Edward Koster


(1861, Londen - 1937, Den Haag)

 Niobe


I.
  
De zonne zonk. 't Was stil op Sipulos, 
  
Wiens top het laatste licht des dags bescheen. 
  
Reeds eeuwen lang had zijn verheev'ne kruin, 
  
Omwonden met de wolken als tiaar, 
 
Op 't Lydisch land geblikt, en als geweld 
  
Van verre dreigde, rees op Sipulos 
 
De vlammengloed omhoog, een vuur'ge bo. 
  
Dan kwamen alle strijders snel bijeen, 
  
En zeiden: Zie, de vlam op onzen berg, 
  
De vijand naakt, omgorden we ons het zwaard. 
  
Nu flikkerden geen vlammen op den top,  
  
Maar 't laatste licht van de ondergaande zon 
  
Speelde om den hoogen kruin, een zwakke lach, 
  
Die dralend heenglijdt langs 't verweerd gelaat 
 
Van eenen stuggen grijsaard, - en omhoog 
  
Doolde de maan met twijfel-scheem'rend licht 
 
In matte glansen rond, gelijk 't gelaat 
  
Van eene luchtgestalte, kwijnend-blank.  
 
Het duister sloop onmerkbaar over de aard' 
  
Toen langzaam 't zonnevuur was uitgegloeid, 
  
En 't schijnsel van de maan wies helder-wit. 
  
Nu stroomde zij met milden overvloed 
 
Van volle glansen uit de wolken neer, 
  
Verzilv'rend in 't zacht ruischen van den nacht 
  
De teere bladen, bevend aan hun boom, 
  
Stil strijkend langs de baren van de zee 
  
Met kabb'lende kadansen, telkens weer 
  
Vervloeiend in de lijnen van haar licht. 
  
Doch Sipulos stond hoog in donk're pracht, 
  
Als een mysterie van reusachtigheid, 
 
De wachter van het land met alziend oog. 
  
En op zijn top was alles roerloos stil, 
  
Geen wakers tuurden naar den vijand uit 
 
Of stookten 't vuur als sein van naad'rend kwaad; 
  
Er dreigde geen gevaar uit land of zee, 
  
Maar alles lag in vrede en 't was, alsof 
  
Het land gezegend was met eeuw'ge rust. 
      
Doch eensklaps klonk een luide stem in 't rond, 
  
Slechts nmaal uit het binnenste des bergs, 
 
Zoodat de boomen sidderden van schrik 
  
Met bleeker twijgen angstig bladgetril. 
  
Als een die neerligt in een diepen slaap, 
  
En 't is of plots'ling hij ter neder ploft 
  
In bodemlooze diepten, en hij schrikt 
  
Uit zijne sluim'ring angstig en beklemd: 
 
Zoo beefde heel de berg bij dezen roep, 
  
En deed de boomen schudden, die hij droeg. 
  
Want dreunend klonk 't geluid dier sterke stem, 
  
Gelijk een donderknal, die aan den wand 
  
Van eene rots zijn kracht te pletter slaat, 
  
En 't galmde langs de glooiing - Niobe! 
  
Toen sprongen beken uit den top omhoog 
  
En stortten langs de helling, bleek in 't licht 
 
Der maan, en schoten snel weer in den grond, 
 
Zich borend door het droge zomerzand; - 
  
't Was of de berg een wijle had geweend. 
     
De maan verschoot van glans, en asschig-vaal 
  
Verscheen haar somb're kring als 't aangezicht 
 
Van een, die hevig schrikt, of, vol van toorn, 
 
Zijn woede wil bedwingen met geweld. 
  
Er voer een rilling door de wijde zee, 
  
Die klein-gerimpeld werd aan 't oppervlak, 
  
Gelijk wanneer de wind ijlt langs een meer, 
  
Met plotselinge vlagen aangestormd; - 
  
En duizendvoudig werd de matte maan 
  
In rustelooze golfjes weergekaatst. 
    
Toen werd het stil als na een bliksemflits, 
  
Wanneer heel de aarde bang en zwijgend wacht 
  
Op 't luid geloei des donders en geen klank, 

Vernomen wordt dan 't rits'len van de blan, 
  
Spookachtig dansend op de maat des winds. 
  
En verder broedde heel dien langen nacht 
  
Een som'bre stilheid over 't Lydisch land, 
  
Als wachtte 't op een tweede stem des bergs, 
  
't Geluid, dat het zou wekken uit den slaap. 
  
