Liefdesgedichten

Sonnet
Het eerste van de schoonheid
Vroeg in de dageraad de schone gaat ontbinden
De gouden blonde tros, citroenig van coleur,
Gezeten in de lucht, recht buiten d' achterdeur,
Daar groene wijngaardloof ooit louwe muur beminde.
Dan beven amoureus de liefelijkste winden
In 't gele zijdig haar en groeten met een geur
Haar goddelijk aanschijn, opdat zij deze keur
Behield van dagelijks haar daar te laten vinden.
Gelukkig is de kam, verguld van elpenbeen,
Die deze vlechten streelt, dit waardig zijnd' alleen,
Gelukkiger het snoer dat in haar dikke tuiten
Mijn ziele mee verbindt en om 't hoofd gaat besluiten,
Hoewel ik 't liever zie wildgolvig na zijn jonst,
Het schone van natuur passeert doch alle konst.
Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585 - 1618)
Ingetoogenheid
Is ons 't genot verboôn, wel, dat we slechts beminnen!
Zijn andren in 't genot, 'k misgun, 'k benij' hun niet:
Die ander heil aanschouwt met wrevelige zinnen,
Verteert zich-zelven slechts in vruchteloos verdriet.
De Idalische Godin doet haren wellust smaken
Aan hem, aan hem alleen, die in haar gunsten deelt;
Ontzegt Kupîdo ons zijn gloeiende vermaken,
Genoeg is 't, dat de min ons 't harte vleit en streelt.
Laat andren honigdaauw van malsche lipjes leppen,
En 't smeltend mondkoraal met zachte tanden kneên;
Van boezem, hals, en wang, verliefde kusjes scheppen,
En schaaklen zich op 't dons in poezle maagdeleên:
Laat andren, mond aan mond, en borst aan boezem hangen;
Bij 't staamlen van de tong' en 't zwoegen van het hart',
De maagdelijke heup' in dij' en armen prangen;
En wringen 't lijf naar eisch der kittelende smart':
Laat andren, boezemooft en rozebloesems plukken;
Met opgeheven' thyrs', in 't heiligdom der minn',
In 't binnenst lustprieel van Cypris hove rukken,
En drinken 't vuur, met oog, met borst, en lenden, in:
Laat andren, Venus beemd met vruchtbaar zweet bedaauwen,
En moede en afgemat door 't slingren van den lust,
In dartle omhelzingen, van weelde en wellust flaauwen;
En zijgen in den schoot der liefelijkste rust'.
Dat dit, en hoger lust, zo iemand dien kan smaken,
ô Gij, wie Venus mint, aan u beschoren zij!
Maar ons, ontzegt ons 't lot die gloeiende vermaken,
Voor 't minst beminnen wij!
Willem Bilderdijk (1756 - 1831)
De jonge Kloë
Kloë zestien jaar oud,
Sprak: ik zal de min ontvlugten:
Want als men het wel beschouwt,
Doen de minnaars niets dan zuchten.
't Is of elk zijn' tijd besteed
In 't gevoelen van zijn leed.
Waar ik slechts mijnen oogen wend' ---
Nergens vind ik twee gelieven
Die niet zuchten. Wat ellend'
Mag hun teedre boezems grieven?
Waarom staag de vreugde ontvlugt
Door hun eindeloos gezucht? ---
Neen, nooit zal de liefde mij
In haar nare kluisters binden:
In die teedre slavernij
Kan ik zoo veel heils niet vinden.
Heeft de min er anders geen? ---
Liever blijf ik dan alleen.
Laats vroeg Lykas om een zoen...
('k Moet nog laghen om dat vragen.)
'k Riep: Och Lykas, neen! --- En toen
Zuchtte hij, en sloeg aan 't klagen.
ô Wat is het minnen dwaas!
Al zijn antwoord was --- helaas!
Gistren zag ik Lykas weêr.
'k dacht: 't is best zijn oog te ontvlugten;
Wijl ik ligt zijn smart vermeêr:
Want hij weende en scheen te zuchten;
'k Vlood zeer schielijk van die plaats:
Alles riep mij daar --- helaas!
Zoo zong Kloë; --- maar de Min
Hoorde het vermetel zingen
Van die jonge herderin. ---
" 'Zal die stoute schoone dwingen!"
Sprak hij. --- Kloë maak vrij staat,
Dat hij 't bij geen zeggen laat.
Eensklaps vloog hij naar beneên.
Kloë dacht: "Zou hij mij dwingen! ---
'k Blijf gerust met hem alleen."
Lagchend ging zij voort met zingen:
" 't Is of elk zijn' tijd besteedt,
't gevoelen van zijn leed."
Hij nam 't meisje bij de hand,
Wees haar lagchend twee gelieven.
"Houdt u wat aan dezen kant
Kloë! (sprak hij) 't mogt hen grieven.
Veilig moogt gij hen bespiên,
Zoo gij maar niet wordt gezien."
Och! hoe gretig hoorde zij
Toen het zuchtend teeder hijgen,
Dat, in dees liefkozerij,
Kloë toeriep, onder 't zwijgen:
Zie hoe men den tijd besteed,
In de liefde zonder leed.”
Toen Cupido haar verliet,
Gloeiden hare lieve wangen:
En de gulle vreugd verliet
Kloë's hart voor 't zoet verlangen.
Sedert heeft zij het gezucht
Van haar' Lykas nooit ontvlugt.
