Het Limburgs Driemanschap

August Cuppens

Jacob Lenaerts

Jan-Mathijs Winters



'Het Limburgs Driemanschap' behoorde tot de redactie
van het literaire tijdschrift 't Daghet in den Oosten,
dat verscheen van 1885 tot 1914.
Het tijdschrift ontstond in het Luikse Groot Seminarie
en werd gesticht door August Cuppens, Jacob Lenaerts
en Polydoor Daniels (1845-1944). Deze laatste was
de eerste hoofdredacteur. Vermeldenswaard is dat hij
huiskapelaan was van baron de Villenfagne de Vogelsanck
te Zolder (nu Zonhoven), van 1876 tot 1904.
In 1887 vervoegde Jan Mathijs Winters dan de redactie
van het tijdschrift en in 1908 nam August Cuppens
de leiding over van Polydoor Daniels.
Onder invloed van Guido Gezelle zorgde het conservatieve
" 't Daghet in den Oosten" voor een Limburgse (BE)
particularistische traditie.

  August Cuppens  (1862 – 1924)

Draaiorgelliedeken

Turluut, Turluut, Turluut! Daar komt weer de orgelman voorbij! Hij is niet droef, hij is niet blij, beziet den hemel, ziet hem niet, en draait zijn piepend orgellied; maar wat hij speelt en weet hij niet, o neen! hij weet het niet! Turluut!
't Is 't lied dat eens een Meester zong, toen 't bitter leed hem 't hert uitdrong; het lied, dat in de schouwburgzaal, deed tranen vloeien honderd maal! Sa, jonkers, juffers, hoort gij 't niet, het roerend en bewonderd lied? Turluut!
 (1883)

Alvendans

Des nachts wen alles slaapt of rust dan hebben de Alven spel en lust. Dan rijzen ze zachtjes uit haag en uit bosch, dan fladd'ren heur kleêren zoo hupsch en zoo los, heur kleêren, zoo wit als de schors van den berk, zoo donzig, zoo licht als een nevel aan 't zwerk. Dan spoedt heure zwevende, wieglende rei langs heuvel en dal naar de geurige wei en, dekt er geen wolkske den gloor van de maan, zoo vangen ze 't nachtfeest, vol dartelheid, aan.
 Alven: nachtgeesten uit de Kempense sagen.

Kempisch Wijfke

Doodarm, versleten Kempisch Wijfke, gij woont, ginds, op de rosse hei, in uw armzalig leemen hutje gedekt met halm, gevloerd met klei; wie heeft er uw verrimpeld wezen sinds vijftig jaren nog bedacht, uw knokkelhand een druk gegeven, uw eenzaamheid een groet gebracht ? Ach! kunt gij wel den Heere danken terwijl gij door de bosschen trekt, bedolven onder zwaren houtlast, daarmee gij zuchtend heimwaarts nekt ?

Lentedeuntje

Hebt ge niet gezien
hoe de botten springen,
blaârkens, lief gekruld,
uit hun schubben dringen,
bloesems, rood en blank,
door hun boeien zingen ?

Hebt ge niet gehoord
hoe de merels fluiten,
jubelend hangt te tuiten
boven uwen kop
roepend: ‘komt naar buiten!’

Hebt ge niet gevoeld
hoe de warme stralen
van de moederlijk-
goede zonne dalen,
’t leven overal
uit zijn kerkers halen ?

Joech ! de winter is
in zijn hol gekropen !
Joech ! nieuw leven
in ons hert gedropen !
Joech ! ons boezems gaan
met de bloesems open !

 Uit: Verzekens (1904).

Vader

Vader, onbewuste dichter die wel nooit een vers en sloegt maar zoveel onuitgesproken zangen in uw ziele droegt!
Vader, die mijn blijde kindsheid overgoot met poëzij als ik, vragend-plagend knaapke danste en dobberde aan uw zij;
met u meeliep, langs de velden over 't reine heidezand door de diepe dennenbossen van ons droomziek Loonse land.
O! Wat kost ge schoon vertellen over al dat levende is: over bomen, bloemen, kruiden, vogels, biekens, wild en vis !
Over al dat in de wijers woont, en wast, en zwemt en roert over al dat in de bossen schuilt en springt, en stemme voert.
Ei! Ik heb het al onthouden dat ge, in schitterende taal mij geleerd hebt van de reiger, van de specht, de wedewaal,
van de kraaien, en de zwanen van de otter, vos en das van 't dopperke in 't water van de krekel onder 't gras...
al uw spreuken, al uw sproken al dat in mijn kinderziel u april it uw mond, als edele zaden van de dichtkunst nederviel !...