Maar toen de roode dageraad verscheen, 
  
Was niets meer op den Sipulos gehoord, 
  
En zooals een, die uit een bangen droom 
  
Vol vreugde 't licht begroet, zoo lachte 't land 
  
Een wijl in 't eerste licht des dageraads, 
  
En wachtte rustig op de komst der zon. 

II.
 
En toen de roode zon was opgegaan 
  
Op vleugelen van purper en mat-blauw, 
  
En rosse stralen neerliet over 't land, 
  
Kwam daar een drukte en een bedrijvigheid, 
  
Als Lydi in geen tijden had aanschouwd. 
 
De menschen liepen heen en weer op 't land 
  
En in de volle straten van de stad 
  
Vertelden zij elkander 't groote nieuws. 
  
Als mieren, die zich spoeden van het nest 
  
En op en neer gaan zonder rust of duur, 
  
Zoo zag men lieden loopen langs den weg 
  
Met vroolijk aanschijn en in feestgewaad, 
 
En ieder deelde mede wat hij wist: 
  
Hebt gij 't gehoord? De Koning heeft een kind. - 
  
En vreugde troonde in Tantalos' paleis, 
  
Welks voorportaal behangen werd met groen, 
  
Waaruit der roode rozen doffe gloed 
  
Te voorschijn glom als fakkels in den nacht, 
  
En door de kunst eens vaardigen tuiniers 
  
Liep sling'rend door 't festoen in slanke lijn 
  
Van blanke bloesems hr naam: Niobe. 
  
Want lang te voren hadden Tantalos 
  
En de verheev'ne Dia overlegd, 
  
Hun kind, wanneer 't een dochter was, den naam 
  
Te geven eener vroeg're koningin, 
  
Die wijs en goed in Lydi had geheerscht, 
  
En bij het volk geerd was als een god. - 
 
Daar lag de kleine koningsdochter neer 
  
In 't hoekje van een afgeleeg'ne zaal, 
  
Een klein wit kindje in helder-witte wieg, 
  
Een blanke vlinder in een leliekelk. 
 
Twee donkere oogjes in een bleek gelaat, 
 
Twee rose handjes woelend in de sprei, 
 
Twee rooz'ge voetjes spart'lend boven 't dek. 
   
En toen de tiende dag gekomen was, 
 
De dag bestemd voor 't geven van den naam, 
  
Verscheen een schare in 't koninklijk paleis 
  
Van vorsten uit het huis van Tantalos, 
  
Getooid met purp'ren mantels, waarop 't goud 
  
Van verre straalde als strepen zonnelicht. 
  
En de oudste van 't geslacht, wiens witte baard 
  
In zilv'ren vlokken golfde van zijn kin, 
  
Een rijzig grijsaard, hief het kindjen op, 
  
En 't met de handen houdend boven 't hoofd, 
  
Sprak hij op plecht'gen, diep-geroerden toon, 
 
Zoodat het trillen zijner zware stem 
    
Was als 't gedreun der laagste cithersnaar: 
  
O vader Zeus en and're goden, geeft 
  
Aan 't kind, dat ik tot uwe tronen hef, 
 
Waarvoor ik innig bid om uw gen, 
  
Berusting in uw hoogen wil en kracht 
  
Om 't ongeluk te dragen, waar het valt 
 
Met harde slagen op haar schuld'loos hoofd. 
  
Want niemand kan zijn gansche leven door 
  
Gelukkig zijn en onbezocht van kwaad. 
 
Geeft dat zij wijs ook moge zijn en goed, 
  
En in rechtvaardigheid en deugd het volk 
  
Besturen moge, waar ze heerscheres 
  
Zal zijn als gade van een krachtig vorst; 
  
Gelijk ook zij, wier naam dit kindje draagt, 
 
Dit volk is voorgegaan in vroede deugd. 
 
Zoo sprak de grijsaard, allen zwegen stil. 
 
Toen lei hij 't kindje zachtkens in de wieg, 
 
En ieder kuste plechtig 't kleine hoofd. 
      
De vorsten gingen henen naar den disch, 
  
Die in de groote zaal was aangericht, 
  
En blonk van gouden vaatwerk alom heen. 
 
Hoog-opgestapeld in de mandjes rees 
  
Het brood en in de schalen dampte 't vleesch; 
  
En groote roemers, fijn-bewerkt van goud, 
 
Verhieven zich in rijen langs het blad 
  
Der lange tafel, rijk in mozaiek. 
  
En kransen lagen voor de gasten klaar 
  
Om zich te tooien onder 't drinkgelag; - 
  
Een marm'ren mengvat prijkte naast den disch 
  
In klare pracht van beelden, schoon gebootst, 
  
Satyrs en faunen, hoornig en bekranst 
 
Met wingerdblaren, dansend op de maat 
 
Van dubbelfluiten en de zevenpijp. 
 
