Gedichten van Rosalie Loveling (bovenaan)


Gedichten van Virginie Loveling (midden)


Biografie van de gezusters Loveling (onderaan)


Link naar De Biezenstekker van Cyriel Buysse


Virginie Loveling - 'Een revolverschot' (DBNL)
Pozie van de gezusters Loveling
Gezusters Loveling

Rosalie Loveling

(Nevele 1834 - Nevele 1875)

HET GESCHENK

I

Hij trok het schuifken open,
Het knaapje stond aan zijn zij,
En zag het uurwerk liggen:
"Och, Grootvader, geef het mij?"

"Ik zal 't u wel eens geven,
Toekomende jaar misschien,
Als gij wel leert en braaf zijt,"
Zei de oude, "wij zullen zien."

"Toekomend jaar!" sprak het knaapje,
"O Grootvader, maar dan zoudt
Ge lang reeds kunnen dood zijn;
Ge zijt zo ziek en zo oud!"

En de oude man stond te peinzen,
En hij dacht: "Het is wel waar,"
En zijn lange vingren streelden
Des knaapjes krullend haar.

Hij nam het zilvren uurwerk,
En de zware keten er bij,
En lei ze in de gretige handjes,
"'t Komt nog van uw vader," sprak hij.

II

Daar was een grafje gedolven;
De scholieren stonden er rond,
En een oude man boog met moeite
Nog ene knie naar de grond.

Het koele morgenwindje
Speelde om zijn haren zacht;
Het gele kistje zonk neder:
Arm knaapje, wie had dat gedacht!

Hij keerde terug naar zijn woning,
De oude vader, en weende zo zeer,
En lei het zilvren uurwerk
In 't oude schuifken weer.

DE TWEEDE VROUW

Ik was der kinderen tweede moeder,
En als ik in de woning kwam,
Daar stonden ze allen rond hun vader,
Gelijk de scheutjes rond de stam. 

Hij zette 't kleinste op mijne knien,
En lei zijn handjes in de mijn,
En zei, dat het mij lief zou hebben,
En dat het zou gehoorzaam zijn. 

Ik ging er mee aan 't open venster,
En toonde 't schaapje in het gras,
En vroeg hem hoe zijn broerkens heetten,
En zei, dat ik zijn moeder was. 

Het wendde 't hoofd naar de oude vrouwe:
Ik zette 't neer en liet hem gaan;
Zij sprak er stil en minzaam tegen,
Het bleef bij hare zetel staan. 

Ik ging tot haar en zeide: Moeder;
Ik weet niet of zij 't heeft gehoord;
Zij keek mij strak en vreemd in de ogen,
En stond niet op, en zei geen woord. 

Hun vader zal het nimmer weten,
Wat er toen omging in mijn ziel,
En hoe de stilte van de kinderen,
Als een verwijt op 't hert mij viel. 

Ik heb hen al tot mij doen komen
En hen gestreeld, en hen gekust;
Maar 't scheen of mij hun moeder toeriep:
"Och, laat mijn kinderen toch in rust!"

Uit 'Gedichten' 1870

DE VREEMDELING

't Was lang, zo lang geleden,
Dat hij was heen gegaan;
Hij zag nog eenmaal weder
Zijne oude woning staan. 

Was het de flauwe scheemring
Van 't zinkend avondrood,
Die op dat needrig huisje
Die zoete kleuren goot? 

Och, hier vervloog zijn kindsheid:
Hij was geen vreemdeling;
Hij kende 't heilig beeldje,
Dat in het eikje hing, 

De waterput op 't voorplein,
Die nauwelijks bewoog,
Zo diep, zo kalm en helder,
Gelijk een ernstig oog, 

De rooslaar aan de gevel,
De wijngaard op het dak,
En, och, de hand, die binnen
Het koopren lampje ontstak. 

Hij keek door 't vensterspleetje,
En keek het huisje rond,
En le de hand op 't herte:
Hoe klopte 't in die stond! 

Zijn moeders witte leunstoel
Stond daar nog in de hoek,
En ginds lag op het venster
Haar groot gebedenboek. 

Hij heeft 't verleên vergeten,
Hij is weer thuis; daar is
Zijn moeders zoete glimlach,
Zijn plaatske aan de dis! 

