IPhone & Smartphone compatibel
Federico Garcia Lorca - Zigeunerromances
F. Garcia Lorca
Federico Garcia Lorca
(1898 1936)
Spaans dichter en toneelschrijver
Zigeunerromances

Romance van de maan

Preciosa en de wind

Twist

Slaapwandelromance

De zigeunernon

De ontrouwe echtgenote

Romance van de zwarte smart

Sint Michiel

Sint Rafaël

Sint Gabriël

Aanhouding van A. el Camborio

Dood van A. el Camborio

Gestorven uit liefde

Romance van de gedagvaarde

Romance van de Guardia Civil


ROMANCE VAN DE MAAN

                                Voor Conchita Garcia Lorca

Naar de smidse kwam de maan
gesluierd met tuberozen aan.
Het kindje staart, staart haar aan.
Het kindje staat haar aan te staren.
In de bewogen lucht
schudt de maan haar armen
en toont ze, wulps en kil,
haar borsten van hard tin.
Vlucht maan, maan, maan.
Als de zigeuners komen
maken ze met je hart
witte kettingen en ringen.
Kindje, laat me dansen.
Als de zigeuners komen,
zullen ze je met gesloten oogjes
op het aambeeld vinden.
Vlucht maan, maan, maan,
ik hoor hun paarden al.
Kindje, laat me, trap niet
op mijn gesteven wit.
Nader kwam de ruiter
roffelend de trom van de vlakte.
In de smidse houdt het kindje
zijn ogen gesloten.
Door de olijfgaard kwamen
de zigeuners, brons en droom.
Met geheven hoofden
en halfgesloten ogen.
Wat roept de nachtuil,
jee, wat roept hij in de boom!
Door de hemel gaat de maan
met een kindje aan haar hand.
In de smidse huilen
krijsend de zigeuners.
De wind waakt, waakt over haar.
De wind staat bij haar te waken.

Naar boven => Index Zigeunerromances

PRECIOSA EN DE WIND

                                Voor Dámaso Alonso

Preciosa komt roffelend
op haar perkamenten maan,
over een tweeslachtig pad
van kristallen en laurieren.
De sterrenloze stilte,
vluchtend voor het geroffel,
valt waar de zee kolkt
en haar nacht vol vissen zingt.
Op de toppen van de bergen
slapen de fuseliers,
wakend over de witte torens
waar de Engelsen wonen.
En de zigeuners van het water
bouwen om zich te vermaken
prieeltjes van schelpen
en groene pijnboomtakken.

Preciosa komt roffelend
op haar perkamenten maan.
Bij haar aanblik is de wind,
die nooit slaapt, opgestoken.
De naakte Sint Kristoffel zwelt,
terwijl hij loert naar het meisje
en met hemelse vlammentongen
op een onzichtbare fluit speelt.

Meisje, doe je jurk omhoog
want ik wil naar je kijken.
Open tussen mijn oude vingers
de blauwe roos van je buik.
Preciosa werpt de tamboerijn weg
en rent zonder verpozen.
De geile windman gaat haar
achterna met hitsig zwaard.

De donkere zee bruist.
De olijfbomen verbleken.
De schaduwfluiten zingen samen
met de stomme gong van de sneeuw.

Ren, Preciosa, ren,
of de groene wind pakt je!
Ren, Preciosa, ren!
Kijk vanwaar hij komt!
Sater van lage sterren
met zijn blinkende tongen.

Angstig gaat Preciosa
binnen in het huis
van de Engelse consul,
boven de pijnbomen.

Opgeschrikt door de kreten
komen drie fuseliers aangelopen,
hun zwarte mantels strak om het lijf,
hun mutsen diep over de slapen.

De Engelsman geeft de zigeunerin
een glas lauwe melk
en een glaasje gin
dat Preciosa laat staan.

En terwijl zij in tranen
haar avontuur vertelt aan die lui,
verbijt de woedende wind
zich op de leien van het dak.

