O BED IN HET HOTEL
O bed in het hotel! O bed zo zoet!
Maagdelijk wit en bedauwd het laken.
O gerucht dat onze lijven maken!
O schemergrot van katoen en vlammengloed!
O dubbellier van de liefde als tak
in vuur en als koele nardus van dijen!
O schommelboot, klare rivier, bijwijlen
een nachtegaal en bijwijlen een tak!
ADAM
Voor Pablo Neruda
omringd door Fantomen
Een Boom van Bloed besprenkelt de ochtendstond
en de nieuwbakken kraamvrouw jammert en zucht.
Een grafiek van bot kerft het raam en de lucht
en van haar stem blijven kristallen in de wond.
Terwijl het licht blanke doelen op de grond
bereikt en vage mythes en geruchten
voor beroering in de aders vluchten
naar zure frisheid van appels in de mond,
droomt Adam in de klei in koortsige staat
een kind dat in vliegende haast zal komen
door het dubbele geklop in zijn gelaat.
Maar een andere duistere Adam zal dromen
van een onbestemde steenmaan zonder zaad
waar het kind in lichterlaaie zal ontkomen.
NOCTURNE VAN DE HOLTE
Fragmenten
Schenk om te zien dat alles is gegaan
je sprakeloze holte aan mij, mijn liefste!
Waar de hemel stil zijn verlaten hutten schikt.
Om te zien dat alles is gegaan!
Hier zingen wat de holten zijn van morgen
met de holten van gisteren op mijn handen,
zoals twee padden van as, twee geruchten
van mijn schone schijn die opwelt en borrelt.
Schenk om te zien dat alles is gegaan,
om holten van stromen en wolken te zien,
jouw ruikers van laurier aan mij, mijn liefste.
Om te zien dat alles is gegaan!
Als ik in bed het lawaai van linnen tel,
ben je gekomen, lief, om mijn dak te dekken.
De holte van een mier vervult de lucht,
maar jij gaat zuchtend, doelloos voor mijn ogen.
Om te zien dat alles is gegaan.
Onwankelbare liefde, schuwe liefde!
Neen, schenk me niet jouw holte,
want die waart al alom in mijn lucht!
Om te zien dat alles is gegaan.
DE PROFUNDIS
De honderd geliefden
zijn eeuwig ingeslapen
onder de dorre aarde.
Door Andalusië lopen
lange rode wegen.
Cordoba heeft groene gaarden
vol olijfbomen om kruisen
te planten ter herinnering.
De honderd geliefden
zijn eeuwig ingeslapen.
LUCIA MARTINEZ
Lucia Martinez.
Schaduw van rode zijde.
Je dijen gaan zoals de namiddag
van het licht naar de schaduw.
Je gitzwarte geheimenis
verduistert je magnolias.
Hier ben ik, Lucia Martinez.
Ik kom om je mond te verslinden
en je mee te sleuren bij je haren
in de dauw van schelpen.
Omdat ik het wil en omdat ik het kan.
Schaduw van rode zijde.
DANS
Carmen loopt te dansen
in de straten van Sevilla.
Haar haren zijn schitterend
en fonkelend haar pupillen.
Meisjes,
sluit de gordijnen!
In haar gedachten kronkelt
een geelkleurige slang,
en bij het dansen droomt ze
van een heer uit vroeger dagen.
Meisjes,
sluit de gordijnen!
De straten zijn verlaten
en in het holst voorspellen
Andalusische harten
de zoektocht naar oude doornen.
Meisjes,
sluit de gordijnen!
GAZELLA VAN DE ONVERWACHTE LIEFDE
Niemand heeft ooit het duistere parfum
van de magnolia van jouw buik begrepen.
Niemand wist dat een kolibrie van liefde
gekweld tussen je tanden heeft gezeten.
Duizend Perzische paardjes zijn op het plein
bij maanlicht op jouw voorhoofd ingeslapen
en ik omarmde een viertal nachten lang
jouw middel, vijandin van de witte sneeuw.
Tussen gips en jasmijn was jouw oogopslag
een bleke ruiker barstend van het zaad.
Ik wilde jou door middel van mijn borst
de ivoorletters luidend 'eeuwig' geven.
'Eeuwig, eeuwig', de tuin van mijn doodsstrijd,
jouw voortvluchtige lichaam voor eeuwig,
het bloeden van jouw aders in mijn mond,
jouw mond waar mijn doodslicht is verdwenen.
GAZELLE VAN DE WANHOPIGE LIEFDE
De nacht wil niet komen
zodat jij niet komt
en ik niet kan gaan.
