F. Garcia Lorca
Zigeunerromances

ROMANCE VAN DE MAANVoor Conchita Garcia LorcaNaar de smidse kwam de maan gesluierd met tuberozen aan. Het kindje staart, staart haar aan. Het kindje staat haar aan te staren. In de bewogen lucht schudt de maan haar armen en toont ze, wulps en kil, haar borsten van hard tin. Vlucht maan, maan, maan. Als de zigeuners komen maken ze met je hart witte kettingen en ringen. Kindje, laat me dansen. Als de zigeuners komen, zullen ze je met gesloten oogjes op het aambeeld vinden. Vlucht maan, maan, maan, ik hoor hun paarden al. Kindje, laat me, trap niet op mijn gesteven wit. Nader kwam de ruiter roffelend de trom van de vlakte. In de smidse houdt het kindje zijn ogen gesloten. Door de olijfgaard kwamen de zigeuners, brons en droom. Met geheven hoofden en halfgesloten ogen. Wat roept de nachtuil, jee, wat roept hij in de boom! Door de hemel gaat de maan met een kindje aan haar hand. In de smidse huilen krijsend de zigeuners. De wind waakt, waakt over haar. De wind staat bij haar te waken. PRECIOSA EN DE WINDVoor Dámaso AlonsoPreciosa komt roffelend op haar perkamenten maan, over een tweeslachtig pad van kristallen en laurieren. De sterrenloze stilte, vluchtend voor het geroffel, valt waar de zee kolkt en haar nacht vol vissen zingt. Op de toppen van de bergen slapen de fuseliers, wakend over de witte torens waar de Engelsen wonen. En de zigeuners van het water bouwen om zich te vermaken prieeltjes van schelpen en groene pijnboomtakken. Preciosa komt roffelend op haar perkamenten maan. Bij haar aanblik is de wind, die nooit slaapt, opgestoken. De naakte Sint Kristoffel zwelt, terwijl hij loert naar het meisje en met hemelse vlammentongen op een onzichtbare fluit speelt. Meisje, doe je jurk omhoog want ik wil naar je kijken. Open tussen mijn oude vingers de blauwe roos van je buik. Preciosa werpt de tamboerijn weg en rent zonder verpozen. De geile windman gaat haar achterna met hitsig zwaard. De donkere zee bruist. De olijfbomen verbleken. De schaduwfluiten zingen samen met de stomme gong van de sneeuw. Ren, Preciosa, ren, of de groene wind pakt je! Ren, Preciosa, ren! Kijk vanwaar hij komt! Sater van lage sterren met zijn blinkende tongen. Angstig gaat Preciosa binnen in het huis van de Engelse consul, boven de pijnbomen. Opgeschrikt door de kreten komen drie fuseliers aangelopen, hun zwarte mantels strak om het lijf, hun mutsen diep over de slapen. De Engelsman geeft de zigeunerin een glas lauwe melk en een glaasje gin dat Preciosa laat staan. En terwijl zij in tranen haar avontuur vertelt aan die lui, verbijt de woedende wind zich op de leien van het dak. TWISTVoor Rafael MéndezIn het midden van het ravijn schitteren als vissen, de mooie messen van Albacete vol vijandelijk bloed. Een scherp kaartspellicht knipt in het felle groen onstuimige paarden en ruiterprofielen uit. In de kruin van een olijfboom wenen twee oude vrouwen. De stier van de twist stormt tegen de muren op. Zwarte engelen brachten zakdoeken en sneeuwwater mee. Engelen met grote vleugels van messen uit Albacete. Juan Antonio uit Montilla rolt dood de helling af, zijn lichaam vol irissen en granaatappels op zijn slapen. Nu bestijgt hij een kruis van vuur op weg naar de dood. Vergezeld van een guardia civil komt de rechter langs de olijfgaarden. Glibberig bloed kermt sprakeloos slangenlied. Heren van de guardia civil: hier gebeurde het oude verhaal. Vier Romeinen en vijf Carthagers vonden hier de dood. De avond dol van vijgenbomen en van hitsige geluiden bezwijmt op de gewonde dijen van de ruiters. En zwarte engelen vlogen door de avondlucht. Engelen met lange vlechten en harten van olie. SLAAPWANDELROMANCEVoor Gloria Giner en Fernando de los RiosGroen ik hou