Hij droomde, de arme vreemdeling,
En als hij 't oog ontsloot,
Zag hij alleen zijn schaduw,
Die langs het voetpad schoot. 

Hij hoorde 't avondklokje,
Dat wegstierf in de vert':
- Gaan zo de erinneringen
Nooit sterven in het hert? 

Hoe treurig is 't ontwaken!
Daar stond hij gans alleen,
Hij zuchtte, en trok weer verder,
En wist toch niet waarheen. 

Och, weet het gele blaârken,
Dat afvalt vóór de herfst,
Waarom 't zo vroeg verdord is
En langs het bospad zwerft?

Uit 'Gedichten' 1870

DE GENEZING

Zij stond voor den grooten spiegel
En lachte haar beeltnis aan;
Zij had haar zijden kleedsel,
En haar parelsnoer aangedaan.

Zij waande zich genezen;
Haar wang was weder rood;
Zoo helder glansden hare oogen,
Zij vreesde niet meer den dood.

Och, jong verkwijnend harte,
Dat zich zoo gaarne bedroog:
't Was koorts, die gloeide op haar' wangen,
't Was de dood, die blonk in haar oog!

Uit 'Gedichten' 1870

DE VERZOENING

Grootmoeder zat in den wagen,
En al de kinders erbij; 
'Ik moet er zelv' naar toe gaan,
'Ik ben de jongste,' sprak zij. 

Haar oudste broer kwam haar tegen,
Aan d'ingang van zijne woon,
Het haar om den kalen schedel,
Gelijk ene zilveren kroon. 

't Was de speelgenoot harer kindsheid,
Zij zuchtte, en zij zei: 'Och Heer!'
En hij hielp ze van den wagen,
En hij zette de kinderen neer. 

Zij spraken van geen verzoening,
Noch lang verleden geschil;
'Hij hoort niet meer," sprak zijne dochter,
'Maar hij ziet nog zonder bril.' 

Zij zaten weder tesamen
Aan tafel, de oude liên;
Grootmoeder zei dat ze elkander
in geen dertig jaar hadden gezien. 

Toen beefde er een traan in hare ogen;
Maar zij was zoo in haar schik,
En zij sprak tot zijne dochter
'Hij is zeven jaar ouder dan ik.' 

Hij toonde haar 't vee op de stallen,
En hij toonde den oogst op het land.
Ginds waren het vroeger al bossen,'
Dit wees hij haar met de hand. 

't Is vader die ze uit heeft doen rotten,
- Ge waart nog te klein,' zei hij.
'Ge kunt daar niet van weten:'
En toen knikte en toen glimlachte zij. 

Zoo zagen zij elkanderen
In diepen ouderdom,
De scheemring van het leven,
In 't vaderlijk huis weerom. 

De oude man zei niet veel, toen zij heen was,
Hij zat peinzend in den hoek;
Grootmoeder reed zwijgend huiswaarts;
Dat was haar laatste bezoek. 

1862

DE GROOTVADER

Hij spreekt wel soms van al zijn lijden,
Die oude man met sneeuwwit haar;
Maar meest zit hij in zich verzonken
En stil en zwijgend nevens haar. 

Zij wordt wel groot, maar is zoo tenger;
Hij legt de hand soms op haar hoofd:
-- Zoo ze eenmaal in mijne oude dagen
Door vroegen dood mij werd ontroofd! 

Dan lacht ze op hem met stillen weemoed,
Terwijl ze zwijgend hem aanschouwt
En denkt: hij zal niet lang meer leven:
Hij wordt zoo stram, hij is zoo oud! 

Wie zal het eerst van beiden sterven,
Zoo diep beducht thans voor elkaar --
Het meisjen in den bloei van 't leven,
Of de oude man van tachtig jaar? 

Uit 'Gedichten' 1870

DE SATERDAG AVOND

De koelte van den avond
Verspreidt zich over 't dal;
De koeien keeren loeiend
Terug weêr naar den stal.

De krekel ronkt in 't lover,
De rietmusch zingt niet meer;
De leeuwrik daalt in 't koren
Wer op zijn nestjen neêr. 

De velde in het ronde
Zijn duister reeds omhuld;
En lichte wolkjes zweven
In 't Westen nog verguld. 

De spade op breeden schouder,
Vermoeid en uitgeput,
Keert thans de landman weder
Naar zijn geliefde hut. 

