|
-Circe (Gr. mythologie): tovenares
die de tochtgenoten van Odysseus
betoverde. ![]()
ULTIMA DONADe Leopardi sprak: "Niets, onder 't zwerk, geen droombeeld kon, met al zijn tooverkleuren, de moegedroomde geesten op meer beuren: dan repten Recht en Deugd en Roem de vlerk. Toen de aard des leeg werd, als een wijde zerk, zond Jupiter, die langs dat veld van treuren een laatste bloem van heil nog wou doen geuren, de Liefde, opdat zij 't kwijnend menschdom sterk'. En daalt ze in uitgelezen harten neder, dan keeren Recht en Deugd en Roem daar weder, dan komt hun heil der Goden heil nabij." Gij dorst, o droeve denker, 't leed niet malen onmogelijker Liefde. - O spotternij! O laatste Godsgaaf, nieuwe bron van kwalen! ![]()
AAN EENE ONBEKENDE'k Liet door den schouwburg onbestemd mijn blikken waren terwijl ginds de opera wegschemerde in de vert'. Bewustloos scheen mijn geest en 't bleef koud om 't hert. Dan kwaamt ge - een lichtglans - voor mijn dolend oog gevaren. En eensklaps trilde een wonder zingen op de snaren, een lang vermiste toon, die me optilde uit de smert, muziek, die als een blauwe zee bewogen werd, wijl - ster der hoop - uw oog er pinkelde op de baren. O! in een zoeten droom verzwond ik toen en dacht aan schaarsgedeelde vreugde en nieuwe levenskracht en 'k zocht ... was mijn Sirene in 't tovermeir bedolven? Heen waart ge! - en hortend, klotsend, huilend ging 't akkoord en stuwde weer mijn geest in sombre richting voort, een naakt, ontredderd wrak, daar vlottend langs de golven... ![]()
ZOMERNACHTO! toen was er gedanst op dat verre gehucht, in die schuren, omlooverd door kanten en boomen! Nu verzwond, in de verte, 't bedwelmend gerucht en wij keerden naar 't dorpje, verzonken in droomen. Zeg! herdenkt ge dien nacht nog, dien zomerschen nacht, dien onmeetlijken hemel, in eindlooze pracht, en dat veld in een zilvrigen sluier verloren, en die zalige rust, die geen leven kwam storen, dan 't gelispel der blaren, versmeltende zacht in die golvende zangen van 't ruischende koren? O! toen was er gedanst op dat verre gehucht! Doch we keerden nu weder langs akkers en hagen. Een verfrisschende veldgeur doorwaaide de lucht, op den wiegende wiekslag der winden gedragen. Zeg! herdenkt ge dien nacht nog, dien zomerschen nacht, toen wij dachten ... o, weet ik waaraan ge wel dacht? Doch ik droomde van 't heil aan die boeren beschoren, van hun levende vreugd, in geen weemoed te smoren, en gij spraakt mij, natuur met bedwelmende kracht, uit die golvende zangen van 't ruischende koren. O! toen was er gedanst op dat verre gehucht! Doch nu keerden wij langzaam en zwijgend en teeder. Aan uw boezem ontwelde er geen woord of geen zucht, maar uw hoofdeken vleide op mijn schouder zich neder. Zeg! herdenkt ge dien nacht nog, dien zomerschen nacht, O toen heb ik een stond naar uw liefde getracht en dan had ik zoo licht u mijn liefde gezworen! Zie! daar wenkte de stad met heur lokkend bekoren en mijn gloeiende kus bleef voor immer gesmacht. in die golvende zangen van 't ruischende koren. O! toen was er gedanst op dat verre gehucht! Doch gij waart een boerinne, gij slanke, gij blonde! En ik was er een knaap, wel de stad eens ontvlucht. maar wiens jeugdig gemoed nog die booze niet wondde. Zeg! herdenkt ge dien nacht nog, dien zomerschen nacht, O mij droomt hij zoo vaak in 't verweekte gedacht met zijn zalige zoelte en zijn wonderlijk gloren. 'k Heb het ware geluk, o zoo dwaas! toen verloren, en nu drijft, in 't verleden, een bittere klacht op die golvende zangen van 't ruischende koren. ![]()
LANGS ZOMERVELDEN![]() Van Gogh schilderde tarwevelden
![]()
WRANGHEIDIk heb weer, tuk op de oude mijmeringen, 't bevallig kronkelende dal doorloopen, waar eens mijn kinderlijke stappen gingen in dartlen levenslust en dwepend hopen; bij d'ommezwaai der heimelijke paden, weer eensklaps de onverwachte vergezichten zien scheemren, die in blauwe dampen baden, en eens, zóó lokkend, voor mijn treden zwichtten. Het goud des avonds vloeide van de delling, waarboven 't geel azuur des hemels trilde; geen droom meer, die me, stijgend langs de helling, in rusteloozen gang naar hooger tilde! 'k Ontwaarde, van den rug der heuvelketen, weer 't oude kalm gehucht, welks lage daken zoo vreedzaam hurkten, grillig rondgesmeten, en rood en ros van 't schuine zomerblaken. Nog kon mijn blik langs wond're lijnen zweven... Geen bloem van liefde is in mijn borst ontsproten. Geen traan van weemoed deed mijn wimpers beven: mijn ijskil harte en heeft niet meêgenoten. 'k Zag, onverschillig, veld en boomen glijden: geen frischheid! ook geen lust tot verder streven. O wrangheid! half maar voelen, half maar lijden, verdorde schakel van 't oneindig leven! -delling: vallei, dal, kuil ![]()
