Aart van der Leeuw

  De pottenbakker

De meester zegt: "Geef aan de schaal De bocht van 't brood; waartoe een fraai bokaal, Als toch de drinknap in heur holle hand Lessching genoeg voor elken dorst omspant? Vergun tot eenig sieraad Uwe kruik De gulle welving van een gladde buik. Zwaar is het leven, ernstig; bloed en zweet Proeft ge aan haar gaven als ge drinkt en eet; Zorgt gij dat, in een soobren vorm geprangd, Het simpelst vat die bittre vrucht ontvangt." Maar, zoo ik voor mijn venster zit en werk, En, in de lijst van 't raam mij veld en zwerk Verrukken door hun machtig schilderij, - De madelieven flikkren in de wei, Zwaluwen slieren arabesken snel Van wolk naar wolk, uiteen vouwt de kapel 't Mystiek wonder van zijn teekenschrift, Met diamant, op saffier gegrift, - Dan beeft mijn vinger, wijl de draaischijf snort, Het blinkend nat over den leemklomp stort, En onbewust druk ik de weeke klei Tot kelken, lijk de bloemen in de wei, En rank en pooplend zwelt omhoog de tuit, Of daar een vogel opwaarts wiekt en fluit; In 't zwierig lijnspel dat ik mijmrend trek Fladdren de vlinders met hun stom gesprek, Terwijl ik eindlijk op mijn fijn penceel Den blauwen schemer van de hemel steel; En eerst als gaaf het kunstwerk voor mij staat, Ach, denk ik aan den meester en zijn raad.


Uit 'Herscheppingen'
Uitgeverij W. Versluys, Amsterdam (1916).

In 'De pottenbakker' staat het wereldbeeld
van de meester (het nut) tegenover de creativiteit
van de knecht (de esthetiek).

Aart van der Leeuw

(°Hof van Delft 1876 - †Voorburg 1931)

Naar boven

Nederlandse dichters

Vlaamse dichters

Dead Poets Society


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 01-11-2013.
Laatste wijziging: 15-09-2017.

E-mail: webmaster