Uit 'Verzamelde gedichten' (1947)

 Ik raak vervreemd van alles

Ik raak vervreemd van alles en van allen, van dingen die voor mij van waarde zijn geweest, van vrienden en van vrouwen wel het allermeest; zij duiken weg onder de duizendtallen. Soms komen 's avonds zij mij overvallen. Hij zegt: ga mee naar die of die, er is een feest; zij klaagt: waar ben je al die weken toch geweest? Ik wacht tot ik de deur weer dicht hoor vallen. Ik neem het boek, waarin ik zat te lezen, maar weet de zin niet meer van wat ik las; ik sluit mijn ogen om anders niet te wezen als een vergeten woord, een ledig glas, een ouder wordend man, die merkt nu pas dat van eenzelvigheid hij niet is te genezen.
Uit 'Het onontkoombaar lied' (1985)
Jan Remco Theodoor Campert (Spijkenisse, 15 augustus 1902 - Neuengamme (Duitsland), 12 januari 1943) was een Nederlandse journalist, dichter, schrijver en verzetsman.

Naar boven

Jan Campert - Lied

Nederlandse dichters

Klassieke Nederlandstalige gedichten


Homepage


Pageviews since 21-03-2002: 

©  Gaston D'Haese: 14-06-2016.
Laatste wijziging: 14-09-2017.

E-mail: webmaster