De toorts
Ik heb je lief, mijn lijf, jij wekte zijn verlangen,
Jij was zijn speelwei en zijn verrukkende habitat,
De smaak van zijn genot is nog blijven hangen,
zoals een rijk parfum bewaart in een kostbaar vat.
Ik heb je lief, mijn ogen, want je bleef verblind
door de betovering die hem steeds heeft verleid
en die je innig koestert, zoals je in putten vind,
de blijvende echo van zijn schoonheid die verging.
Ik heb je lief, mijn armen, die mijn minnaar
lenig omhelsden met o zo lome tederheden.
Ik heb je lief, mijn vaardige vingers, die naar
de erogene zones van zijn lichaam gleden.
Ik heb je lief, mijn brein, dat immer gistte
met de gedachte aan hem, die mij met hem verbond.
Je weet dat hij je beet tot bloedens toe en daarom
bemin ik je buitenmate, mijn verlepte mond.
Ik heb je lief, mijn hart, jij kon de maat bonken
met het wanhopig ritme van mijn liefdeskoorts.
En onze naakte voeten en knieën samengeklonken
en mijn huid die gekust werd door zijn lippen.
Ik heb je lief, mijn vlees, want jij was voor zijn vlees
een vurig tabernakel van volmaakte lust,
waar hij de beste en dierbaarste gaven prees.
Ik was verzadigd maar het vuur werd nooit geblust.
Ik heb je lief, mijn gretige ziel, met jouw dromen.
-Nieuwe Isis- zal ik wanhopig kiezen
voor het enigma van atomen en het aura
van zijn wezen waarin ik mij wil verliezen.
Ik ben de tempel van een cultus uit het verleden,
het nutteloos altaar dat geen afgodsbeeld meer heeft.
Ik ben het haardvuur dat door de geliefde wordt gemeden,
de waanzinnige toorts, het vuur dat geen warmte geeft.
En die hunkering naar liefde, die in de dood
geen nut meer heeft, palmt me weer helemaal in.
O lief, omdat wij versmolten en ik jou in mij sloot,
ben jij het die ik bemin zoals ik mijzelf bemin.
Marie Nizet
(°1859; †1922)
© Hertaling van 'La torche' door Lepus
|