zo van je groen. Groen de wind en groen de takken. Het schip op de zee en het paard in de bergen. Met haar middel in de schaduw droomt zij aan haar balustrade groen van leden, groen van haren, ogen van koud zilver. Groen ik hou zo van je groen. Onder de gitaanse maan staren haar de dingen aan, die zij niet kan zien. Groen ik hou zo van je groen. Grote sterren van rijp vergezellen de schaduwvis die de weg baant voor de ochtend. De vijgenboom wrijft zijn wind met het schuurpapier van zijn takken, en de berg, een wilde kat, zet haar stekelige agaven op. Maar wie komt daar aan? En vanwaar?... Zij blijft aan haar balustrade staan groen van leden, groen van haren, dromend van de bittere zee. Makker, ik wil ruilen, mijn paard voor je huis, mijn zadel voor je spiegel, mijn mes voor je deken. Makker, ik kom bloedend uit de passen van Cabra. Als ik kon, jongeman, sloten wij dit contract af. Maar ik ben mezelf niet meer en mijn huis is niet langer mijn huis. Makker, ik wil fatsoenlijk sterven in mijn bed. Een van staal, als 't kan, met fijnlinnen lakens. Zie je de wonde niet die ik heb van borst tot keel? Je witte overhemd draagt driehonderd donkere rozen. Je bloed doordrenkt je gordelband en verspreidt zijn geur. Maar ik ben mezelf niet meer en mijn huis is niet langer mijn huis. Laat me tenminste omhooggaan naar de hoge balustraden, laat me omhooggaan! omhoog naar de groene balustraden. Relingen van de maan waarlangs het water neervalt. De twee makkers klommen al omhoog naar de hoge balustraden. Achter hen een spoor van bloed. Achter hen een spoor van tranen. Op de daken trilden blikken lantaarntjes. Duizend kristallen tamboerijnen verwondden de ochtend. Groen, ik hou zo van je groen, groen de wind en groen de takken. De twee makkers gingen omhoog. De hevige wind had in hun mond een rare smaak van gal, munt en basilicum. Makker, waar is zij, zeg mij, waar is je bittere meisje? Hoe vaak heeft ze op je gewacht! Hoe vaak had ze op je gewacht, fris van gezicht, zwart van haren, op die groene balustrade! Op het gelaat van de regenput dreef wiegend de zigeunerin. Groen van leden, groen van haren, met ogen van koud zilver. Een ijspegel van maan houdt haar op het water vast. De nacht werd intiem als een pleintje. Dronken guardias civiles bonsden op de deur. Groen ik hou zo van je groen. Groen de wind en groen de takken. Het schip op de zee. En het paard in de bergen. DE ZIGEUNERNONVoor José Moreno VillaStilte van witkalk en mirte. Kaasjeskruid in de kruidentuin. De non borduurt violieren op een strogeel doek. In de grijze luchter vliegen zeven vogels van het prisma. In de verte gromt de kerk als een beer op zijn rug. Wat borduurt zij mooi! Hoe fraai! Op het strogele doek wil zij de bloemen van haar fantasie borduren. Wat een zonnebloem! Wat een magnolia van pailletten en linten. Wat een saffraantjes, wat een maantjes op de altaardwaal! Vijf pompelmoezen versuikeren vlakbij in de keuken. De vijf wonden van Christus in Alméria geoogst. In de ogen van de non galopperen twee ruiters. Een verre gesmoorde zucht maakt haar hemd los, en terwijl ze in verstarde verten naar wolken en bergen staart, breekt haar hart van suiker en citroenverbena. O, wat een steile vlakte met twintig zonnen erboven. Wat een rechtopstaande stromen dagen in haar fantasie! Toch gaat zij verder met haar bloemen, terwijl rechtop, in de bries, het licht schaakspeelt hoog in het zonnescherm. DE ONTROUWE ECHTGENOTEVoor Lydia Cabrera en haar negerinnetjeEn ik nam haar mee naar de rivier, denkend dat zij nog vrij was, maar zij had al een man. Het was op Sint-Jacobsnacht en het leek wel voorbestemd. De lantarens gedoofd en de krekels ontketend. Aan de laatste straathoeken streelde ik haar slapende