Naar boven => Index Zigeunerromances

TWIST

                                Voor Rafael Méndez

In het midden van het ravijn
schitteren als vissen,
de mooie messen van Albacete
vol vijandelijk bloed.
Een scherp kaartspellicht
knipt in het felle groen
onstuimige paarden
en ruiterprofielen uit.
In de kruin van een olijfboom
wenen twee oude vrouwen.
De stier van de twist
stormt tegen de muren op.
Zwarte engelen brachten
zakdoeken en sneeuwwater mee.
Engelen met grote vleugels
van messen uit Albacete.
Juan Antonio uit Montilla
rolt dood de helling af,
zijn lichaam vol irissen
en granaatappels op zijn slapen.
Nu bestijgt hij een kruis van vuur
op weg naar de dood.

Vergezeld van een guardia civil
komt de rechter langs de olijfgaarden.
Glibberig bloed kermt
sprakeloos slangenlied.
Heren van de guardia civil:
hier gebeurde het oude verhaal.
Vier Romeinen en vijf Carthagers
vonden hier de dood.

De avond dol van vijgenbomen
en van hitsige geluiden
bezwijmt op de gewonde
dijen van de ruiters.
En zwarte engelen vlogen
door de avondlucht.
Engelen met lange vlechten
en harten van olie.

Naar boven => Index Zigeunerromances

SLAAPWANDELROMANCE

                           Voor Gloria Giner en Fernando de los Rios

Groen ik hou zo van je groen.
Groen de wind en groen de takken.
Het schip op de zee
en het paard in de bergen.
Met haar middel in de schaduw
droomt zij aan haar balustrade
groen van leden, groen van haren,
ogen van koud zilver.
Groen ik hou zo van je groen.
Onder de gitaanse maan
staren haar de dingen aan,
die zij niet kan zien.

Groen ik hou zo van je groen.
Grote sterren van rijp
vergezellen de schaduwvis
die de weg baant voor de ochtend.
De vijgenboom wrijft zijn wind
met het schuurpapier van zijn takken,
en de berg, een wilde kat,
zet haar stekelige agaven op.
Maar wie komt daar aan? En vanwaar?...
Zij blijft aan haar balustrade staan
groen van leden, groen van haren,
dromend van de bittere zee.
Makker, ik wil ruilen,
mijn paard voor je huis,
mijn zadel voor je spiegel,
mijn mes voor je deken.
Makker, ik kom bloedend
uit de passen van Cabra.
Als ik kon, jongeman,
sloten wij dit contract af.
Maar ik ben mezelf niet meer
en mijn huis is niet langer mijn huis.
Makker, ik wil fatsoenlijk
sterven in mijn bed.
Een van staal, als 't kan,
met fijnlinnen lakens.
Zie je de wonde niet die ik
heb van borst tot keel?
Je witte overhemd draagt
driehonderd donkere rozen.
Je bloed doordrenkt je gordelband
en verspreidt zijn geur.
Maar ik ben mezelf niet meer
en mijn huis is niet langer mijn huis.
Laat me tenminste omhooggaan
naar de hoge balustraden,
laat me omhooggaan! omhoog
naar de groene balustraden.
Relingen van de maan
waarlangs het water neervalt.

De twee makkers klommen al
omhoog naar de hoge balustraden.
Achter hen een spoor van bloed.
Achter hen een spoor van tranen.
Op de daken trilden
blikken lantaarntjes.
Duizend kristallen tamboerijnen
verwondden de ochtend.

Groen, ik hou zo van je groen,
groen de wind en groen de takken.
De twee makkers gingen omhoog.
De hevige wind had
in hun mond een rare smaak
van gal, munt en basilicum.
Makker, waar is zij, zeg mij,
waar is je bittere meisje?
Hoe vaak heeft ze op je gewacht!
Hoe vaak had ze op je gewacht,
fris van gezicht, zwart van haren,
op die groene balustrade!