 August Cuppens vertaalde ook heelwat gedichten van Gezelle in het Frans, die meestal gepubliceerd werden in het katholieke tijdschrift ‘Durendal’.
O 't ruischen van het ranke riet !
o wist ik toch uw droevig lied !
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
gij buigt, ootmoedig nijgend, neer,
staat op en buigt ootmoedig weêr,
en zingt al buigen 't droevig lied,
dat ik beminne, o ranke riet !
Oh! Le murmure frémissant du svelte roseau !
oh ! si je savais ta triste chanson !
Lorsque le vent passe près de toi
et agite tes tiges qu’il fait fléchir,
Tu fleches, te courbant humblement,
Et chantes, en fléchissant, la triste chanson
que j’aime, o svelte roseau !

August Cuppens werd geboren te Beringen op 22 mei 1862. Hij was de oudste zoon van de postbode Toon Cuppens en Rosalie Bomans. Hij studeerde in het college in Beringen en ging dan in 1880 naar het Kleinseminarie van Sint-Truiden. Daarna studeerde hij theologie aan het grootseminarie in Luik waar hij tot priester gewijd werd op 9 april 1886. Eerst stelde men hem aan als kapelaan in het Waalse Ans en dan stuurde men hem in 1888 naar Verviers. Vervolgens werd hij rector van de Armenzusters in Luik in 1895. Tenslotte keerde hij terug naar Limburg in 1899 als pastoor van Loksbergen. Samen met Jacob Lenaerts en Polydoor Daniels richtte hij het tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" (1885-1914) op. Hij schreef gedichten, religieuze liederen, toneel (meestal kluchten), artikels in diverse tijdschriften en folkloristische verhalen over Belgisch Limburg. In zijn pastorie in Loksbergen ontving Cuppens geregeld kunstenaars en schrijvers als Hugo Verriest, Stijn Streuvels, Marie Belpaire, Alice Nahon, Jef Lynen, Jozef Geurts en componist Lodewijk De Vocht. Uit de samenwerking met deze laatste ontstond het bekende ‘Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen’. In 1900 stichtte August Cuppens samen met Marie Belpaire, Lodewijk Scharpé en Emiel Vliebergh het tijdschrift Dietsche Warande en Belfort. Hij onderhield een levendige briefwisseling met Marie Belpaire. Ook aan zijn idool Guido Gezelle schreef hij brieven maar hij heeft hem nooit ontmoet.
Werken: “Verzekens“, uitgeverij Alfons Siffer, Gent (1899). “Het communiekantje“, toneel (1902). “Het schoothonje der koningin“, toneel (1904). “Een Rooske van Overzee“, dichtbundel. Duimpjesuitgave nr. 46    bij Victor Delille, Maldegem (1904). “Jaarkrans van geestelijke liederen rond den haard“ (1909). “Twaalf vertelsels op zijn Limburgsch“, verhalen (1906). Hij schreef het gelegenheidsgedicht: "De Slag der zilveren    helmen", na de veldslag tussen Duitse    en Belgische troepen te Halen op 12 augustus 1914. “Vertellingen uit Limburg”, uitgeverij Ceyssens, Hasselt (1923). “Sint Evermaars' heilig spel“ (1924), een bewerking van    een mysteriespel uit de 10e eeuw. “Verzen om voor te dragen“, uitgeverij Pulinckx, Diest (1922).


Linecol

Jacob Lenaerts   (1862-1913)

Smederslied

‘Hop! - Slaat maar op!
En zijn we 't slimste smedendiet,
de fijne kunsteneeren niet,
die voor de Helden werken?
dus helme 't lieve bim-bom-lied,
terwijl het aambeeld vonken schiet
en zilverheldere sperken!

Hop! Slaat maar op!
Nooit ijzer, staal of zilver spleet
of blutste 't wonder oorlogskleed
door Hussenhand geweven;
nooit mist der Awelen schicht of pijl,
nooit schampt hun zweerd of oorlogsbijl,
die Reus en Held doen sneven.

Hop! - Slaat maar op!
Het glinsterend goud en edelsteen,
met uitgegraven elpenbeen
en wondere tooverroenen
is ieder wapen ingelegd:
dies geeft het stoutheid in 't gevecht
en zege-n aan de koenen’.

't Sneeuwt buiten!

De witte biekens die vliegen
in dichte vlucht
door de lucht.
Hun fladdrend wieken en wiegen
en wekt gerucht
noch gezucht.
Ei mensch! Waar vinden ze honingbuit?
Op 't blomken zeker der vensterruit!

