
SONNETTEN  IIk denk altoos aan u, als aan die droomen, Waarin, een ganschen, langen, zaalgen nacht, Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht, Zóó onuitspreek'lijk lief, dat bij het doomen Des bleeken uchtends, nog de tranen stroomen Uit halfgelokene oogen, tot we ons zacht En zwijgend heffen met de stille klacht, Dat schoone droomen niet weerommekomen… Want álles ligt in eeuw'gen slaap bevangen, In de' eeuw'gen nacht, waarop geen morgen daagt - En héel dit leven is een wond're, bange, Ontzétbre dróom, dien eens de nacht weêr vaagt - Maar ín dien droom een droom, vol licht en zangen, Mijn droom, zoo zoet begroet, zoo zacht beklaagd… II Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht, Zilverenzacht, de halfontloken maan Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht, Wier bleeke bladen aan de kím vergaan. Zóó zag ik eens, in wonderzoet genucht, Uw halfverhulde beelt'nis voor mij staan,- Dán, met een zachten glimlach en een zucht, Voor mijn verwonderde oogen ondergaan. Ik heb u lief, als droomen in den nacht, Die, na een eind'loos heil van éénen stond, Bij de eerste schemering voor immer vloôn: Als morgenrood en bleeke sterrenpracht, Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond, Als alles, wat héél ver is en héél schoon. VI AVONDNauw zichtbaar wiegen, op een lichte zucht,De witte bloesems in de scheemring – ziet, Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht, Een enkele, al te late vogel vliedt. En ver, daar-ginds, die zacht-gekleurde lucht Als perlemoer, waar iedre tint vervliet In teerheid… Rust – o, wonder-vreemd genucht! Want alles is bij dag zó innig niet. Alle geluid, dat nog van verre sprak, Verstierf – de wind, de wolken, alles gaat, Al zacht en zachter – alles wordt zo stil… En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak, Dat al zó moe is, altijd luider slaat, Altijd maar luider, en niet rusten wil. Uit Verzen (Amsterdam 1884) IK BEN EEN GODIk ben een God in 't diepst van mijn gedachten,En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon Over mij zelf en 't al, naar rijksgeboôn Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten. En als een heir van donkerwilde machten Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn Voor 't heffen van mijn hand en heldere kroon: Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten. - En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond Úw overdierb're leên den arm te slaan, En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed En trots en kalme glorie te vergaan Op úwe lippen in een wilden vloed Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond. IK WEENIk ween om bloemen in de knop gebrokenEn vóór den uchtend van haar bloei vergaan, Ik ween om liefde die niet is ontloken, En om mijn harte dat niet werd verstaan. Gij kwaamt, en 'k wist - gij zijt weer heengegaan... Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken: Ik zat weer roerloos nà die korten waan In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken: Zo als een vogel in den stillen nacht Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit, En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit, Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit, Is het weer donker, en slechts droevig vloeit Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht. ZOALS DAAR GINDSZooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,Zilveren-zacht, de half-ontloken maan Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht, Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,- Zóó zag ik eens, in wonder-zoet genucht, Uw half-verhulde beelt'nis voor mij staan, Dán, met een zachten glimlach en een zucht, Voor mijn verwonderde oogen ónder-gaan. Ik heb u lief, als droomen in den nacht, Die, na een eind'loos heil van éénen stond, Bij de eerste schemering voor immer vlôôn,- Als morgen-rood en bleeke sterren-pracht, Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond, Als alles, wat héél ver is en héél schoon. ZELFVERANDERINGIk ben te veel een mensch geweest,Een mensch, die gilde en klaagde en schreide, Die dronk zijn glas en vierde feest En diep-gevoelde dingen zeide. Nú ben 'k een delikaat artiest, Verliefde van zijn fantasieën, Maar die zich 't allerliefst verliest In zijn kokette melancholieën... Melancholie - om wie? om wat?... Ik weet niets meer, kan niets meer voelen Dan zoet gespeel met dit en dat Van rijmen, zachte, klare, koele. VAN DE ZEEAan Frederik van EedenDe Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining, De Zee waarin mijn ziel zichzelf weerspiegeld ziet; De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning, Zij is een levend Schoon en kent zichzelve niet. Zij wischt zich zelven af in eeuwige verreining, En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt, Zij drukt zichzelven uit in duizenderlei lijning En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied. O, Zee was Ik als Gij in al Uw onbewustheid, Dan zou ik eerst gehéél en gróót-gelukkig zijn; Dan had ik eerst geen lust naar menschlijke belustheid Op menschelijke vreugd en menschelijke pijn; Dan wás mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid, Zou, wijl Zij grooter is dan Gij, nóg grooter zijn.
Uit 'Verzen'
![]() |
De inleiding van Willem Kloos bij de gedichten (1882) van Jacques Perk wordt beschouwd als het manifest van 'De Tachtigers'. Kloos haalde hier fel uit naar de moraliserende en huiselijke poëzie van de voorgaande generatie, met name de zogenaamde predikantenpoëzie (Beets, Ten Kate). Hij beschreef de ware dichter als een uitverkorene en legde de nadruk op het ‘lijden door en omwille van de kunst’. 'Poëzie is geen genegenheid maar hartstocht'. Kloos verfoeide de plichtmatige rijmelarij van zijn voorgangers en pleitte voor de eenheid van inhoud en vorm. In een artikel naar aanleiding van de sensitivistische verzen van Herman Gorter beschreef hij deze eenheid als volgt: ![]() |