UIT WESTERLOOHoe lief dat huisje met zijn strooien daken, omringd van houtmijt, schadde- en korentas, rondom beschut voor wind of zonneblaken door struik- en boomgewas. Om groene luiken rankt de frissche wingerd, waar tros op tros zich loswindt uit het loof, dat in festoenen langs de gevels slingert en hangt uit spleet en kloof. De speelschgezinde zon richt door de blaren heur straal langs muur op ruit en mullig pad: zacht komt, bij poozen een geruisch gevaren, dat gaat van blad tot blad, - en op dit ruischen komt de geur gevaren van hars en heikruid en lupineblom dien 't koeltje voert op struik en wingerdblaren de stille woning om ... Hoog uit de lucht daalt, in een tonenregen, klaar paarlend lerkgezang en, t' eener stond, schiet hel een meisjesstem den vogel tegen en klinkt de velden rond. -schadde: zode van veenachtige
heidegrond die gebruikt wordt ![]()
HERINNERINGVan Verrewinkel naar UkkelWij stappen, over smalle paden langs hel- en delling kronklend, voort naar 't immer ons ontvliedend oord, ginds verre in 't scheemrig blauw aan 't baden, door speelschen horizon geboord... Los parelen en jubelzangen der lerken, die daar ievers hangen, onzichtbaar in de felle lucht, en van de heuvlen in de dalen vloeit 't zuiver vuur der zonnestralen... Geen bladgeruisch... geen windgezucht... Het Brabantsch veld ligt mild te zwellen, met vracht van schatten overlaân; de tarwe rijpt, de gerst komt aan, de haver schudt haar fijne bellen; en vastgevoed en blinkend staan ten strijde, in 't dal, de korenaren, wier blonde en gouden legerscharen, vol waaiend blauw en spikklen bloeds, in 't geel gelid den rug bestijgen der heuvlen, die zichtbaar neigen van 't rijk geweld des overvloeds... Lauw voelen we eindlijk d'avond dalen; der boomen schaduw rekt zich uit en over 's landmans rijken buit vergloeit de zon in schuine stralen, dauw sprenkelend op gras en kruid; in gouden gloed ter kim gezegen, hult ze al dien luister, al dien zegen in haren warmen afscheidsgroet... - En zwijgend gaan we, en ingetogen, met al dien rijkdom in onze oogen en al dien rijkdom in 't gemoed. ![]() MASKERS
De wereld lacht; steeds klinkt haar spotlied ons in de ooren. 't Vliegt, weergekaatst van d'een naar d'andren kant der straat. Verzwonden schijnt de smart, wijl 't treurspel ledig staat en klucht of boert alleen nog hart en geest bekoren. Ach! ieder ding heeft thans zijn zin verloren ! 't Woord is de mom der gedachte. Sombre haat zweeft in den zoetsten lach der vriendschap op 't gelaat, en door een spotwoord voelt men teedre liefde boren. Wat vond men lust in meengen traan, in blij geschat vertwijfling, kon men door die maskers henendringen: Werd heel de wereld niet een vastenavondbal ? Wij juichen, wen in 't oog ons bittre tranen springen van spijt en wanhoop. - Wie doorgrondt, in 't menschenhart, het weenen van de vreugde en 't lachen van de smart ? ![]() |


Prosper van Langendonck werd op 15 maart 1862 in Brussel geboren. Hij studeerde wijsbegeerte en letteren, maar moest de studie wegens familiale omstandigheden stoppen. Hij werd beambte bij het ministerie van Justitie (1888-1898) en werkte daarna als vertaler bij de Kamer van Volks- vertegenwoordigers (1899-1918). Vanaf 1890 begon zijn erfelijke schizofrenie zich te manifesteren. Ondanks deze handicap trouwde hij in 1899 met Adèle Wouters. Hun huwelijk bleef kinderloos. In 1918 moest hij wegens geestesziekte ontslag nemen. Hij stierf krankzinning in een Brussels hospitaal op 7 november 1920. Van Langendonck richtte in 1893 samen met August Vermeylen, Cyriel Buysse en Emmanuel de Bom het tijdschrift "Van nu en straks" op. Hij speelde een belangrijke rol in de vernieuwing van de Vlaamse letterkunde, in het bijzonder door zijn essay "De herleving der Vlaamse poëzie" (1894). Zijn eigen werk werd behalve door het katholicisme vooral beïnvloed door zijn liefde voor de natuur en zijn "weltschmerz". Naast zijn artikels in "Van nu en straks" schreef hij ook essays en kritieken in "Nederlandse Dicht- en Kunsthalle". Verder werkte hij mee aan het tijdschrift "Vlaanderen". Hij liet slechts één dichtbundel uitgeven, namelijk "Verzen" (1900). |