Of zijt gij, blomkens die daar zweeft,
't gewolk van den kant
dien de hand
eens engels, door wonder getoover,
in een land
den mensch onbekand,
vol sprinklend glas en zilvren loover,
uit ijs, tot ruitgordijntjes weeft?

O! kleine bietjes, zoo lustig,
ik weet niet waar
uit uw kaar *
ontsnapt, hoe dwarrelt ge onrustig
dooreen, als waar'
er gevaar!
Wat vlucht ge den dwarrelwind zoo snel?
Hij speelde met u toch zoo graag zijn spel!

Gij blijft in barren wintertijd
zoo welgezind,
en bemint,
gij kleine bietjes des Heeren,
den noorderwind
als een vrind.
Ach! Mocht ik uit uw stoeien leeren
van vroolijk te zijn spijts druk en strijd.

*kaar: bijenkorf

Kinderjaren

Er zingt mij soms in 't oude hart
Een liedeken uit mijn jeugd;
Soms klink 't huppelend van vreugd,
Doch soms vol weemoed en smart.
Ik hoor 't gesnor van moeders wiel,
Die spinnende soms zat te zingen.
Ik zie mij in mijn jongenskiel
Nog huppelend rondom haar springen.
Dan juich ik nog en lach
Gelijk ik toenmaals plag

Ik hoor de molen ruischend gaan
En zingen haar eeuwigen zang,
De klok met zilveren klank,
Haar lied door 't luchtgewelf slaan.
Ik zie zoo menig vroolijk uur:
Dan meen ik te dansen en springen,
Rond sneeuwman of sint maartensvuur
Om dreunende deuntjes te zingen.
Dan juich ik weer en lach
Gelijk ik toenmaals plag.

Het voorgaande gedicht is 'wishful thinking' van de dichter. Zijn moeder overleed namelijk toen hij twee jaar oud was.
Priester-dichter Jacob Lenaerts maakte deel uit van het Limburgs Driemanschap, dat bestond uit August Cuppens (uit Beringen), Jacob Lenaerts (uit Zonhoven) en Jan-Mathijs Winters (uit Genk). Zij werkten mee aan het tijdschrift “t Daghet in den Oosten”.
Jacob Lenaerts werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, die pastoor-deken was te Vlijtingen. Zijn ouders waren namelijk overleden toen hij nog een kleuter was. Jacob volgde de humaniora in het seminarie van St.Roch in de provincie Luik. Vanaf 1880 studeerde hij wijsbegeerte aan het Klein-Seminarie te Sint Truiden.
1884: tijdens zijn studie aan het groot seminarie in Luik stichtte hij samen met zijn medestudent August Cuppens en Polydoor Daniels het tijdschrift ”‘t Daghet in den Oosten”, een taal- en volkskundig weekblad. 1886: tot priester gewijd en aangesteld als kapelaan te Val St. Lambert. 1890: legeraalmoezenier in Leopoldsburg. 1898: aangesteld als pastoor te Bevingen-Halmaam (St. Truiden). 1901: pastoor te Membruggen. 1904: pastoor-deken te Landen, waar hij overlijdt op 16 december 1913.
Jacob Lenaerts verzamelde ondermeer sproken en sagen uit de Kempen. Zijn bekendste werk is “De verdwijning der Auwelen“. Uitgeverij Van In en Cie te Lier. 'auwelen': alvermannekens. Dwergen die, langgeleden, rondwaalden in de Loonse Kempen. 'Heertante', kluchtig toneelstuk in 4 bedrijven (1898). Heruitgave van ‘De verdwijning der Auwelen’ met de titel ‘Verdwijning van de Alvermannekens’. Door bemiddeling van Hilda Ram. Uitgegeven door Buschmann te Antwerpen (1898). 'Oda en Ylfken', dichtwerk (1901). 'De Germaansche Heidenleer', samen met J.M. Winters (1901), Uitgeverij J. Van In en Cie, Lier.


Linecol

Jan-Mathijs Winters  (1864-1935)