Op het gelaat van de regenput
dreef wiegend de zigeunerin.
Groen van leden, groen van haren,
met ogen van koud zilver.
Een ijspegel van maan
houdt haar op het water vast.
De nacht werd intiem
als een pleintje.
Dronken guardias civiles
bonsden op de deur.
Groen ik hou zo van je groen.
Groen de wind en groen de takken.
Het schip op de zee.
En het paard in de bergen.

Naar boven => Index Zigeunerromances

DE ZIGEUNERNON

                               Voor José Moreno Villa

Stilte van witkalk en mirte.
Kaasjeskruid in de kruidentuin.
De non borduurt violieren
op een strogeel doek.
In de grijze luchter vliegen
zeven vogels van het prisma.
In de verte gromt de kerk
als een beer op zijn rug.
Wat borduurt zij mooi! Hoe fraai!
Op het strogele doek
wil zij de bloemen
van haar fantasie borduren.
Wat een zonnebloem! Wat een magnolia
van pailletten en linten.
Wat een saffraantjes, wat een maantjes
op de altaardwaal!
Vijf pompelmoezen versuikeren
vlakbij in de keuken.
De vijf wonden van Christus
in Alméria geoogst.
In de ogen van de non
galopperen twee ruiters.
Een verre gesmoorde zucht
maakt haar hemd los,
en terwijl ze in verstarde verten
naar wolken en bergen staart,
breekt haar hart
van suiker en citroenverbena.
O, wat een steile vlakte
met twintig zonnen erboven.
Wat een rechtopstaande stromen
dagen in haar fantasie!
Toch gaat zij verder met haar bloemen,
terwijl rechtop, in de bries,
het licht schaakspeelt
hoog in het zonnescherm.

Naar boven => Index Zigeunerromances

DE ONTROUWE ECHTGENOTE

                  Voor Lydia Cabrera en haar negerinnetje

En ik nam haar mee naar de rivier,
denkend dat zij nog vrij was,
maar zij had al een man.
Het was op Sint-Jacobsnacht
en het leek wel voorbestemd.
De lantarens gedoofd
en de krekels ontketend.
Aan de laatste straathoeken
streelde ik haar slapende borsten
die plotsklaps openbloeiden
als ruikers van hyacinten.
In mijn oren klonk het
alsof haar gesteven onderrok
van kostbare zijde was,
die door menig mes werd verscheurd.
De bomen zijn gegroeid
zonder zilverlicht in hun kruinen
en een horizon van honden
blaft heel ver van de rivier.

Voorbij de braamstruiken,
de biezen en de meidoorns,
heb ik onder haar haardos
een kuil in de aarde gemaakt.
Ik deed mijn das af.
Zij deed haar jurk uit.
Ik mijn gordel met revolver.
Zij haar vier onderlijfjes.
Nardusbloemen noch slakken
hebben zulk een fijne huid,
en de ruiten in het maanlicht
schitteren niet met die glans.
Haar dijen ontglipten mij
als verschrikte vissen,
de ene helft vurig,
de andere helft verkleumd.
Die nacht reed ik
over de allerbeste weg,
op een paarlemoeren merrie
zonder teugels of beugels.
De dingen die ze zei
kan ik uit fatsoen niet vertellen.
Het gezond verstand
noopt mij tot discretie.
Besmeurd met kussen en zand
bracht ik haar weg van de rivier.
De zwaarden van de lelies
duelleerden met de wind.

Ik gedroeg me zoals ik ben.
Als een echte zigeuner.
Ik schonk haar een grote naaimand
van strogeel satijn,
maar verliefd wilde ik niet worden,
want zij had al een man
ook al zei ze dat ze nog vrij was,
toen ik haar meenam naar de rivier.

