DE LORELEY
Ik weet niet wat de reden is,
Waarom ik zo treurig moet zijn;
Een sprookje van lang geleden,
Maalt steeds maar door mijn brein.
De lucht is koel en het donkert
En rustig stroomt de Rijn;
Zie hoe de bergtop flonkert
In de avondzonneschijn.
De mooie jonkvrouw zit er
Daarboven betoverend bij;
Haar gouden opschik schittert
En haar gouden haar kamt zij.
Zij kamt zinnelijk zingend,
Met een gouden kam heur haar;
Haar loklied is dwingend,
De melodie is wonderbaar.
Op het scheepje kijkt de schipper
-Of hem wilde weemoed bevloog-
Niet langer naar de klippen,
Maar staart alleen nog omhoog.
Ik geloof dat boot en schipper
Toen in de golven zijn vergaan;
En dat heeft met haar zingen
De Loreley gedaan.
Heinrich Heine
© Vertaling van Lepus
LORELEY
Kom aan mijn borst
kom aan mijn borst
daar rust gij aan een lijf
dat eenzaam is een bedden van uw eenzaamheid
en eenzaam spelen uwe vingers
langs het ontwarren van lange wier
Achter de spiegel die verdrijft
de onbestendigheid der dingen
valt van uw handen het verlangen
aan mijn opalen huid verglijdend
een wezenloze droom
kom aan mijn borst
bed in mijn eenzaam' armen
uw eenzaam lijf
Paul Van Ostaijen
Uit "Nagelaten gedichten" |