Edward Koster


(1861, Londen - 1937, Den Haag)

Ik smacht naar de lente


Ik smacht naar de lente en haar goud, 
 Naar de jonge, de licht-tere kleuren,
 Ik smacht naar het groenende hout,
 Naar de zoetige Meidorengeuren.

Hoe heerlijk te liggen in 't mos,
 Te staren in 't blauw van de hemel,
 Te volgen de blaadjes die los
 Zich wieg'len in takkengewemel!

Hoe welven zich bogen van glans
 Om mij heen bij der lente verschijnen,
 Hoe hupp'len in weke kadans
 Mijn gedachten langs zacht-ronde lijnen!

Mijn hart roept de lente zo luid,
 En klopt ongeduldig haar tegen...
 Hoor! was dat geen merelgefluit?
 Wat klonk daar langs de eenzame wegen?


Lente


De regen tinkelt in de plas,
 En lichter groent het lage gras,
 De tere blaadjes lopen uit,
 En donker gloeit het heidekruid.

De vogel tjuikt zijn liedje weer,
 In blauwe dromen ligt het meer,
 Een zachte wind waait door de lucht,
 En sterft in t woud met flauwe zucht.

Hoor! welk melodieus gekweel 
 Stijgt uit der nachtegalen keel,
 Jong licht schiet door de luchten heen,
 Jong mos groent op de grauwe steen.

O alles zingt van volle vreugd;
 Natuur, herboren in haar jeugd, 
 Der bomen strelend ruisgeluid,
 Der vooglen zangerig gefluit.


Eerste gedichten (1888)


Er ruist een zachte roffel


Er ruist een zachte roffel door de blaad'ren
 Der populieren aan de zoom der weide;
 Zij tromm'len aan hun ranke takken blijde
 De zomer te gemoet, die stil komt naad'ren.

In de elzebosjes aan de kant der sloten,
 Doorgeurd van honingklavers en kamillen,
 Hoor ik de lentewind zijn liedje trillen
 Met lang-gerekte, zangerige noten.

Op halmen wieg'len statig korenaren
 Hoog boven paarsig-blauwe korenbloemen;
 De koekoek zit zijn eigen naam te roemen,
 Zich diep verschuilend in de dichte blaren.


Eerste gedichten (1888)


Najaar


Er liggen lange strepen in de lucht
 Van donker-grijs, de zon verbergt haar schijn;
 De heuveltop, gehuld in t mistgordijn
 Staat als een reuzenschim, ver weggevlucht.

De wind kreunt met een lang-gerekte zucht,
 Als deed het machtige ademen hem pijn,
 Gedoken zit het stomme vogelijn,
 En t laatste broze bloempje trilt geducht.

Dof daalt de grauwte van de hemel neer,
 E brengt een weemoedsstemming over de aard,
 De grijze leegte dringt in mijn gemoed.

As-bleke misten stijgen uit het meer,
 Een vale schimmenstoet, uit vocht gebaard,
 En doven uit de laatste zomergloed.


Eerste gedichten (1888)


Maannacht


Over de tuinen schijnt de maan,
 'k Hoor een zucht door de bomen gaan,
 Eenzaam ligt de brede laan
 In de kalme nacht.

Twijgen trillen in 't blauw-wit licht,
 Hoge kruinen verdringen zich dicht
 Achter 't lange vergezicht
 Van der lane pracht.

Stil verdroom 'k de milde tijd,
 Nu de maan haar zegen spreidt,
 Nu het land, door hr gewijd,
 Rustig slaapt en wacht.


Tonen en tinten (1900)


Natura Consolatrix


Hier rust ik ver van 't woelig mensenras 
 In macht'ge zuilengangen van het woud, 
 Met dak van wiss'lend groen, doorwrocht met goud, 
 Hier op het mollig, mosrijk lentegras. 

Hier is geen mensgeknoei, geen misgewas 
 Van zwetsers, op gelogen kennis stout, 
 Geen huich'laars, die der waarheid zuiver goud 
 Besmetten voor wat hn tot voordeel was. 

Hier rust ik uit; hier ben ik gans alleen. 
 Niets hoor ik dan der vogelen gezang 
 En 't windgefluister in de hoge bomen. 

Geen stemmen meer van mensen om mij heen, 
 Geen strijd om 's levens goed, geen wild gedrang, 
 Maar lentelust en liefelijke dromen.



Naar boven

Edward Koster
Niobe


Jan Brester
Leven


Jan Brester - Gedicht
"Mijn portret"


Jan Brester - Gedicht
"De gebroken schaats"


Willem Kloos
Sonnetten


Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002  

© Gaston D'Haese: 03-02-2015.
Laatste wijziging: 15-09-2017.

E-mail: webmaster