Naar boven => Index Zigeunerromances

ROMANCE VAN DE ZWARTE SMART

                               Voor José Navarro Pardo

De pikhouwelen van de hanen
graven zoekend naar de dageraad,
wanneer Soledad Montoya
de donkere berg afdaalt.
Geel koper haar lijf
dat geurt naar paard en schaduw.
Berookte aambeelden haar borsten
die ronde liederen jammeren.
Soledad: naar wie vraag je
zonder gezelschap, op dit uur?
Ik vraag naar wie ik wil,
trouwens gaat jou dat wat aan?
Ik kom zoeken wat ik zoek,
mijn vreugde en mijn eigen ik.
Soledad van mijn smarten,
een paard dat op hol slaat
rent tenslotte in zee
en de golven verzwelgen het.
Van de zee wil ik niet horen:
de zwarte smart bot uit
op de olijfgronden
bij geruis van blaren.
Soledad, wat heb je een smart!
Hoe zielig die smart!
Je huilt citroensap
zuur van wachten en van mond.
Wat een diepe smart! Waanzinnig
dool ik door mijn huis,
mijn twee vlechten over de grond
van de keuken naar het bed.
Wat een smart! Ik word
gitzwart van lijf en kleren.
Ach, mijn linnen hemden!
Ach, mijn papaveren dijen!
Soledad: was je lichaam
met leeuwerikswater,
en gun je hart rust,
Soledad Montoya.

Daar beneden zingt de rivier:
strook van hemel en lover.
Het nieuwe licht wordt
met pompoenbloemen gekroond.
O smart van de zigeuners!
Klare smart en immer eenzaam.
O smart die diep verborgen stroomt
en dageraad die nimmer komt.

Naar boven => Index Zigeunerromances

SINT MICHIEL (Granada)

                         Voor Diego Buigas de Dalmáu

Men ziet vanaf de balustrades
in de bergen, bergen, bergen,
muilezels en muilezelschaduwen
beladen met zonnebloemen.

Hun ogen in de schaduwplekken
worden dof van mateloze nacht.
In de krommingen van de wind
ritselt de brakke dageraad.

Een hemel van witte muilezels
sluit zijn kwikzilveren ogen
en geeft aan de kalme schemering
een finale van harten.
En het water wordt koud
opdat niemand het beroert.
Wild en open naakt water
in de bergen, bergen, bergen.

In de nis van zijn toren
toont Sint Michiel met kanten
getooid zijn mooie dijen
tussen lantarens geprangd.
De in het middaggebaar
getemde Aartsengel
veinst een zoete woede
van veren en nachtegalen.
Sint Michiel zingt in de ruiten;
Efebe van drieduizend nachten
geurend naar eau de cologne
staat hij ver van de bloemen.
De zee danst aan het strand,
een gedicht van balkons.
De oevers van de maan
verliezen biezen, krijgen stemmen.
Er komen volksmeiden
die zonnebloempitten eten,
hun konten groot en occult
als planeten van koper.
Er komen hoge heren te paard
en dames met triestig uiterlijk,
hun huid is donker van heimwee
naar een gisteren van nachtegalen.
En de bisschop van Manila
saffraanblind en arm,
leest de mis voor twee rijen,
voor vrouwen en voor mannen.

Sint Michiel houdt zich rustig
in de nis van zijn toren,
zijn rokken overladen
met spiegeltjes en sierraden.
Sint Michiel, koning van de glazen bollen
en van de oneven getallen,
in de Berberpracht
van kreten en uitkijktorens.

Naar boven => Index Zigeunerromances

SINT RAFAEL (Córdoba)

                              Voor Juan Izquierdo Croselles

I

Gesloten koetsen kwamen
aan de oevers vol biezen
waar de golven een naakte
Romeinse torso polijsten.
Koetsen die de Guadalquivir
op zijn rijp kristal
tussen bloemblaadjes
en wolkenklanken spreidt.
De kinderen weven een lied
over wereldse ontgoocheling
bij de oude koetsen
verloren in de nocturne.
Maar Córdoba trilt niet
onder het vage mysterie:
als de schaduw het gebouw
van de rook optrekt,
stut een marmeren voet
zijn kuise en schrale glans.

