
"Les chansons de Bilitis"
Bloemlezing

DE PANSFLUITVoor het feest der Hyacinten,gaf hij mij een pansfluit van welgesneden riet, geplakt met blanke was die zacht aan mijn lippen is als honing. Hij leert mij spelen, terwijl ik op zijn knieën zit; Maar ik beef een beetje. Na mij speelt hij erop, zo zacht dat ik het nauwelijks hoor. Wij hoeven mekaar niets te zeggen, zo dicht zijn we nu bij elkaar; Maar onze wijsjes vragen antwoord, en beurt om beurt verenigen onze monden zich op de fluit. Het is al laat; Het gekwaak van de groene kikkers begint als de avond valt. Mijn moeder zal nooit geloven dat ik zo lang wegbleef om mijn verloren gordel te zoeken. DE HAARDOSHij sprak tot mij: "Vannacht heb ik gedroomd.Ik had jouw haardos om mijn hals. Ik had je haren als een zwart halssnoer rond mijn nek en op mijn borst. Ik streelde ze, en het waren de mijne; En zo waren we voor altijd verbonden, met dezelfde haardos, mond aan mond, zoals twee laurieren soms één wortel hebben. En geleidelijk, scheen het mij toe, -zo waren onze leden verstrengeld- dat ik jou zelf werd, of dat jij bij mij binnendrong zoals mijn droom." En dit gezegd zijnde, legde hij zacht zijn handen op mijn schouders, en hij keek mij aan met een zo tedere blik, dat ik huiverend mijn ogen neersloeg. HET GRAF DER NAJADENIk liep door het witberijpte bos;Mijn haren voor mijn mond bloeiden met kleine ijspegels, en mijn sandalen waren zwaar van slijkerige en kleverige sneeuw. Hij zei mij: "Wat zoek je?" Ik volg het spoor van de sater. Zijn gevorkte stapjes wisselen als gaten in een witte mantel. Hij zei mij: "De saters zijn dood. De saters en de nimfen ook. Sinds dertig jaar was de winter niet zo streng. Het spoor dat je ziet is dat van een bok. Maar laten we hier blijven, waar hun graf is." En met het ijzer van zijn hak brak hij het ijs van de bron waar ooit de najaden lachten. Hij nam grote koude stukken, en ze opheffend naar de vale hemel, keek hij er doorheen. najade: waternimf DE BORSTEN VAN MNASIDIKAOmzichtig deed zij met één hand haar tunica openen reikte mij haar zachte bloedwarme borsten, zoals men aan de godin een koppel levende tortelduiven offert. 'Bemin ze vurig', zei ze, 'want ik bemin ze zo! Het zijn echte schatjes, kleine kleuters. Als ik alleen ben zorg ik voor hen. Ik speel met ze en schenk ze plezier. Ik baad ze in koele melk en poeder ze met bloemen. Mijn fijne haren drogen hen en zijn teder aan hun knopjes. Ik streel ze huiverig als ik ze te slapen leg in zachte wol. Lieveling wees jij hun zuigeling, want nooit zal ik kinderen baren en omdat ze zo ver zijn van mijn mond, kun jij ze kussen geven in mijn naam.' DE KUSIk zal de lange zwarte vleugels van je nek kussenvan voor tot achter, o mijn zoete vogel, gevangen duif wier hart bonst onder mijn hand. Ik zal je lippen tussen mijn lippen nemen, zoals een kind zuigt aan de moederborst. Huiver!... want de kus dringt heel diep door en volstaat voor de liefde. Ik zal mijn speelzieke tong laten wandelen op je armen, rondom je hals, en ik zal langs je gevoelige flanken waren met de uitgestrekte streling van mijn nagels. Hoor in je oor heel het bruisende geraas van de zee... Mnasidika! je blik doet me pijn. Ik omsluit in mijn kus je oogleden die als gloeiende lippen zijn. ![]() |