De vorsten zetten zich ter maaltijd neer, 
  
En slaven liepen druk-bedrijvig rond, 
  
De bekers vullend uit het ruime vat, 
 
En altijd luider wies 't rumoer des maals. 
    
Maar Dia zat bij 't wiegje van haar kind, 
 
Met droef gelaat en angstig-starend oog, 
  
Als van een ree, door hondenzwerm benauwd. 
  
En bevend hief zij de armen naar omhoog 
 
En biddend sprak zij onder traag gevloei 
 
Van tranen langs haar zorgen-bleeke wang: 
  
O Zeus, wend af den droom van dezen nacht, 
  
Want droomen zijn uit u, als goed en kwaad, 
  
Dat gij rampzaal'gen sterf'lijken beschikt. 
  
O, keer het onheilsteeken door uw macht, 
  
Dat mij benauwt en vreezen doet voor 't kind, 
  
Mijn zoete Niobe, die schuld'loos-stil 
  
Te slapen ligt, van rampen onbewust. 
  
En uit de verte rolde als stormgeruisch 
  
't Gezang des meistreels uit de feestzaal aan 
 
En juichend handgeklap der gastenschaar. 
 
Doch Dia klonk het als een oordeelsroep, 
 
En snikkend zonk zij bij het wiegje neer, 
  
En kermde staam'lend: Zeus, behoed mijn kind! 

III.
 
En Niobe wies op gelijk de lisch, 
  
Die aan des Hermos oever heerlijk bloeit, 
 
Te midden van het blauw-groen oeverriet, 
 
Dat in de lente slank naar boven streeft; - 
  
Waar faunen met elkander stoeien om 
  
De mooiste rieten, die zij met de was 
  
Van Sipulos' bijen voegen aan elkaar, 
  
Zich fluiten makend als hun vader Pan. 
  
En dikwijls lag zij luist'rend in een wei, 
  
Waarlangs de Hermos kronkelrijk zich wond, 
  
Bestrooid met duizend stippen zonneschijn, 
  
Als vreugdige gedachten in een droom, 
  
Te luist'ren naar der nymphen avondlied 
  
En naar der faunen slepend fluitgezang. 
 
En soms zat zij te staren aan den zoom 
    
Eens stillen vijvers naar haar eigen beeld, 
 
Zoo rimpelloos weerkaatst, alsof de hand 
 
Van een naiade een spiegel hield in 't nat. 
  
Dan boeide haar dat donkere oogenpaar 
  
Vol diepe droomen en geheime macht, 
 
Als vreemde waterbloemen uit het bed 
 
Des vijvers rijzend, rijzend naar het licht. 
  
En als zij moe van 't vele staren was,  
  
Dan dwaalde zij de bonte bosschen door, 
  
Op 't hooge haar der bloemen vonkelkrans, 
  
Zoet zingend, met een ondertoon van smart, 
  
Zoo klagend-lieflijk, dat het schelle koor 
  
Van voog'len wonder-stom geslagen werd 
  
En alle zwegen, luist'rend naar haar lied. 
  
Het vlugge hert bleef talmen op zijn schren 
  
En spitste 't puntig oor, verrukt van zang, 
  
Den kop geheven, stijgend in 't gewei, 
 
De licht-bruine oogen levend in 't geluid. 
  
En dikwijls zocht ze een houtrijk plekjen op, 
  
Waar 't zonlicht duizend-stralig drong door 't dak 

Van dicht gevlochten loovers boven 't hoofd; 
 
Waar geelgestreepte bijen vlogen rond 
 
Met sluimerwekkend gonzen, bloem na bloem, 
  
En vuur'ge vliegen dansten in de zon, 
  
Als vonken schietend door de lichte lucht, 
  
En lager, strompel-vliegend over 't gras, 
  
Wespvormig-slanke insekten, zwart-en-rood; 
  
Waar krielden door het licht-groen sterrenmos 
  
Geel-roode mieren, woelend door elkar 
 
Met haastig jagen, torren groen-gebronsd 
  
En glanzend als metaal in 't zonnelicht. 
  
Loopkevers tastten rennend zich een weg 
  
Met sprieten, kleine blindemannetjes, 
  
Met stokken stootend tegen steentje en plant, 
 
Door 't woud van halmen en van paarse hei, 
 
In glijdende beweging over 't vlak 
  
Van dorre blaad'ren, dienend tot een dek 
  
Voor donker-grijze spinnen, snel van sprong 
  
Staal blauwe vliegjes vangend in de vlucht. 
   
