(Nevele 1834 - Nevele 1875) HET GESCHENKIHij trok het schuifken open, Het knaapje stond aan zijn zij, En zag het uurwerk liggen: "Och, Grootvader, geef het mij?" "Ik zal 't u wel eens geven, Toekomende jaar misschien, Als gij wel leert en braaf zijt," Zei de oude, "wij zullen zien." "Toekomend jaar!" sprak het knaapje, "O Grootvader, maar dan zoudt Ge lang reeds kunnen dood zijn; Ge zijt zo ziek en zo oud!" En de oude man stond te peinzen, En hij dacht: "Het is wel waar," En zijn lange vingren streelden Des knaapjes krullend haar. Hij nam het zilvren uurwerk, En de zware keten er bij, En lei ze in de gretige handjes, "'t Komt nog van uw vader," sprak hij. II Daar was een grafje gedolven; De scholieren stonden er rond, En een oude man boog met moeite Nog ene knie naar de grond. Het koele morgenwindje Speelde om zijn haren zacht; Het gele kistje zonk neder: Arm knaapje, wie had dat gedacht! Hij keerde terug naar zijn woning, De oude vader, en weende zo zeer, En lei het zilvren uurwerk In 't oude schuifken weer. DE TWEEDE VROUWIk was der kinderen tweede moeder, En als ik in de woning kwam, Daar stonden ze allen rond hun vader, Gelijk de scheutjes rond de stam. Hij zette 't kleinste op mijne knieën, En lei zijn handjes in de mijn, En zei, dat het mij lief zou hebben, En dat het zou gehoorzaam zijn. Ik ging er mee aan 't open venster, En toonde 't schaapje in het gras, En vroeg hem hoe zijn broerkens heetten, En zei, dat ik zijn moeder was. Het wendde 't hoofd naar de oude vrouwe: Ik zette 't neer en liet hem gaan; Zij sprak er stil en minzaam tegen, Het bleef bij hare zetel staan. Ik ging tot haar en zeide: Moeder; Ik weet niet of zij 't heeft gehoord; Zij keek mij strak en vreemd in de ogen, En stond niet op, en zei geen woord. Hun vader zal het nimmer weten, Wat er toen omging in mijn ziel, En hoe de stilte van de kinderen, Als een verwijt op 't hert mij viel. Ik heb hen al tot mij doen komen En hen gestreeld, en hen gekust; Maar 't scheen of mij hun moeder toeriep: "Och, laat mijn kinderen toch in rust!"Uit 'Gedichten' 1870 DE VREEMDELING't Was lang, zo lang geleden, Dat hij was heen gegaan; Hij zag nog eenmaal weder Zijne oude woning staan. Was het de flauwe scheemring Van 't zinkend avondrood, Die op dat needrig huisje Die zoete kleuren goot? Och, hier vervloog zijn kindsheid: Hij was geen vreemdeling; Hij kende 't heilig beeldje, Dat in het eikje hing, De waterput op 't voorplein, Die nauwelijks bewoog, Zo diep, zo kalm en helder, Gelijk een ernstig oog, De rooslaar aan de gevel, De wijngaard op het dak, En, och, de hand, die binnen Het koopren lampje ontstak. Hij keek door 't vensterspleetje, En keek het huisje rond, En leî de hand op 't herte: Hoe klopte 't in die stond! Zijn moeders witte leunstoel Stond daar nog in de hoek, En ginds lag op het venster Haar groot gebedenboek. Hij heeft 't verleên vergeten, Hij is weer thuis; daar is Zijn moeders zoete glimlach, Zijn plaatske aan de dis! Hij droomde, de arme vreemdeling, En als hij 't oog ontsloot, Zag hij alleen zijn schaduw, Die langs het voetpad schoot. Hij hoorde 't avondklokje, Dat wegstierf in de vert': - Gaan zo de erinneringen Nooit sterven in het hert? Hoe treurig is 't ontwaken! Daar stond hij gans alleen, Hij zuchtte, en trok weer verder, En wist toch niet waarheen. Och, weet het gele blaârken, Dat afvalt vóór de herfst, Waarom 't zo vroeg verdord is En langs het bospad zwerft?Uit 'Gedichten' 1870 DE GENEZINGZij stond voor den grooten spiegelEn lachte haar beeltnis aan; Zij had haar zijden kleedsel, En haar parelsnoer aangedaan. Zij waande zich genezen; Haar wang was weder rood; Zoo helder glansden hare oogen, Zij vreesde niet meer den dood. Och, jong verkwijnend harte, Dat zich zoo gaarne bedroog: 't Was koorts, die gloeide op haar' wangen, 't Was de dood, die blonk in haar oog! Uit 'Gedichten' 1870 DE VERZOENINGGrootmoeder zat in den wagen, En al de kinders erbij; 'Ik moet er zelv' naar toe gaan, 'Ik ben de jongste,' sprak zij. Haar oudste broer kwam haar tegen, Aan d'ingang van zijne woon, Het haar om den kalen schedel, Gelijk ene zilveren kroon. 