Bloemblaadjes van slap blik
borduren de zuivergrijze
tinten van de bries als een sprei
over de triomfbogen.
En terwijl de brug
tien Neptunuszuchten slaakt,
vluchten tabakventers
door de vervallen muur.

II

Een enkele vis in het water
dat de twee Córdobas verbindt:
Blank Córdoba van riet.
Córdoba van gebouwen.
Op de oever doen kinderen
onbewogen hun kleren uit,
leerjongens van Tobias
en Merlijnen in hun middel,
ze verstoren de vis
en vragen ironisch
wat hij verkiest: wijnbloemen
of maansikkelsalto's.
Maar de vis die het water verguldt
en het marmer in rouw dompelt,
leert hen de les en het evenwicht
van een eenzame zuil.
De Aartsengel met donkere
Spaanse en Moorse pailletten,
zocht in de woelige golven
gefluister en bakermat.

Een enkele vis in het water.
Twee Córdobas van schoonheid.
Córdoba gebroken in stralen.
Hemels schraal Córdoba.

Naar boven => Index Zigeunerromances

SINT GABRIËL (Sevilla)

                          Voor D. Agustin Viñuales

I

Een knappe jongeling, rank als riet,
brede schouders, slanke taille,
huid van een nachtelijke appel,
droeve mond en grote ogen,
pezen van hitsig zilver,
doolt door de verlaten straat.
Zijn lakleren schoenen
vertrappen de dahlia's van de wind,
op het dubbele ritme, het lied
van kort en hemels verdriet.
Langs de hele zeekust
staat geen palm die hem evenaart,
noch gekroonde keizer
noch rijzende ster.
Als hij zijn hoofd buigt
naar zijn borst van jaspis,
zoekt de nacht vlakten
om neer te knielen.
De gitaren klinken alleen
voor de Aartsengel Gabriël,
temmer van duifjes
en vijand van treurwilgen.
Sint Gabriël: het kindje weent
in de buik van zijn moeder.
Vergeet niet dat de zigeuners
jou je kledij schonken.

Annuntiata van de Wijzen,
sjofel gekleed maar uitverkoren,
opent de deur voor de ster
die voorbijkwam in haar straat.
De Aartsengel Sint Gabriël
tussen lelie en glimlach,
achterkleinkind van de Giralda,
bracht haar een bezoek.
In zijn geborduurde vest
trillen verborgen krekels.
De sterren van de nacht
veranderden in klokbloemen.
Sint Gabriël: Ziehier
drie nagels van vreugde.
Je schittering opent jasmijnen
op mijn gloeiend gezicht.
God zegent je, Annuntiata.
Verrukkelijke Moriaanse.
Je zal een zoon baren mooier
dan de halmen van de wind.
O, Sint Gabriël, mijn oogappel!
Mijn allerliefste Gabriël!
Je neer te zetten op een stoel
van anjers, dat is mijn droom.
God zegent je, Annuntiata,
sjofel gekleed maar uitverkoren.
Op zijn borst zal je zoon
een maanvlek en drie wonden dragen.
O, Sint Gabriël wat schitter je!
Liefste Gabriël van mijn hart!
Diep in mijn borsten
welt al de lauwe melk.
God zegent je, Annuntiata.
Moeder van honderd koningshuizen.
Dor fonkelen je ogen,
als ruiterlandschappen.

Het kindje zingt in de schoot
van de verbaasde Annunciata.
Drie groene amandelkogels
trillen in zijn stemmetje.

Sint Gabriël klom al
op een ladder ten hemel.
De sterren van de nacht
veranderden in immortellen.

Naar boven => Index Zigeunerromances

AANHOUDING VAN ANTOÑITO EL CAMBORIO
                OP DE WEG NAAR SEVILLA

                                   Voor Margarita Xirgu

Antonio Torres Heredia,
zoon en kleinzoon der Camborios,
gaat met een wilgenwis in zijn hand
naar het stierengevecht in Sevilla.
Met zijn huid van olijfgroene maan
stapt hij traag en zwierig.
Zijn staalblauwe krullen
glanzen op zijn voorhoofd.
Toen hij halverwege was
plukte hij ronde citroenen
en wierp ze in het water
tot het goudkleurig werd.
En halverwege
onder de takken van een olm,
werd hij opgebracht,
tussen guardia civiles.