Johannes Kinker (1764-1845)HerdenkingWij schuilden onder dropplend lover, Gedoken aan de plas; De zwaluw glipte 't weivlak over, En speelde om 't zilvren gras; Een koeltje blies, met geur belaân, Het leven door de wilgenblaân. 't Werd stiller; 't groen liet af van droppen; Geen vogel zwierf meer om; De daauw trok langs de heuveltoppen, Waar achter 't westen glom; Daar zong de Mei zijn avendlied! Wij hoorden 't, en wij spraken niet. Ik zag haar aan, en, diep bewogen, Smolt ziel met ziel in een. O toverblik dier minlijke ogen, Wier flonkring op mij scheen! O zoet gelispel van die mond, Wiens adem de eerste kus verslond! Ons dekte vreedzaam wilgenlover; De scheemring was voorbij; Het duister toog de velden over; En dralend rezen wij. Leef lang in blij herdenken voort, Gewijde stond! geheiligd oord!Anthonie C.W. Staring (1767 - 1840 ) LiefdeDie ik het meest heb lief gehad, - 't Was niet de slanke Bruid, met wie 'k in 't zoeter leven, Mocht dwalen op het duin en droomen in de dreven, Wier hand my leidde op 't rozenpad; 't Was niet de jonge en teedre vrouw, Die, goede genius, mijn hart, mijn huis bewaakte, Die my het leven, ach, zoo licht en lieflyk maakte, Met al den rijkdom harer trouw! "Zoo was 't de moeder van uw kroost, Die u, gelukkige, voor 't offer veler smarte, Deed smaken, onvermengd, het reinst geluk van 't harte, Des levens liefelyksten troost?" Neen! - die ik 't meest heb lief gehad, Dat was mijn kranke; 't was de moede, de uitgeteerde, Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde, Toen 'k weenend aan haar sponde zat.P.A. de Genestet (1829 - 1861) Mijn Lief is als de roode RoosMijn lief is als de roode roos den knoppe versch ontsprongen; mijn lief is als de melodie bij snarenspel gezongen. Ik min u met mijn hart, schoon lief, zoo teer als met mijne oogen ge blijft mij dier totdat de zon de zeeën zal verdrogen. Totdat de rotsen smelten in den gloed der zonnestralen - beminnen zal ik u zoolang als ik zal ademhalen. Vaarwel, zoet lief, mijn eenig lief! nu moet ik henenijlen - ik keere weer, al scheiden ons tienduizend lange mijlen!Frans De Cort (1834 - 1878) Eerste aanblikEn, peinzend, zie 'k uw zee-blauwe oogen pralen, Waarin de deernis kwijnt, de liefde droomt, - En weet niet, wat mij door mijn adren stroomt: Ik zie naar u, en kan niet ademhalen: Een gouden waterval van zonnestralen Heeft nooit een zachter aangezicht bezoomd.... 't Is, of me een engel heeft verwellekoomd, Die met een paradijs op aard kwam dalen. 'k Gevoel mij machtig tot u aangedreven En buiten mij. 'k Was dood, ik ben herrezen, En voel mij tusschen zijn en niet-zijn zweven: Wat hebt gij, tooveres, mij goed belezen! Aan u en aan uwe oogen hangt mijn leven: Een diepe rust vervult geheel mijn wezen. -Jacques Perk (1859 - 1881) Zij zit naast me, en ik aai 't gevlochten haarZij zit naast me, en ik aai 't gevlochten haar, 'T hartstoch'telijk rood, voor mij gevlochten, blond; En 't gladde strijk ik gladder met mijn mond, En zijn metaalreuk ruik ik, diep en zwaar. Zo ruikt het uit vers-omploegde grond, Als over wachtend land 't prachtig gebaar Van gaande zaaier, machtig tovenaar, Zon, aarde en wolken oproept tot verbond. En om mijn hals wind ik de rode vlecht. En 'k voel, ze rilt, nu op haar borst zich legt Mijn gulzige hand om de veerkracht'ge vorm. Zo huivert de aard', waarin de toekomst kiemt, Voordat met bliksems haar de zomer striemt, Onder de schaduwvingers van zijn storm.Johannes dèr Mouw (1863 - 1919) Waar zoude ik met mijn liefde henenWaar zoude ik met mijn liefde henen als ik u niet beminnen kon?... - 'k Voel door mijn hart den regen wenen en draag in 't hoofd den dood der zon. Ik hoor op straat de vlagen kermen en weet me in al mijn zinnen mat... - Wie zou mijn huivrend hart verwarmen als ik niet úwe liefde had?... o, Veilig in dees kamer, samen elkanders liefde in de ogen zien; - de regen, huilend aan de ramen; - en huilen samen ook, misschien...Karel Van de Woestijne (1878 - 1929) ONDER UW HANDENOnder uw handendie veilig' ogieve word ik weer de stille de zachte de lieve die vredig d'ogen kan laten varen over de herfst en de verloren jaren. Onder uw handen mij binnen halen in de kleine portiek van de zeer hoofse zalen waar ik hoor zingen dat vèr-ijle lied als ge mijn naam naam zegt of zacht naar mij ziet. Onder uw handen de droom herwinnen glimlachen en goed zijn herboren naar binnen nat schreien uw polsen van gesmolten trots en wonen en gaan slapen in die schone ogieve Gods. ![]() |