't Was de speelgenoot harer kindsheid, Zij zuchtte, en zij zei: 'Och Heer!' En hij hielp ze van den wagen, En hij zette de kinderen neer. Zij spraken van geen verzoening, Noch lang verleden geschil; 'Hij hoort niet meer," sprak zijne dochter, 'Maar hij ziet nog zonder bril.' Zij zaten weder tesamen Aan tafel, de oude liên; Grootmoeder zei dat ze elkander in geen dertig jaar hadden gezien. Toen beefde er een traan in hare ogen; Maar zij was zoo in haar schik, En zij sprak tot zijne dochter 'Hij is zeven jaar ouder dan ik.' Hij toonde haar 't vee op de stallen, En hij toonde den oogst op het land. Ginds waren het vroeger al bossen,' Dit wees hij haar met de hand. 't Is vader die ze uit heeft doen rotten, - Ge waart nog te klein,' zei hij. 'Ge kunt daar niet van weten:' En toen knikte en toen glimlachte zij. Zoo zagen zij elkanderen In diepen ouderdom, De scheemring van het leven, In 't vaderlijk huis weerom. De oude man zei niet veel, toen zij heen was, Hij zat peinzend in den hoek; Grootmoeder reed zwijgend huiswaarts; Dat was haar laatste bezoek.1862 DE GROOTVADERHij spreekt wel soms van al zijn lijden, Die oude man met sneeuwwit haar; Maar meest zit hij in zich verzonken En stil en zwijgend nevens haar. Zij wordt wel groot, maar is zoo tenger; Hij legt de hand soms op haar hoofd: -- Zoo ze eenmaal in mijne oude dagen Door vroegen dood mij werd ontroofd! Dan lacht ze op hem met stillen weemoed, Terwijl ze zwijgend hem aanschouwt En denkt: hij zal niet lang meer leven: Hij wordt zoo stram, hij is zoo oud! Wie zal het eerst van beiden sterven, Zoo diep beducht thans voor elkaar -- Het meisjen in den bloei van 't leven, Of de oude man van tachtig jaar?Uit 'Gedichten' 1870 DE SATERDAG AVONDDe koelte van den avond Verspreidt zich over 't dal; De koeien keeren loeiend Terug weêr naar den stal. De krekel ronkt in 't lover, De rietmusch zingt niet meer; De leeuwrik daalt in 't koren Weêr op zijn nestjen neêr. De velde in het ronde Zijn duister reeds omhuld; En lichte wolkjes zweven In 't Westen nog verguld. De spade op breeden schouder, Vermoeid en uitgeput, Keert thans de landman weder Naar zijn geliefde hut. 't Is Saterdag. Verkwikkend Is 't scheemrig avonduur; De vloer is rood, en 't koper Blinkt in den gloed van 't vuur. 't Zal morgen Zondag wezen: De dag der rust is zacht Voor hem, die heel de weke In 't werk heeft doorgebracht. 't Is rustig in de velden, En vrede is in 't gemoed, Dat, sterk door 't rein geweten, De rust niet vreezen moet. |

![]() Nevele 1836 - Gent 1923 HET BUITENMEISJEZij vroegen of ze tevreden was,In de stad tevreden en daar? Het jonge meisje knikte ja, Ze waren zo goed voor haar! Zij knikte ja, zij zweeg en ging In de kelderkeuken staan, En zag omhoog door 't vensterraam Op straat de voeten gaan. Toen dacht zij aan het groene veld, En aan haar ouders hut: Daarover waait hoog de populier, En de vlierboom staat aan den put. Het geitje op 't grasplein, ginds de verre kerk, En de lucht oneindig blauw, - Haar moeder haspelt aan 't open raam, En haar vader zit op 't getouw. De wiedsters in 't veld en de leeuwrik omhoog, - O lag zij bij hen in het vlas! - En zat zij te peinzen, toen vroegen zij haar, Of zij tevreden was? Zij waren zo goed en zo vriendlijk met haar, Zij kon niet zeggen: "Neen." Maar 's avonds als zij slapen ging, Toen weende zij alleen. IK WEET NIET"Ik weet niet," suisde 't stroomend beekje,"Noch wat ik ben, noch waar ik ga." "En ik dan?" zuchtte in de hooge boomen 't Geritsel van den wind het na. "En ik? en ik?" zei braam en bieze, "En ik?" riep alles