Traag gaat de dag voorbij
hij zeult de avond op zijn schouder
en zwaait zijn stierenvechtersjas
over de zee en de rivieren.
De olijven maken zich klaar
voor de nacht van de Steenbok,
en een zacht briesje zit te paard
op de bergtoppen van lood.
Antonio Torres Heredia,
zoon en kleinzoon der Camborios,
stapt zonder wilgenwis
tussen de vijf driesteken.

Antonio wie ben jij?
Als je Camborio zou heten,
dan liet je een bloedbron
met vijf stralen ontstaan.
Je bent niemands zoon,
geen echte Camborio.
Afgedaan hebben de zigeuners
die alleen door de bergen trokken!
De oude messen liggen
te sidderen onder het stof.

Om negen uur 's avonds
brengen ze hem naar de cel,
terwijl de guardias civiles
limonade drinken.
En om negen uur 's avonds
vergrendelen ze de cel,
terwijl de hemel glanst
als de kont van een veulen.

Naar boven => Index Zigeunerromances

DOOD VAN ANTOÑITO EL CAMBORIO

                              Aan José Antonio Rubio Sacristán

Stemmen van dood weerklonken
langs de Guadalquivir.
Oude stemmen omsingelen
de viriele anjerstem.
Hij spijkerde op hun laarzen
slagtanden van everzwijn.
In de strijd sprong hij rond
als een gladde dolfijn.
Zijn karmozijnrode das
drenkte hij in vijandig bloed,
maar onder vier dolken
moest hij bezwijken.
Als de sterren lansen
spietsen in het grijze water,
als de jonge stieren dromen
van veronica's van violier:
stemmen van dood weerklonken
langs de Guadalquivir.

Antonion Torres Heredia,
Camborio met stugge manen,
huid van olijfgroene maan,
viriele anjerstem:
Wie heeft jou vermoord
aan de Guadalquivir?
Mijn vier neven Heredia,
zonen van Benameji.
Wat ze anderen gunden,
misgunden ze mij.
Bruinpaarse schoenen,
ivoren medaillons,
en deze huid gebalsemd
met olijf en jasmijn.
Ach, Antoñito el Camborio
jij verdient een keizerin!
Verzoen je met de Maagd
want je gaat sterven.
Ach, Federico Garcia!
roep de Guardia Civil.
Mijn rug is al geknakt
als een stengel van maïs.

Het bloed gutste driemaal
toen hij stierf in profiel.
Levend muntstuk dat nooit meer
wordt herslagen.
Een vrolijke engel legde
zijn hoofd op een kussen.
Anderen met vermoeid schaamrood
staken een olielamp aan.
En toen de vier neven
aankwamen in Benameji,
verstomden stemmen van dood
langs de Guadalquivir.

Naar boven => Index Zigeunerromances

GESTORVEN UIT LIEFDE

                                  Voor Margarita Manso

Wat schittert daar toch
langs de hoge gaanderijen?
Sluit de deur, mijn zoon,
het sloeg net elf uur.
Zonder kwaad opzet schitteren
vier lantaarns in mijn ogen.
Wellicht zijn de buren
bezig met de koperpoets?

De afnemende maan,
zieltogende zilveren lookteen,
tooit de gele torens
met gele pruiken.
De nacht tikt huiverend
op de ruiten van de balkons,
achtervolgd door de duizend
honden die haar niet kennen,
en een geur van wijn en amber
komt uit de gaanderijen.