borsten die plotsklaps openbloeiden als ruikers van hyacinten. In mijn oren klonk het alsof haar gesteven onderrok van kostbare zijde was, die door menig mes werd verscheurd. De bomen zijn gegroeid zonder zilverlicht in hun kruinen en een horizon van honden blaft heel ver van de rivier. Voorbij de braamstruiken, de biezen en de meidoorns, heb ik onder haar haardos een kuil in de aarde gemaakt. Ik deed mijn das af. Zij deed haar jurk uit. Ik mijn gordel met revolver. Zij haar vier onderlijfjes. Nardusbloemen noch slakken hebben zulk een fijne huid, en de ruiten in het maanlicht schitteren niet met die glans. Haar dijen ontglipten mij als verschrikte vissen, de ene helft vurig, de andere helft verkleumd. Die nacht reed ik over de allerbeste weg, op een paarlemoeren merrie zonder teugels of beugels. De dingen die ze zei kan ik uit fatsoen niet vertellen. Het gezond verstand noopt mij tot discretie. Besmeurd met kussen en zand bracht ik haar weg van de rivier. De zwaarden van de lelies duelleerden met de wind. Ik gedroeg me zoals ik ben. Als een echte zigeuner. Ik schonk haar een grote naaimand van strogeel satijn, maar verliefd wilde ik niet worden, want zij had al een man ook al zei ze dat ze nog vrij was, toen ik haar meenam naar de rivier. ROMANCE VAN DE ZWARTE SMARTVoor José Navarro PardoDe pikhouwelen van de hanen graven zoekend naar de dageraad, wanneer Soledad Montoya de donkere berg afdaalt. Geel koper haar lijf dat geurt naar paard en schaduw. Berookte aambeelden haar borsten die ronde liederen jammeren. Soledad: naar wie vraag je zonder gezelschap, op dit uur? Ik vraag naar wie ik wil, trouwens gaat jou dat wat aan? Ik kom zoeken wat ik zoek, mijn vreugde en mijn eigen ik. Soledad van mijn smarten, een paard dat op hol slaat rent tenslotte in zee en de golven verzwelgen het. Van de zee wil ik niet horen: de zwarte smart bot uit op de olijfgronden bij geruis van blaren. Soledad, wat heb je een smart! Hoe zielig die smart! Je huilt citroensap zuur van wachten en van mond. Wat een diepe smart! Waanzinnig dool ik door mijn huis, mijn twee vlechten over de grond van de keuken naar het bed. Wat een smart! Ik word gitzwart van lijf en kleren. Ach, mijn linnen hemden! Ach, mijn papaveren dijen! Soledad: was je lichaam met leeuwerikswater, en gun je hart rust, Soledad Montoya. Daar beneden zingt de rivier: strook van hemel en lover. Het nieuwe licht wordt met pompoenbloemen gekroond. O smart van de zigeuners! Klare smart en immer eenzaam. O smart die diep verborgen stroomt en dageraad die nimmer komt. SINT MICHIEL (Granada)Voor Diego Buigas de DalmáuMen ziet vanaf de balustrades in de bergen, bergen, bergen, muilezels en muilezelschaduwen beladen met zonnebloemen. Hun ogen in de schaduwplekken worden dof van mateloze nacht. In de krommingen van de wind ritselt de brakke dageraad. Een hemel van witte muilezels sluit zijn kwikzilveren ogen en geeft aan de kalme schemering een finale van harten. En het water wordt koud opdat niemand het beroert. Wild en open naakt water in de bergen, bergen, bergen. In de nis van zijn toren toont Sint Michiel met kanten getooid zijn mooie dijen tussen lantarens geprangd. De in het middaggebaar getemde Aartsengel veinst een zoete woede van veren en nachtegalen. Sint Michiel zingt in de ruiten; Efebe van drieduizend nachten geurend naar eau de cologne staat hij ver van de bloemen. De zee danst aan het strand, een gedicht van balkons. De oevers van de maan verliezen biezen, krijgen stemmen. Er komen volksmeiden die zonnebloempitten eten, hun konten groot en occult als planeten van koper. Er komen hoge heren te paard en dames met triestig uiterlijk, hun huid is donker van heimwee naar een gisteren van nachtegalen. En de bisschop