ondereen. En 't zand, dat opstoof langs de wegen, Wist niet waarom, wist niet waarheen. Een meesje zat op 't wilgentronkjen En vloog langs 't water zoekend voort. -Hebt gij nooit in uw eigen harte Een weerklank van die stem gehoord? NAJAARSINDRUKDe vogels zijn heen en de velden zijn naakt;De wei vol waterplassen; De bladeren liggen in het slijk, Die in de lente wassen. De wingerdranken slingren woest En vallen van den gevel; Nu hangt de treurnis over 't gemoed, Gelijk een grauwe nevel. Nu voelt het al den kouden slaap En voelt den winter komen; Nu zinken ze in den doodslaap ook De gedachten en de droomen. De wind ruischt door den naakten boom; De hemel dreigt met regen; Het lichte zaad der distels waait In pluimkens langs de wegen. De jonge wachtster staat bedrukt: Zij hoedt voor 't laatst de koeien, Die langzaam opzien van den grond En naar hun stallen loeien. Zij volgt gedachtloos met haar oog De wolken in de verte; Dood en vernieling ligt over de aard En de moedeloosheid in 't herte. Het liedje mijner kindschheidWat in de kinderjaren Het herte boeit en tooit, Blijft eeuwig in 't geheugen, En men vergeet het nooit. Als men 't eenvoudig liedje Van mijne kindschheid zingt, Dan denk ik aan de liefde, Waarmede ik was omringd. Dan denk ik aan de stemme, Die 't liedje klagend zong, Wanneer de zonne daalde, Wanneer het maantje blonk, Wanneer de sterren schenen, Wanneer de zwaluw zweeg, En alles op den buiten In zachte sluimring zeeg. Het lied weêrklonk zoo troostend In halve duisternis, Gelijk de zucht van 't windjen In 't hangend waterlisch. Het wiegde 't hart in ruste, Gelijk het zoet gezang Van 't klokjen in de verte Bij zonnenondergang. O, zachte en stille tonen ! Gij hebt mij vaak ontroerd, En in vervlogen dagen van heil terug gevoerd. O, oud, eentonig liedje, Hoor ik u thans niet meer, Toch klinkt gij in mijn harte, Zoo helder als weleer. -1854 Uit "Gedichten" van Rosalie en Vitginie Loveling. Uitgeverij J.B. Wolters, Groningen 1870. HAAR LAATSTE WANDELINGZij wandelde in de zonne --Het loof ruischte over 't pad. -- Ik ben het afgevallen, Het vroeg verwelkte blad. De zwaal'wen trekken henen, Ik staar hen na en peis: Ik ben een arme zwaluw, Ik moet alleen op reis. Zij trekken naar het zuiden, Zij weten waar zij gaan, Zij zullen wederkeeren Met loof en lenteblaân. Het woud zal weer herleven In warmen zonneschijn, De nachtegaal zal zingen -- En ik, waar zal ik zijn?... Uit "Gedichten" van Rosalie en Vitginie Loveling. Uitgeverij J.B. Wolters, Groningen 1870. HeimweeDer boomen kruinen buigen, Ontbladerd van hun groen. Nu gaat de winter komen En alles treuren doen. Het graan is in de schuren, Het geurig hooi in 't droog, En de appels op den zolder, Op hoopen - o zoo hoog ! Wat hebt gij van den zomer Vergaard en opgedaan ? -Gedachten zonder einde, Vervlogen en vergaan. Wat staat ons nog te wachten Dan mist en hagel hier, En koude, korte dagen, En nachten eindloos schier. De zwaluw is gaan vluchten, De blaadren vielen toen, En gij zijt heengevlogen, Zoo als de vogels doen.Uit "Gedichten" van Rosalie en Vitginie Loveling. Uitgeverij J.B. Wolters, Groningen 1870. 's Morgens vroegZij stak de vensterruiten open, Een winterdag een grauwe mist. Daar komen rasse stappen nader: ‘t Zijn vier soldaten met een kist. Wien dragen zij zo vroeg ten grave ? Een vreemden knaap, een jong soldaat De plaats is leeg en toe de huizen, En niemand, die er achter gaat. Zoo ver van huis alleen gestorven In ’ t gasthuis van een vreemde stad, en onbeweend naar ‘t graf gedragen, Terwijl men ginds zo lief hem had ! |

Biografie
Rosalie en Virginie Loveling zijn geboren en getogen in het Bibliografie:Rosalie Loveling
Zij debuteerde met de vertaling van Trinia (1864) ![]()
Gedichten (Groningen, 1870) Kromme Cies (1876) - Novelle |
Rosalie en Virginie Loveling waren geen 'major poets' |