Briesjes van nat riet
en gerucht van oude stemmen
weerklonken onder de gebroken
boog van middernacht.
Ossen en rozen sliepen.
In de gaanderijen niets dan
de vier lichten die tierden
met Sint-Joriswoede.
Droevige vrouwen uit het dal
brachten zijn mannenbloed beneden,
rustig van afgesneden bloem
en bitter van jonge dij.
Oude vrouwen van de rivier
weenden aan de voet van de berg,
een onbegaanbare minuut
van haren en namen.
Witgekalkte gevels kaderen
in wit vierkant de nacht.
Serafijnen en zigeuners
speelden accordeon.
Moeder, als ik sterf,
waarschuw dan de heren.
Stuur blauwe telegrammen
van zuid naar noord.
Zeven kreten, zeven stralen bloed,
zeven dubbele papaverbollen
reten grauwe manen open
in de sombere salons.
Bedekt met afgehakte handen
en bloemenkroontjes,
weerklonk de vloekende zee,
van ik weet niet waar.
En de hemel sloeg met deuren
terwijl het bos plots ruiste
en de lichten jammerden
in de hoge gaanderijen.

Naar boven => Index Zigeunerromances

ROMANCE VAN DE GEDAGVAARDE

                                  Voor Emilio Aladrén

Mijn eenzaamheid zonder rust!
Kleine ogen van mijn lichaam
en grote van mijn paard
sluiten zich niet tijdens de nacht
noch kijken ze naar de andere kant
waar een droom van dertien schepen
zich rustig verwijdert.
Maar helder en scherp
als wakkere schildknapen
turen mijn ogen naar een noorden
van metalen en steile rotsen,
waar mijn lichaam zonder aders
ijzige speelkaarten leest.

De zware waterossen
vallen de jongens aan
die baden in de maansikkels
van hun golvende horens.
En de hamers bezongen
op slaapwandelende aambeelden,
de slapeloosheid van de ruiter
en de slapeloosheid van het paard.

Op vijfentwintig juni
zeiden ze aan de Bittere:
Als je al zin hebt, mag je
de oleanders van je patio rooien.
Schilder een kruis op de deur
en zet je naam eronder,
want straks botten brandnetels
en dollekervel uit je zijde,
en naalden van natte kalk
zullen aan je schoenen vreten.
Het zal nacht zijn en donker
in de bedreigende bergen
waar de ossen van het water
dromerig biezen drinken.
Vraag om kaarsen en klokken.
Leer je handen vouwen,
en proef de kille wind
van metalen en steile rotsen.
Want over twee maanden
lig je opgebaard.

Santiago zwaait het slagzwaard
van een nevelvlek in de lucht.
Ernstige noodlottige stilte
viel uit de kromgetrokken hemel.

Op vijfentwintig juni
opende de Bittere zijn ogen nog,
en op vijfentwintig augustus
ging hij liggen en deed ze toe.
Mannen daalden de straat af
om de gedagvaarde te zien,
die naar de muur staarde
met zijn eenzaamheid in rust.
En het vlekkeloze laken,
in strenge Romeinse plooi,
legde de dood in evenwicht
in zijn lijnrechte linnen.

Naar boven => Index Zigeunerromances

ROMANCE VAN DE SPAANSE GUARDIA CIVIL

Voor Juan Guerrero
Consul-Generaal van de poëzie

In lichterlaaie

Zwart zijn de paarden.
Zwart zijn de hoefijzers.
Op de kapmantels blinken
vlekken van inkt en van was.
Hun doodskoppen zijn van lood,
want tranen kennen ze niet.
Met hun lakleren ziel
komen ze langs de hoofdweg.
Gebocheld en nachtelijk
animeren zij en verordenen
stiltes van donker rubber
en angst voor stuifzand.
Ze gaan waar hun wil is
en in hun hoofd schuilt
een wazige astronomie
van vage pistolen.

O stad van de zigeuners !
Vlaggen op de straathoeken.
Maan en kalebas
met ingemaakte kersen.
O stad van de zigeuners !
Wie zag je, wie heeft je vergeten ?
Stad van leed en muskus
met torens van kaneel.

