|
Hendrik Marsman was niet de eerste vertegenwoordiger van het vitalisme. De filosoof Nietzsche, de dichter Walt Whitman en de schrijver D. H. Lawrence waren hem al voorgegaan. 'Hij was steeds in alles wat hij deed of zei, ook het allergeringste, met hart en ziel en de uiterste mogelijkheden van zijn persoonlijkheid aanwezig. Dit geeft aan zijn poëzie die gespannenheid en die volheid; dit gaf aan zijn optreden dat meeslepende en vervoerende, aan zijn menselijke verschijning, de toverkracht welke ieder die hem naderde ondervonden heeft'. 'Er was iets ongerepts in dezen mens. Een zuivere vlam, die door een tragische dood werd uitgeblust'. 'Dit zijn verzen als zweepslagen, electrische schokken, revolverschoten'. 'Marsman: derderangs dichter, vaak pure rhetoriek, weinig smaak'. |

Holland Denkend aan Holland Herinnering aan Holland Paradise Regained Afscheid Landschap Polderland Regen De overtocht De ondergang Maannacht Zinkend schip Ik die bij sterren sliep |
HollandDe hemel grootsch en grauw, daaronder het geweldig laagland met de plassen; bomen en molens, kerktorens en kassen, verkaveld door de slooten, zilvergrauw. dit is mijn land, mijn volk; dit is de ruimte, waarin ik wil klinken. laat mij één avond in de plassen blinken, daarna mag ik verdampen als een wolk.— Periode 1929-1933. Uit 'Dichters van deze tijd', uitgeverij P. N. van Kampen, Amsterdam 1951. ![]() Denkend aan HollandSoms heb ik heimwee naar dat land, en zijn zee. maar als ik denk aan de menschen wordt het verlangen gesmoord. ik heb in hun zielen geen spoor van weerklank gehoord van de ontzaglijke ruimte waarin zij leven; noch dat zij zweemden naar het accoord, dat dag en nacht langs hun kust wordt gehoord, of naar de macht van hun beemden; slechts hun ziel is met duister behangen gelijk hun hemel. gloed en verlangen, hartstocht en onbevangen geloof zijn in bedompte gebeden langzaam maar zeker gedoofd. Uit 'Der clercke cronike', Gronings studentenblad (13 maart 1937). ![]() Herinnering aan HollandDenkend aan Holland zie ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan, rijen ondenkbaar ijle populieren als hooge pluimen aan den einder staan; en in de geweldige ruimte verzonken de boerderijen verspreid door het land, boomgroepen, dorpen, geknotte torens, kerken en olmen in een grootsch verband. De lucht hangt er laag en de zon wordt er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord, en in alle gewesten wordt de stem van het water met zijn eeuwige rampen gevreesd en gehoord. 1936. Uit 'Dichters van deze tijd', uitgeverij P. N. van Kampen, Amsterdam 1951. In 1999 uitgeroepen tot ‘Gedicht van de eeuw’ door Poetry International en de Wereldomroep. ![]() Paradise RegainedDe zon en de zee springen bliksemend open: waaiers van vuur en zij; langs blauwe bergen van den morgen scheert de wind als een antilope voorbij. zwervende tussen fonteinen van licht en langs de stralende pleinen van 't water, voer ik een blonde vrouw aan mijn zij, die zorgeloos zingt langs het eeuwige water een held're, verruk'lijk-meeslepende wijs: 'het schip van den wind ligt gereed voor de reis, de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen, de morgen en nacht twee blauwe matrozen - wij gaan terug naar 't Paradijs'. Uit 'Paradise regained' (1927) ![]() AfscheidSlaap met het donker vrouw, slaap met den nacht ons diepst omarmen heeft den droom omgebracht donker en zonder erbarmen zijn bloed en geslacht slaap met het donker, vrouw slaap met den nacht. Uit 'Dichters van deze tijd', P. N. van Kampen, Amsterdam 1951. ![]() LandschapIn de weiden grazen de vreedzame dieren; de reigers zeilen over blinkende meren, de roerdompen staan bij een donkere plas; en in de uiterwaarden galoppeeren de paarden met golvende staarten over golvend gras. Uit 'De muze zwerft door Nederland'. Samengesteld door Ed. Hoornik (1956). ![]() PolderlandIk loop door ’t polderland onder den hellen regen; oneindig is het land, oneindig zijn de wegen, die naar de kimmen gaan; in lage hemelstreken heerscht tusschen zwarte kreken het mistig licht der maan. o, dertigstroomenland, het volk dat u bewoont versombert in krakeelen die geld en God verdeelen, purper en doornenkroon. oneindig is het land, oneindig zijn de wegen die naar de kimmen gaan; ik loop den morgen tegen in ’t mistig licht der maan.Uit 'Verzamelde gedichten', E.M. Querido’s Uitgeverij, 1946. ![]() RegenDe regen valt in den nacht in het dal, tussen donkere bergen; uw haar en uw handen zijn zacht, maar waar, waar moet ik mij bergen in dien laatsten verwilderden nacht als de hitte de overmacht zal verkrijgen op al het zijnde en de dood in de vlammen ons wacht. nu kan ik nog wel bij u schuilen maar hoe zal het zijn in dien nacht als de winden als wolven huilen en de eeuwige vierschaar ons wacht. o God! sta ons bij in het einde; wij zelven zijn zonder kracht.Uit 'Facetten der Nederlandse poëzie', Uitgeverij Nijgh en van Ditmar. ![]() De overtochtDe eenzame zwarte boot vaart in het holst van den nacht door een duisternis, woest en groot den dood, den dood tegemoet. ik lig diep in het kreunende