Maar ik zal gaan,
al verdooft een zon van schorpioenen mijn slapen.
Maar jij zult komen
met jouw tong door de zoutregen verbrand.
De dag wil niet komen
zodat jij niet komt,
en ik niet kan gaan.
Maar ik zal gaan
om mijn aangevreten anjer aan de padden te geven.
Maar jij zult komen
door de troebele riolen van de duisternis.
Noch de nacht noch de dag wil komen
zodat ik voor jou sterf
en jij sterft voor mij.
DE ELVIRASTRAAT
Granada, de Elvirastraat,
waar de Manola's wonen,
die naar het Alhambra gaan,
de drie en de vier alleen.
De ene in het groen gekleed,
de tweede in het mauve,
en de derde heeft linten
van haar keursje tot haar sleep.
De eerste twee vooraan zijn reigers,
de duif komt erachteraan;
Hun mousseline vol geheimen
bloesemt op de boulevards.
Jee, hoe donker is het Alhambra!
Waarheen gaan de Manola's
als de rozen en fonteinen
in de schaduw verkwijnen?
Welke vrijers wachten daar?
Onder welke mirte rusten zij?
Welke handen beroven
hun ronde bloemen van hun geur?
Niemand loopt met hen mee;
twee reigers en een duif.
Maar in de wereld zijn vrijers
die zich met blaren bedekken.
De katedraal heeft bronzen
prijsgegeven aan de winden.
De Genil slaapt bij haar ossen
en de Douro wiegt haar vlinders.
De avond komt beladen
met zijn schaduwrijke heuvels;
De eerste leert haar schoentjes kijken
uit de stroken van zijdekant.
de ogen van de oudste zijn open
en van de jongste halfgeloken.
Wie is toch dat drietal
met hoge boezems en lange slepen?
En dat gefriemel met hun zakdoekjes?
Waarheen gaan zij nog zo laat?
Granada, de Elvirastraat,
waar de Manola's wonen,
die naar het Alhambra gaan,
de drie en de vier alleen.
MOEDER BRENG ME NAAR DE VELDEN
Moeder, breng me naar de velden,
in het prille ochtendlicht
zal ik de bloemen zien ontluiken,
als de takken zachtjes wiegen.
Duizend bloemen zeggen dingen
voor duizend verliefden van hart
en de bron zal ons vertellen
wat de nachtegaal verzwijgt.
De roos was al ontloken
in het prille ochtendlicht;
haar teder bloed was zo rood,
dat de dauw verdwenen is;
ze stond heet op haar stengel
en heeft zo de wind geschroeid;
hoe hoog is ze! hoe stralend!
Ontloken was zij!
DE ONTROUWE ECHTGENOTE
Voor Lydia Cabrera en haar negerinnetje
En ik nam haar mee naar de rivier,
denkend dat zij nog vrij was,
maar zij had al een man.
Het was op Sint-Jacobsnacht
en het leek wel voorbestemd.
De lantarens gedoofd
en de krekels ontketend.
Aan de laatste straathoeken
streelde ik haar slapende borsten
die plotsklaps bloeiden
als ruikers van hyacinten.
In mijn oren klonk het
alsof haar gesteven onderrok
van kostbare zijde was,
die door menig mes werd verscheurd.
De bomen zijn gegroeid
zonder zilverlicht in hun kruinen
en een horizon van honden
blaft heel ver van de rivier.
Voorbij de braamstruiken,
de biezen en de meidoorns,
heb ik onder haar haardos
een kuil in de aarde gemaakt.
Ik deed mijn das af.
Zij deed haar jurk uit.
Ik mijn gordel met revolver.
Zij haar vier onderlijfjes.
Nardusbloemen noch slakken
hebben zulk een fijne huid,
en de ruiten in het maanlicht
schitteren niet met die glans.
Haar dijen ontglipten mij
als verschrikte vissen,
de ene helft vurig,
de andere helft verkleumd.
Die nacht reed ik
over de allerbeste weg,
op een paarlemoeren merrie
zonder teugels of beugels.
De dingen die ze zei
kan ik uit fatsoen niet vertellen.
Het gezond verstand
noopt mij tot discretie.
Besmeurd met kussen en zand
bracht ik haar weg van de rivier.
De zwaarden van de lelies
duelleerden met de wind.
Ik gedroeg me zoals ik ben.
Als een echte zigeuner.
Ik schonk haar een grote naaimand
van strogeel satijn,
maar verliefd wilde ik niet worden,
want zij had al een man
ook al zei ze dat ze nog vrij was,
toen ik haar meenam naar de rivier.
©Lepus
 |