Daar lag zij in de geuren van het woud,  
  
Bedwelmd door de geluiden om haar heen; 
  
Want dit was 't boschje, waar de voog'len al 
  
Vergaderden, een wijze specht voorop, 
  
Met witte borst, en deftig van gebaar; 
  
En na hem kwam met vluchtig wiekgeklep 
 
't Kleingoedje van de vogels, musch en mees 
  
En neurinde nachtegaal, die trotsch 
  
Op zijn gezang, zich oefent ook bij dag, 
 
't Vlug staartewippertje en de drukke vink. 
  
Daar kwam een sijs met neergehangen vlerk 
 
En treurend om zijn maat, die door een mensch 
 
Gestrikt was in een net en wreed gekooid, 
 
Een vinkje jamm'rend om haar nestgenoot 
  
Door menschenhand gevangen en vermoord. 
  
En 't bruin-rood puttertje vertelde daar, 
 
Hoe een van zijne beste vrienden zat 
  
Gesloten in een klein, getralied huis, 
 
Terwijl een lijster zei, dat hr genoot 
 
Op bessen happig, met zijn mooien hals 
  
Geraakt was in een strop van stevig draad, 
 
En in zijn angst zich doodgesparteld had. 
  
Op trillend-droeven toon, met knikkend hoofd, 
  
Vertelde een leeuw'rik van zijn gaaike's lot, 
 
Dat op een graszo huppelde in een hok, 
  
Gehangen aan des boozen menschen huis. 

Maar and'ren brachten beet're tijding me, 
  
Want van een blijde vondst verhaalde een musch, 
  
Een nest van vettig-groene rupsen vol, 
  
En duiven roekoeloerden van een veld, 
  
Waar na den oogst in gouden overvloed 
 
De gerstekorrels glommen in den glans 
 
Der zomerzon; een groene papegaai 
  
Vertelde vol gewicht van sappig ooft, 
  
Dat hij gezien had in des konings tuin, 
  
In purp'ren trossen nijgend naar den grond. 
  
En 't was daar een gefladder en geruisch 
  
Als woeien duizend wimpels in 't geboomt 
  
Van schelle kleuren, geel en groen en rood, 
  
Waar al die vogels snaterden in 't wild. 
 
Wat al gedachten uit haar blijde jeugd, 
 
f sluimerden in 't licht-bewogen gras, 
 
f juichten in 't gezang der voog'len op! 
    
Maar 't liefst van alles had zij Sipulos; 
  
En moeizaam klimmend tot zij niet meer kon, 
  
Liet zij zich vallen op zijn helling, zacht 
 
Van mos en van fluweelig varenkruid 
  
En schitterend van helderroode muur 
  
En glanzend-gele brem, als droppen zon. 
  
Doch nauwlijks zag zij 't land aan haren voet 
  
En Hermos, die zich slingerde door 't land, 
  
Of zij verhief zich, hoog in fiere pracht, 
  
En liet hare oogen over Lydi gaan, 
  
Zooals een heervorst, die met trotschen blik, 
  
En zieledronken in zijn heerschersvreugd, 
 
Zijn krijgers monstert, woelend in het kamp. 
  
En de oogen opslaand, prevelde zij stil: 
 
O Zeus, verleen mij eer en macht en roem. 

IV.
 
Eens, op een zomerdag, toen warmte woog 
  
En drukkend nederdommelde op het land, 
  
Toen alles was omvloten door een mist 
  
Van wit, verblindend licht, de Hermos traag 
  
Zich wentelde langs 't geel geschroeide veld 
  
En loom tot in zijn bedding was van gloed; 
  
Terwijl de horizon te rusten lag 
  
In tint van dof-beslagen paarlemoer, 
  
Was Niobe gestegen op den berg, 
  
Zich opwaarts werkend aan den taaien twijg 
  
Van brem en steunend op een wilgenstok, 
  
Dien zij ontschorst had aan des Hermos zoom. 
  
En droomrig lag zij in een dennebosch, 
  
Waardoor de zon haar rechte stralen zond 
   
En tooverde op den bodem mozaiek 
  
Van tak-doorzeefde lichten, grillig-fijn. 
  
Zij was geworden tot een slanke maagd 
  
Met blank gelaat ondanks den zonnevloed, 
  
Dien zij liet reeg'nen op haar, want de zon 
  
Aanbad zij om haar grootsche schitterpracht. 
  