ruim, koud en beangst en alleen en ik ween om het heldere land, dat achter den einder verdween en ik ween om het duistere land, dat flauw aan den einder verscheen. die door liefde getroffen is en door het bloed overmand die ervoer nog het donkerste niet, diens leven verging niet voorgoed; want de uiterste nederlaag lijdt het hart in den strijd met den dood. o! de tocht naar het eeuwige land door een duisternis somberen groot in de nooit aflatende angst dat de dood het einde niet is. 1926. Het is alsof Marsman reeds in 1926 voorvoelde dat hij zou omkomen bij een schipbreuk. Ook gedichten zoals 'Maannacht' en 'Zinkend schip' bevestigen dit voorgevoel. ![]() De ondergangDe hooge koude ramen worden zwart. het groot onstuimig noodweer van den nacht heeft aller eeuwen en der sterren vloot ten radeloozen ondergang gebracht. en dezer aarde wrak vermolmde boot weerloos en veeg bemand door dit verzwakt geslacht zal in verwildering van angst en nood aan het steil randgebergte van den dood spoorloos te pletter slaan. en ook ik zal vergaan - nog vóór God's morgenrood. Ik die de laatste ben die durft te staan in 't stormend zwart der koude eenzaamheid; die nu de volkren onder mij vergaan onstuimig zingend langs de transen schrijd; een trotsch ontembaar schip dat splijt - stormend in top de roekelooze vaan - naar 't ongebroken licht der eeuwigheid. die in mijn doodelijk versomberd bloed de avondzon van 's werelds westen droeg die eeuwen ombracht, en den tijd versloeg - en die, terwijl de zondvloed wies - de zwarte engel van de Notre-Dame - het gouden stormlied van het einde blies in Godes naam. Maar nu, terwijl de voorhang breekt naar 't ongeschonden licht van Oordeels opperzaal, hoor ik in mijn droevig hart dat smeekt, een dolend kind, fluisterend moeders naam. en, wijl mijn mond den duistren laster spreekt, het snikkend stamelen van Christus' naam. Uit 'Gemeenschap'. Jaargang 1 (1925). Zelfs in 1925 waren schipbreuk en noodlot al thema's in de poëzie van Marsman. ![]() MaannachtDe maan breekt de wolken uiteen; en stromende uit die wel breken kolken en kreken, gletschers en meren naar alle verten uiteen. de aarde is klein en alleen, een slingerend schip in het ruim, dat zich stampend en schuin overstag gaand in doodsangst kampende boven houdt op het kolkende water des donkers onder het stormende schuim. ik lig in het ruim naast een vrouw. haar borsten rijzen en dalen; zij slaapt, zij denkt nu alleen in haar dromen aan het geluk; hoe vredig haar ademhalen: zij weet niets van den nood van ons schip, zij hoort de seinen niet gillen noch het angstige fluiten driemaal, als een signaal van den dood. gun mij nog twee uren slaap, ik kan zo niet blijven waken. - neem dan nu afscheid van haar, misschien zult gij den morgen niet halen, tenzij in een ander land. ik schuif mijn hand in haar hand - zie, even beven haar wimpers - zo liggen wij naast elkaar als tweelingen, sluimrende kindren. zullen wij elkaar niet meer vinden dan zij mij dood - of ik haar? 'Maannacht’ stond in Forum. Jaargang 1 (1932). ![]() Zinkend schipDe avond daalt; een zinkend schip. de kiel slaat op een blinde klip. —o, hartstocht van dit kil vergaan, in koele nacht, in koele maan. “en gij, die eens dit leven prees met sterke stem en harde keel, is dan het glanzen van uw woord bestorven en voorgoed teloor?” —ik heb geleerd dat in den dood de ziel zal stijgen levensgroot of dalen in het schimmenrijk en falen onherroepelijk en dat al wat der wereld is een waan is, een bekommernis. na deze woorden wordt het stil alsof de nacht omvamen wil een zinkend schip, een koele maan- twee stemmen, stijgend uit de klip: —o, red ons, wij vergaan!1932 Uit 'Verzamelde gedichten'. Na de Duitse inval trachtten Marsman en zijn vrouw via Bordeaux naar Engeland te vluchten. Het vrachtschip Berenice waarop zij zich bevonden werd in de nacht van 20 op 21 juni 1940 door een Duitse duikboot getorpedeerd. Marsman kwam om, maar zijn vrouw (Rina Barendregt) was één van de twee overlevenden. ![]() XVIIIk die bij sterren sliep en 't haar der ruimten droeg als zilveren gewei, en 't stuifmeel der planeten over den melkweg blies en in de maan gezeten langs 't grondeloze blauw der zomernachten voer, ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand, mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer in 't dode firmament, niets dan de galm die keert van 't sombere gewelf van mijn ontredderd hart. ik sta alleen, geen God of maatschappij die mijn bestaan betrekt in een bezield verband, geen horizon of zee, geen poovre korrel zand in 't naamloos wel en wee der brandende woestijn. ik voel de waatren stijgen in den nacht, de angst rijst naar den mond en aan mijn lippen staan vermoeienis en walg, ik heb mijn merg verdaan in slaafse horigheid aan het roofzuchtig bloed. niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter slaan en kermen als een meeuw tussen het zwarte wier; die eens als zon in 't zenith heeft gestaan, zal bijten in het zand als een kreperend dier. Uit zijn laatste bundel 'Tempel en Kruis' (De boot van Dionysos XVII) ![]() |