van Manila saffraanblind en arm, leest de mis voor twee rijen, voor vrouwen en voor mannen. Sint Michiel houdt zich rustig in de nis van zijn toren, zijn rokken overladen met spiegeltjes en sierraden. Sint Michiel, koning van de glazen bollen en van de oneven getallen, in de Berberpracht van kreten en uitkijktorens. SINT RAFAEL (Córdoba)Voor Juan Izquierdo CrosellesI Gesloten koetsen kwamen aan de oevers vol biezen waar de golven een naakte Romeinse torso polijsten. Koetsen die de Guadalquivir op zijn rijp kristal tussen bloemblaadjes en wolkenklanken spreidt. De kinderen weven een lied over wereldse ontgoocheling bij de oude koetsen verloren in de nocturne. Maar Córdoba trilt niet onder het vage mysterie: als de schaduw het gebouw van de rook optrekt, stut een marmeren voet zijn kuise en schrale glans. Bloemblaadjes van slap blik borduren de zuivergrijze tinten van de bries als een sprei over de triomfbogen. En terwijl de brug tien Neptunuszuchten slaakt, vluchten tabakventers door de vervallen muur. II Een enkele vis in het water dat de twee Córdobas verbindt: Blank Córdoba van riet. Córdoba van gebouwen. Op de oever doen kinderen onbewogen hun kleren uit, leerjongens van Tobias en Merlijnen in hun middel, ze verstoren de vis en vragen ironisch wat hij verkiest: wijnbloemen of maansikkelsalto's. Maar de vis die het water verguldt en het marmer in rouw dompelt, leert hen de les en het evenwicht van een eenzame zuil. De Aartsengel met donkere Spaanse en Moorse pailletten, zocht in de woelige golven gefluister en bakermat. Een enkele vis in het water. Twee Córdobas van schoonheid. Córdoba gebroken in stralen. Hemels schraal Córdoba. SINT GABRIËL (Sevilla)Voor D. Agustin ViñualesI Een knappe jongeling, rank als riet, brede schouders, slanke taille, huid van een nachtelijke appel, droeve mond en grote ogen, pezen van hitsig zilver, doolt door de verlaten straat. Zijn lakleren schoenen vertrappen de dahlia's van de wind, op het dubbele ritme, het lied van kort en hemels verdriet. Langs de hele zeekust staat geen palm die hem evenaart, noch gekroonde keizer noch rijzende ster. Als hij zijn hoofd buigt naar zijn borst van jaspis, zoekt de nacht vlakten om neer te knielen. De gitaren klinken alleen voor de Aartsengel Gabriël, temmer van duifjes en vijand van treurwilgen. Sint Gabriël: het kindje weent in de buik van zijn moeder. Vergeet niet dat de zigeuners jou je kledij schonken. Annuntiata van de Wijzen, sjofel gekleed maar uitverkoren, opent de deur voor de ster die voorbijkwam in haar straat. De Aartsengel Sint Gabriël tussen lelie en glimlach, achterkleinkind van de Giralda, bracht haar een bezoek. In zijn geborduurde vest trillen verborgen krekels. De sterren van de nacht veranderden in klokbloemen. Sint Gabriël: Ziehier drie nagels van vreugde. Je schittering opent jasmijnen op mijn gloeiend gezicht. God zegent je, Annuntiata. Verrukkelijke Moriaanse. Je zal een zoon baren mooier dan de halmen van de wind. O, Sint Gabriël, mijn oogappel! Mijn allerliefste Gabriël! Je neer te zetten op een stoel van anjers, dat is mijn droom. God zegent je, Annuntiata, sjofel gekleed maar uitverkoren. Op zijn borst zal je zoon een maanvlek en drie wonden dragen. O, Sint Gabriël wat schitter je! Liefste Gabriël van mijn hart! Diep in mijn borsten welt al de lauwe melk. God zegent je, Annuntiata. Moeder van honderd koningshuizen. Dor fonkelen je ogen, als ruiterlandschappen. Het kindje zingt in de schoot van de verbaasde Annunciata. Drie groene amandelkogels trillen in zijn stemmetje. Sint Gabriël klom al op een ladder ten hemel. De sterren van de nacht veranderden in immortellen. AANHOUDING VAN ANTOÑITO EL CAMBORIO
Voor Margarita Xirgu |


Statist. Garcia Lorca