't Is Saterdag. Verkwikkend
Is 't scheemrig avonduur;
De vloer is rood, en 't koper
Blinkt in den gloed van 't vuur. 

't Zal morgen Zondag wezen:
De dag der rust is zacht
Voor hem, die heel de weke
In 't werk heeft doorgebracht. 

't Is rustig in de velden,
En vrede is in 't gemoed,
Dat, sterk door 't rein geweten,
De rust niet vreezen moet. 

Rosalie Loveling

Uit 'Gedichten' (1870)




Virginie Loveling

Foto van Virginie Loveling
in het Stadsarchief te Gent
Nevele 1836 - Gent 1923

HET BUITENMEISJE

Zij vroegen of ze tevreden was,
In de stad tevreden en daar?
Het jonge meisje knikte ja,
Ze waren zo goed voor haar!

Zij knikte ja, zij zweeg en ging
In de kelderkeuken staan,
En zag omhoog door 't vensterraam
Op straat de voeten gaan.

Toen dacht zij aan het groene veld,
En aan haar ouders hut:
Daarover waait hoog de populier,
En de vlierboom staat aan den put.

Het geitje op 't grasplein, ginds de verre kerk,
En de lucht oneindig blauw, -
Haar moeder haspelt aan 't open raam,
En haar vader zit op 't getouw.

De wiedsters in 't veld en de leeuwrik omhoog,
- O lag zij bij hen in het vlas! -
En zat zij te peinzen, toen vroegen zij haar,
Of zij tevreden was?

Zij waren zo goed en zo vriendlijk met haar,
Zij kon niet zeggen: "Neen."
Maar 's avonds als zij slapen ging,
Toen weende zij alleen.

IK WEET NIET

"Ik weet niet," suisde 't stroomend beekje,
"Noch wat ik ben, noch waar ik ga."
"En ik dan?" zuchtte in de hooge boomen
't Geritsel van den wind het na.

"En ik? en ik?" zei braam en bieze,
"En ik?" riep alles ondereen.
En 't zand, dat opstoof langs de wegen,
Wist niet waarom, wist niet waarheen.

Een meesje zat op 't wilgentronkjen
En vloog langs 't water zoekend voort.
-Hebt gij nooit in uw eigen harte
Een weerklank van die stem gehoord?

NAJAARSINDRUK

De vogels zijn heen en de velden zijn naakt;
De wei vol waterplassen;
De bladeren liggen in het slijk,
Die in de lente wassen.

De wingerdranken slingren woest
En vallen van den gevel;
Nu hangt de treurnis over 't gemoed,
Gelijk een grauwe nevel.

Nu voelt het al den kouden slaap
En voelt den winter komen;
Nu zinken ze in den doodslaap ook
De gedachten en de droomen.

De wind ruischt door den naakten boom;
De hemel dreigt met regen;
Het lichte zaad der distels waait
In pluimkens langs de wegen.

De jonge wachtster staat bedrukt:
Zij hoedt voor 't laatst de koeien,
Die langzaam opzien van den grond
En naar hun stallen loeien.

Zij volgt gedachtloos met haar oog
De wolken in de verte;
Dood en vernieling ligt over de aard
En de moedeloosheid in 't herte.

Het liedje mijner kindschheid

Wat in de kinderjaren
Het herte boeit en tooit,
Blijft eeuwig in 't geheugen,
En men vergeet het nooit.

Als men 't eenvoudig liedje
Van mijne kindschheid zingt,
Dan denk ik aan de liefde,
Waarmede ik was omringd. 

Dan denk ik aan de stemme,
Die 't liedje klagend zong,
Wanneer de zonne daalde,
Wanneer het maantje blonk, 

Wanneer de sterren schenen,
Wanneer de zwaluw zweeg,
En alles op den buiten
In zachte sluimring zeeg. 

Het lied werklonk zoo troostend
In halve duisternis,
Gelijk de zucht van 't windjen
In 't hangend waterlisch. 

Het wiegde 't hart in ruste,
Gelijk het zoet gezang
Van 't klokjen in de verte
Bij zonnenondergang. 

O, zachte en stille tonen !
Gij hebt mij vaak ontroerd,
En in vervlogen dagen
van heil terug gevoerd. 