En dikwijls had zij al gewenscht, als kind, 
  
De zon te zijn, die met haar fieren gloed 
  
Als heerscheres de wereld overhing, 
  
Op alles neerziend, rijzend in geweld 
  
Van purp'ren luister, dalend in den lach 
  
Des rijk-getinten hemels, die een krans 
  
Van wond're bloemen weefde voor haar dood. 
  
De takken hingen onbewogen neer, 
  
Als slappe leden aan een kwijnend lijf, 
 
Naar laving hunk'rend, doch de wreede zon 
  
Straalde onmeedoogend neer op 't moede land. 
  
Maar als gedreun van hoeven, heel van ver, 
  
Weerklonk 't gerol des donders uit de zee, 
  
En an den horizon stak dreigend op 
  
Een wit-gekamde wolk, die langzaam wies 
 
En langs den hemel opklom met een stoet 
  
Van and're wolken stuwend achter haar. 
  
Gelijk een stilte ligt in 't legerkamp 
  
Vr 't wagen van den wilden mannenmoord, 
  
En alle krijgers rusten voor hun taak 
  
Van bloed en weenen, - slechts een enk'le wacht 
  
Staat op een heuvel spiedend in het rond -, 
  
Zoo lag daar stilte op 't land; maar als't geweld 
  
Van duizend stemmen, woelend in den strijd, 
  
Tot wrake roept en dapp'ren tegenweer 
  
En heel de vlakte wordt vervuld van vuur 
  
En overwinnaarskreet en stervensklacht, 
  
Zoodat er bruischt een orgie van geluid, 
  
Zoo was de zwoele lucht van stemmen vol, 
  
Van 't wilde windgeblaas en 't staag gestroom 
  
Van regenvlagen en des donders klank, 
  
Die daav'rend ratelde door 't donkre zwerk. 
  
En al de toppen in het dennewoud, 
    
Gegeeseld door den fellen wervelwind, 
  
Bewogen hunne takken als een schaar 
  
Van somb're priesteressen, die hun vloek 
  
Met zwaaiende armen spreken over 't land, 
  
In 't ronde schrijdend met hun wapp'rend haar. 
  
En Niobe, verschrikt uit haar gepeins,  
  
Verhief zich om de helling af te gaan, 
  
Maar voortgedreven door een stem, die sprak 
  
In hare ziel: Stijg opwaarts, Niobe, 
 
Vervolgde zij al klimmend haren weg, 
  
Half-angstig en half-hopend, ongestoord 
  
Door 't laaien van den bliksem en 't geschal 
 
Des donders en den regen op haar kleed. 
  
Maar toen zij was gekomen aan den top, 
  
Dreef langzaam 't onwer over, en het was 
 
Alsof de donderslag als afscheidsgroet 
  
Haar eigen naam herhaalde: Niobe!, 
  
Als in den nacht, toen zij geboren werd, 
  
De stem des bergs geklonken had rondom. 
  
Een rilling schudde toen haar sterke len 
  
Bij 't hooren van heur naam, en wank'lend viel 
  
Zij op den bodem neer met luikend oog, 
  
En zag als in een visioen zich-zelf 
  
Als marmersteen geketend aan den berg, 
  
En tranen vloeiend langs haar koude wang. 
  
Doch toen zij weldra tot bezinning kwam, 
  
Was weer de hemel blauw, een koele wind 
  
Woei door de lucht als in 't begin der lent', 
  
En blijde voog'len zongen weer hun lied. 
  
Half-droomend nog sloeg zij hare oogen op, 
  
Tot Kronos' zone sprekend in 't gebed: 
  
O vader Zeus, bezweer de booze ramp, 
  
Die mij kwam dreigen in dien onheilsroep, 
  
Maar geef mij, heerscher, macht en roem en eer. 
  
En nederdalend naar haars vaders huis  
  
Vernam zij stemmen, rijzend van omlaag, 
  
Geschreeuw van dienaars, harer vrienden roep. 
  
En zij zag lieden, loopend heen en weer, 
  
Heur naam herhalend, als een echo van 
   
't Geluid, dat zij gehoord had in den storm. 
  
En lager komend riep zij: Hier, ik ben 't, 
  
Ik, die gij zoekt; ziet, niets heeft mij gedeerd, 
  
Staakt uwe klachten. 
  
Juublend trok het volk  
  
Terug met de gevond'ne naar 't paleis, 
 
Waar Tantalos en Dia vol van angst 
  
Haar wachtten, en met luide vreugdekreet 
  
Wierp zij zich snikkend aan haar moeders borst.

1893

separator



Edward Koster - Gedichten


Nederlandse dichters


Vlaamse dichters



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002  

© Gaston D'Haese: 03-02-2015.
Laatste wijziging: 13-09-2015.