Toen viel de nacht,
de nacht, de nachtelijke nacht,
en de zigeuners smeedden zonnen
en pijlen in hun smidsen.
Dodelijk gewond bonkte
een paard op alle deuren.
Hanen van glas kraaiden
in Jerez de la Frontera.
De naakte wind draait
om de verraste straathoek,
in de nachtzilveren nacht,
de nacht, de nachtelijke nacht.

De Maagd en Sint Jozef
verloren hun castagnetten,
ze zoeken de zigeuners
om te zien of zij hen kunnen vinden.
De maagd gaat gekleed
als een burgemeesteres
in kleren van chocolawikkels
met halssnoeren van amandelen.
Sint Jozef beweegt zijn armen
onder een zijden mantel.
Gevolgd door Pedro Domecq
met drie Perzische sultans.
De halvemaan droomde
als een ooievaar in extase.
Standaarden en lantaarns
veroveren de dakterrassen.
Heuploze danseressen
snikken in spiegels.
Water en schaduw, schaduw en water
in Jerez de la Frontera.

O stad van de zigeuners !
Vlaggen op de straathoeken.
Doof je groene lichten
want daar komt de verdienstelijke guardia.
O stad van de zigeuners !
Wie zag je, wie zou je vergeten ?
Dat ze wegblijft van de zee,
zonder sierkam voor haar lokken.

Twee aan twee naderen ze
de feestende stad.
Het geritsel van strobloemen
verovert de patroongordels.
Ze naderen twee aan twee.
Hun mantels twee keer nachtelijk.
De hemel stellen ze zich voor
als een etalage van sporen.

Zonder vrees heeft de stad
haar poorten vermenigvuldigd.
Veertig guardias civiles
stormen plunderend binnen.
De horloges vallen stil
en de cognac in de flessen
vermomt zich in november
om geen argwaan te wekken.
Een vlucht lange kreten
stijgt uit de windwijzers op.
De sabels klieven de briezen
die de hoeven vertrappelen.
Langs de schemerige straten
vluchten de oude zigeunerinnen
met de suffige paarden
en de muntpotten van klei.
Langs de steile straten
klimmen de onheilspellende mantels.
met vluchtig wervelende
scharen in hun spoor.
In de stal van Betlehem
komen de zigeuners samen.
Sint Jozef is overal gewond
en legt een meisje af.
Koppige scherpe schoten
weerklinken de hele nacht.
Met sterrenspeeksel
heelt de Maagd de kinderen.
Maar de Guardia Civil nadert
en zaait brandstapels,
waarop jong en naakt,
de verbeelding in lichterlaaie staat.
Rosa van de Camborios huilt
en zit voor haar deur
met haar twee afgehakte
borsten op een schaal.
En andere meisjes lopen,
achtervolgd door hun vlechten,
in een lucht waarin rozen ontploffen
van zwart buskruit.
Toen alle daken
voren werden in de grond,
wiegde de dageraad zijn schouders
in een lang profiel van steen.

O stad van de zigeuners !
De Guardia Civil verdwijnt
in een tunnel van stilte,
terwijl jij omringd wordt door vlammen.

O stad van de zigeuners !
Wie zag je, wie zou je vergeten ?
Op mijn voorhoofd moeten ze jou zoeken.
Spel van maan en zand.


© Vertaald door Lepus


Naar boven => Index Zigeunerromances


F.G. Lorca - Liefdesgedichten (Nederlands)


F.G. Lorca - Laatste sonnetten (Nederlands)


F.G. Lorca - Boompje boompje (Nederlands)


F.G. Lorca - De dichter vraagt zijn lief... (Nederlands)


F.G. Lorca - Colección de poemas (Español)


F.G. Lorca - Gacelas (Español)


F.G. Lorca - Amor (Español)


Terug naar vertalingen


Nederlandse dichters


Vlaamse dichters


Dead Poets Society



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 10-01-2007.
Laatste wijziging: 16-08-2017.

E-mail: webmaster