O, oud, eentonig liedje,
Hoor ik u thans niet meer,
Toch klinkt gij in mijn harte,
Zoo helder als weleer. -

1854
Uit "Gedichten" van Rosalie en Vitginie Loveling.
Uitgeverij J.B. Wolters, Groningen 1870.


HAAR LAATSTE WANDELING

Zij wandelde in de zonne --
Het loof ruischte over 't pad.
-- Ik ben het afgevallen,
Het vroeg verwelkte blad.

De zwaal'wen trekken henen,
Ik staar hen na en peis:
Ik ben een arme zwaluw,
Ik moet alleen op reis.

Zij trekken naar het zuiden,
Zij weten waar zij gaan,
Zij zullen wederkeeren
Met loof en lenteblaân.

Het woud zal weer herleven
In warmen zonneschijn,
De nachtegaal zal zingen --
En ik, waar zal ik zijn?...

Uit "Gedichten" van Rosalie en Vitginie Loveling.
Uitgeverij J.B. Wolters, Groningen 1870.


Heimwee

Der boomen kruinen buigen,
   Ontbladerd van hun groen.
Nu gaat de winter komen
   En alles treuren doen.

Het graan is in de schuren,
   Het geurig hooi in 't droog,
En de appels op den zolder,
   Op hoopen - o zoo hoog !

Wat hebt gij van den zomer
   Vergaard en opgedaan ?
-Gedachten zonder einde,
   Vervlogen en vergaan.

Wat staat ons nog te wachten
   Dan mist en hagel hier,
En koude, korte dagen,
   En nachten eindloos schier.

De zwaluw is gaan vluchten,
   De blaadren vielen toen,
En gij zijt heengevlogen,
   Zoo als de vogels doen.

Uit "Gedichten" van Rosalie en Vitginie Loveling.
Uitgeverij J.B. Wolters, Groningen 1870.


's Morgens vroeg

Zij stak de vensterruiten open,
Een winterdag een grauwe mist.
Daar komen rasse stappen nader:
t Zijn vier soldaten met een kist.

Wien dragen zij zo vroeg ten grave ?
Een vreemden knaap, een jong soldaat
De plaats is leeg en toe de huizen,
En niemand, die er achter gaat.

Zoo ver van huis alleen gestorven
In  t gasthuis van een vreemde stad,
en onbeweend naar t graf gedragen,
Terwijl men ginds zo lief hem had !


Virginie Loveling




Biografie

Rosalie en Virginie Loveling zijn geboren en getogen in het
Oost-Vlaamse Nevele. Hun zuster Pauline was de moeder
van de schrijver Cyriel Buysse. *
De twee zusters debuteerden samen met realistische,
observerende gedichten met een sentimentele ondertoon.
Die poëzie verscheen ondermeer in het Nederduitsch
Letterkundig Jaarboekje en in een dichtbundel (1870)
die meermaals werd herdrukt. Ze brachten ook novellen
en schetsen uit, die zowel het landelijk milieu met zijn
boerenbevolking als de stadsburgerij tot onderwerp hadden.
Na de zelfmoord van vader Anton Loveling in 1846 woonde
de familie jarenlang in Gent, waar de zusters sterk benvloed
werden door het liberaal-vrijzinnig gedachtegoed.
Na een paar jaren verhuisde hun moeder (met Pauline)
terug naar Nevele. Rosalie en Virginie vestigden zich later
ook weer in hun geboortedorp. Ze gingen terug wonen
in Langemunt (nr.30).
Hun geboortehuis bevond zich in dezelfde straat (nr. 9).
Virginie bekwam de Belgische nationaliteit na de dood
van haar moeder (1879). Anton Loveling was namelijk
afkomstig van Papenburg (Niedersachsen).
Vermeldenswaard is dat de gezusters Loveling opgroeiden
met de kinderen Fredericq uit het eerste huwelijk van
hun moeder Marie Compar.
Virginie schreef na het vroegtijdige overlijden van Rosalie
in hoofdzaak novellen en romans in een vrij sobere en
realistische stijl. "Sophie" (1884), beschrijft de schoolstrijd
op het Vlaamse platteland.
"Een revolverschot" (1911) heeft de noodlottige liefde
van twee zusters voor dezelfde man als thema en is
een van haar beste romans. Virginie Loveling heeft ook
kinderboeken en essays (o.a. over folklore) geschreven.
Samen met Cyriel Buysse schreef zij 'Levensleer' (1911),
een humoristische roman over de verfranste Gentse
bourgeoisie.
Haar roman "Een dure Eed" (1891) werd met de 'Vijf-
jaarlijkse prijs voor de Nederlandse letterkunde' bekroond.
Virginie was zeer ontwikkeld en beheerste meerdere talen
(o.a. Duits, Frans, Italiaans). Zij heeft ook enkele grote
reizen gemaakt. Zo vergezelde zij in het najaar 1886 het
echtpaar de Deurwaerder-Fobe op een reis naar het Zuiden.
Ze verbleven een paar maanden in Nice en reisden dan
naar Italië.
Virginie was innig bevriend met Adèle Fobe en zou zelfs
een gouden armband bezet met diamanten en een grote som
van haar erven. Met dit geld kon zij zich in 1899
een maandenlange reis naar Australië veroorloven.
Virginie was achtenzeventig toen de eerste wereldoorlog
uitbrak. In haar "Oorlogsdagboeken" beschreef ze
ondermeer de gruwel van de oorlog en de Duitse misdaden
tegen Belgische burgers. Ze ging zelfs op zoek naar
de wrakken van neergehaalde zeppelins en vliegtuigen...
Virginie Loveling was in het bekrompen Vlaanderen van
die tijd een vrijzinnige en geëmancipeerde vrouw
avant la lettre.