Schooner als de schoone pauwhaan

Schooner als de schoone pauwhaan, gleed, gelijk een zonnestrale langs de bonte hemelbogen Gabriël, ten leegren lochtkring. Bode des zevenvoudigen Geestes kwam hij, leest men, t'eenen huize: d'echte maagdom zat daar in, de reinheid zelf, 't kleinood der vrouwen.
d'Engel sprak ter zoete Maged: ‘Maria, luister naar ons woorden, wondre Vrouw, U breng ik 't Ave, vol gena, de zoetste bron uit. Om zijn schepsel hulp te brengen komt de Vorst van mensch en engel in uw reinen boezem wonen, Maged, gezegend boven de vrouwen.’
't Stille maagdelijn hoorde en geloofde, maar stond stomme voor die woorden, nooit en wist zij mensch ter wereld met dusdanige eer begroet zijn. Doch belettend dat zij schrik had, taalde d'opperengel verder: ‘'s Hemels God zal, felle vrouwe, worden geboren uit uwen lijve.’
Toen nog vroeg ze op welke wijze heur die blijdschap zou geschieden, dat de borgweer nergens naliet waar haar kuischheid door bewaard was. d'Engel zei: ‘Ge en zult geen kwaad doen, blijde jonkvrouw; 's Heiligen Geestes hooge moeiing vormt het kindje 't vleesch en been uit maagdelijve.’
Heel vol licht zijn alle luchten, water en grond daar staan verwonderd, dat natuur zoo fel geschokt is en zijn eigen slecht meer meester. Met Gods wezen een ziel vereend wierd, en met Maria's bloed omhuld wierd; in den schoot der reine Maged rust er een der drij personen.

Deze poëzie is zeker niet hoogstaand en reikt zelfs niet tot aan de enkels van 'Hiawatha' van zijn grote voorbeeld Guido Gezelle. Mathijs Winters geeft wel blijk van een extreme devotie voor Maria. Niet minder dan 1600 verzen besteedt hij aan haar.

Het Wintergroen of Kleuterkruid

‘k Wist in mijn geboortestreek, op den boord der meulenbeek, knobbelig, een kopeik staan, ’s winters stram, met sneeuw belaan, ’s zomers prijkend, preutsch en schoon, met een groote looverkroon. Had heur baas in jonger jaren, om een bussel brand te sparen, haren gelpschen kop gebroken, flink had zij haar leed gewroken, jaar op jaar, bij honderd loten kris ende kras, een kroon geschoten. ’t Beeksken had, met tragen spoed, spoelend om haar loggen voet, menig wortelke los gedekt; ei! zij had er bij gegekt: ‘Lek maar, beekske, lek nog meer, uw zoentje doet geen zeer’. Eens vol sappigen hoogmoed dronken, daar stond in ’t licht te pronken, ’t zoele licht van ’t zonnig voorjaar, zag zij, – ’t was kreeg te zien – of hoorbaar, teer van leên en krank van voeten-, op haar teen iets groens aan ’t wroeten. De oude loeg met ’t looze ding: ‘Kruip omhoog wat, kroppeling, laat eens zien uw zot fatsoen.’ ’t Windeke woei en ’t wintergroen lei zijn ledekens in den bast en daar wies het, wortelvast. Pas was nu een tijd verloopen, of een vrachte wrongelknoopen, vezelkes, wortelkes, bladen, ranken zaten d’ oude rond de schranken die haar eigen dood moest bloeden om heur troetelkind te voeden. ‘k Weet in mijn geboortestreek op den boord der meulenbeek uitgemergeld, heel ontdaan koppeloos een kopeik staan; nog op ’t oude krank gedoen teert het wulpsche wintergroen.


Uit 'Lelie der Dellingen' pagina 112. Jan Mattijs Winters was priester, heimatdichter en medewerker van ”‘t Daghet in den Oosten”. 1864: geboren op 21 september in Sledderlo (Genk). 1880 -1882: werd als zestienjarige aangesteld als hulponderwijzer door onderwijzer Jozef Schreurs. 1884: slaagde in zijn rethoricajaar aan het college van St.-Truiden. Ging naar het Klein Seminarie van St. Roch (Ferrières) in de provincie Luik. 1887: vervoegde de redactie van het tijdschrift ”‘t Daghet in den Oosten”. 1889: gewijd tot priester. 1889-1890: leraar in St-Roch. 1890-1901: kapelaan te Alken. 1901-1916: pastoor te Riemst. 1916-1933: pastoor te Lummen, waar hij ophield met dichten. 1935: overleed op 31 augustus.
Enkele werken: 'Lelie der dellingen en bloemen des velds': dichtbundel. St-Quintinus-drukkerij, Hasselt (1901). Winters baseerde zich op het lange gedicht 'Lilja' van de IJslandse monnik-dichter Eysteinn Asgrimsson (14e eeuw). 'De Germaansche heidenleer': samen met Jacob Lenaerts. Uitg. J. Van In en Cie, Lier (1901). ‘Zonnecyclus’: Mariagedicht in 1600 verzen. Verschenen in ’t Daghet in den Oosten (1905).


Naar boven

Van nu en straks

Karel van de Woestijne

Prosper van Langendonck

August Vermeylen

Vlaamse dichters

Nederlandse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 02-08-2012.
Laatste wijziging: 15-09-2015.

E-mail: webmaster