Willem Kloos 
(Amsterdam 1859; 's Gravenhage 1938)

Willem Kloos

SONNETTEN

I

Ik denk altoos aan u, als aan die droomen,
Waarin, een ganschen, langen, zaalgen nacht,
Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht,
Z onuitspreek'lijk lief, dat bij het doomen

Des bleeken uchtends, nog de tranen stroomen
Uit halfgelokene oogen, tot we ons zacht
En zwijgend heffen met de stille klacht,
Dat schoone droomen niet weerommekomen

Want lles ligt in eeuw'gen slaap bevangen,
In de' eeuw'gen nacht, waarop geen morgen daagt -

En hel dit leven is een wond're, bange,
Ontztbre drom, dien eens de nacht wer vaagt -

Maar n dien droom een droom, vol licht en zangen,
Mijn droom, zoo zoet begroet, zoo zacht beklaagd

II

Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilverenzacht, de halfontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de km vergaan.

Z zag ik eens, in wonderzoet genucht,
Uw halfverhulde beelt'nis voor mij staan,-
Dn, met een zachten glimlach en een zucht,
Voor mijn verwonderde oogen ondergaan.

Ik heb u lief, als droomen in den nacht,
Die, na een eind'loos heil van nen stond,
Bij de eerste schemering voor immer vlon:

Als morgenrood en bleeke sterrenpracht,
Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,
Als alles, wat hl ver is en hl schoon.

VI  AVOND

Nauw zichtbaar wiegen, op een lichte zucht,
De witte bloesems in de scheemring ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar-ginds, die zacht-gekleurde lucht
Als perlemoer, waar iedre tint vervliet
In teerheid Rust o, wonder-vreemd genucht!
Want alles is bij dag z innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,
Verstierf de wind, de wolken, alles gaat,
Al zacht en zachter alles wordt zo stil

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak,
Dat al z moe is, altijd luider slaat,
Altijd maar luider, en niet rusten wil.

Uit Verzen (Amsterdam 1884)

IK BEN EEN GOD

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en 't al, naar rijksgebon
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

En als een heir van donkerwilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevlon
Voor 't heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

- En tch, zo eindloos smacht ik soms om rond
w overdierb're len den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan
Op we lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.

IK WEEN

Ik ween om bloemen in de knop gebroken
En vr den uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan.

Gij kwaamt, en 'k wist - gij zijt weer heengegaan...
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:
Ik zat weer roerloos n die korten waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:

Zo als een vogel in den stillen nacht
Op ns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,

Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.

ZOALS DAAR GINDS

Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,-
Z zag ik eens, in wonder-zoet genucht,
Uw half-verhulde beelt'nis voor mij staan,
Dn, met een zachten glimlach en een zucht,
Voor mijn verwonderde oogen nder-gaan.

Ik heb u lief, als droomen in den nacht,
Die, na een eind'loos heil van nen stond,
Bij de eerste schemering voor immer vln,-

Als morgen-rood en bleeke sterren-pracht,
Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,
Als alles, wat hl ver is en hl schoon.

ZELFVERANDERING

Ik ben te veel een mensch geweest,
Een mensch, die gilde en klaagde en schreide,
Die dronk zijn glas en vierde feest
En diep-gevoelde dingen zeide.

N ben 'k een delikaat artiest,
Verliefde van zijn fantasien,
Maar die zich 't allerliefst verliest
In zijn kokette melancholien...

Melancholie - om wie? om wat?...
Ik weet niets meer, kan niets meer voelen
Dan zoet gespeel met dit en dat
Van rijmen, zachte, klare, koele.

VAN DE ZEE

                         Aan Frederik van Eeden

De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
De Zee waarin mijn ziel zichzelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend Schoon en kent zichzelve niet.

Zij wischt zich zelven af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt,
Zij drukt zichzelven uit in duizenderlei lijning
En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.

O, Zee was Ik als Gij in al Uw onbewustheid,
Dan zou ik eerst gehl en grt-gelukkig zijn;

Dan had ik eerst geen lust naar menschlijke belustheid
Op menschelijke vreugd en menschelijke pijn;

Dan ws mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid,
Zou, wijl Zij grooter is dan Gij, ng grooter zijn.


Uit 'Verzen'

De inleiding van Willem Kloos bij de gedichten (1882) van Jacques 
Perk wordt beschouwd als het manifest van 'De Tachtigers'. Kloos 
haalde hier fel uit naar de moraliserende en huiselijke pozie van 
de voorgaande generatie, met name de zogenaamde predikanten-
pozie (Beets, Ten Kate).  
Hij beschreef de ware dichter als een uitverkorene en legde 
de nadruk op het lijden door en omwille van de kunst. 'Pozie 
is geen genegenheid maar hartstocht'. 
Kloos verfoeide de plichtmatige rijmelarij van zijn voorgangers 
en pleitte voor de eenheid van inhoud en vorm. In een artikel 
naar aanleiding van de sensitivistische verzen van Herman Gorter 
beschreef hij deze eenheid als volgt:
"Kunst is de allerindividueelste expressie
van de allerindividueelste emotie".
"Niet een boodschap van stichtende aard is
het allerhoogste dat de dichter kan bereiken,
maar schoonheid".

Willem Kloos studeerde klassieke letteren, maar voltooide deze studie niet. In 1880 debuteerde hij met het gedicht 'Rhodopis' (Oud-Griekse hetaere) in het tijdschrift Nederland. Hij mag beschouwd worden als de gangmaker van 'De Beweging van Tachtig' en als stichter van 'De Nieuwe Gids'. In de redactie ontstonden al spoedig onenigheden over kwesties van artistieke, politieke en ethische aard. Vanaf 1893 ging Kloos als enige redacteur verder, waarna het blad sterk aan kwaliteit inboette. In 1894 verscheen de eerste druk van 'Verzen'. Na een poging tot zelfmoord in 1896 verbleef Kloos in een instelling om af te kicken van zijn drankverslaving. In 1900 trouwde hij met de schrijfster Jeanne Reyneke van Stuwe en vestigde zich in Den Haag. Alhoewel zijn faam vooral berustte op het werk van vr zijn dertigste levensjaar, ontving hij in 1935 een eredoctoraat in de letteren van de Universiteit van Amsterdam. Hij ging tot aan zijn dood door met het schrijven van sonnetten en kritieken, maar zijn latere werk werd meestal ontsierd door breedsprakigheid en grootheidswaanzin.

© Gaston D'Haese


Naar boven

De tachtigers


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 01-11-2002.
Laatste wijziging: 15-09-2017.

E-mail: webmaster