*Cyriel Buysse - De Biezenstekker.

Bibliografie:

Rosalie Loveling

Zij debuteerde met de vertaling van Trinia (1864)
- Verhaal van Klaus Groth
Meester Huyghe (ca. 1866) - Novelle


Rosalie en Virginie samen

Gedichten (Groningen, 1870)
Gedichten (Groningen, 1877) - Tweede vermeerderde druk
Gedichten (Gent, 1889) - Derde vermeerderde druk
Novellen (1874)
Nieuwe novellen (1875)
Polydoor en Theodoor en andere novellen en schetsen (1882)

Virginie Loveling

Kromme Cies (1876) - Novelle
Drie Novellen (1879)
Het hoofd van 't huis (1883)
Sophie * (1884)
Op Bovegem (1888)
Een winter in het Zuiderland (1890) - Reisverhaal
Idonia (1891)
Een dure eed (1891)
Een idylle (1893)
Een vonkje van genie (1893)
De bruid des Heeren (1895)
Mijnheer Connehaye (1895)
Het land der verbeelding (1896)
Madeleine (1897)
De twistappel (1904)
Het lot der kinderen (1906)
De groote manoeuvers (1906)
Jonggezellenlevens (1907)
Een revolverschot (1911)
Levensleer (1912) - Samen met Cyriel Buysse
Bina (1915)
Van hier en elders (1925) - Met Een karmelietes, Madame Barré,
   Drie kleine schetsen, Plaatje Mulderman, Levensbeeldjes,
   Stoombootindrukken, Baron en Baronesken, Boerenidilletje
   en Het Onze Vader
Volledige werken (10 delen - 1933 / 36)
Les soeurs Loveling (1942). Hlne Piette.
Rosalie en Virginie: leven en werk van de gezusters Loveling.
   Ludo Stynen (1997).
Sophie * (Gent, 1999): omgespeld door Sylvie Engels.
   Liberaal Archief

* Je kan "Sophie" en "Een revolverschot"

nu ook lezen op het internet ! Webstek DBNL.



Nabeschouwing


Rosalie en Virginie Loveling waren geen 'major poets'
en dat hebben ze waarschijnlijk na enige tijd ook wel
beseft. Ze gingen zich dan ook meer en meer toeleggen
op het schrijven van novellen.
Toch is één gedicht van Rosalie nog altijd zeer populair,
namelijk 'Het geschenk'. Het is een evergreen, die nog
dikwijls wordt gelezen op het internet.
Virginie werd na de dood van Rosalie gaandeweg
een goede romanschrijfster. Vooral 'Een revolverschot',
'Een dure eed' en 'De twistappel' moeten niet onderdoen
voor de toenmalige romans in Nederland.





Graf van Virginie Loveling
Westerbegraafplaats Gent.
Naast haar ligt Cyriel Buysse begraven.



Naar boven


Vlaamse dichters


Nederlandse dichters



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 22-09-2002.
Laatste wijziging: 31-12-2015.

E-mail: webmaster