ZIEKTEVERSVoor OkkeHij zat gemaklijk op den rand van 't bed, En sprak van school en leuke jongensspelen, En hoe de vreemde talen hem vervelen, En van de vrije Zaterdagsche pret. Ik luisterde gelukkig, want het was Of 't leven aan mijn leger kwinkeleerde. Kwellende koorts, die mij verdervend deerde, Verdoofde, tot de felle pijn genas. Toen ik, een avond lang en zeer bevreesd, Ben voor de poorten van den dood geweest, Kwam plots zijn jonge stem mij achterhalen. Mijn oogen nog vol nare duisternis, Zag ik verrast, hoe klaar de luister is Van trouw, die onbevreesd zoo diep durft dalen.
DIT WAS EEN DAG...Dit was een dag van heimelijk begeren, Van sterk verlangen en verholen lust. Nu wordt het avond, en nu komt de rust. En Gij zult tot mijn stiller harte keren. Zoals een vogel wegduikt in zijn veren, Door 't eigen trillend hart in slaap gesust, Een ademende zachtheid, onbewust Van alles wat zijn argloosheid kan deren, Gaf ik mij onvoorwaardlijk aan u over. Daar is geen schutsel dan uw liefde om mij. 't Liederlijk leven, wrede rauwe rover, Jaagt onophoudlijk aan mijn rust voorbij. Maar, veilig in de cirkel van uw tover, Ben ik gelukkig, en 't geluk zijt gij. APOLLON ARCHAIQUEHet rood granietblok stond hoog opgericht in 't midden van de hete binnenplaats. En in de steen, als in een droomgezicht, verscheen de jonge scherpte eens gelaats, dat onverbidlijk zich zijn blik toewendde. Het gladde strakke lichaam scheen bereid de sprong te maken naar de manlijkheid die reeds een macht was in zijn smalle lenden. Zo stond hij vele lange hete stonden. En vele glansen hebben zich verbonden tot glimlach die zijn hele lichaam droeg. Tot op een avond toen het bloed verstilde de meester hem met welbewuste milde en scherpe beitel uit het steenblok sloeg. IN DE TUINGelderse rozen met hun koele Ballen lichten de hemel toe. Seringen waaien paarse zoele Geurige schaduwen, gril en moe. Aan tengre boompjes, haast nog schuil, De witte zuiverheid der rozen; Midden in hun half open tuil Besluiten zij hun schuchter blozen. In de doorgonsde donkerheid Van 't honinggeurende prieel Is 't zoet te toeven voor de dromer, Die van het leven niets meer beidt, Maar voelt zijn wezen rijpe' als heel De wereld in de milde zomer.Uit de bundel: Het heilig licht (1913-1921)
BEROUWIn den schemer het angstige luistren Naar den wind, die waait om de huizen. Van de wilgen stuiven de pluizen, Wit in den regen van 't duister. Ver weg het bedwelmend bruisen Van de zee: haar vage geluiden Eentonig, versmelt met het ruischen Van het bloed, zoo warm en duister. In het duistren en het ruischen Een buigend mensch, arm en donker... Op een heuvel stonden drie kruisen. Gij leedt daar, ik weende er onder. Uit 'Verzamelde gedichten' (1952) ![]() |
BIOGRAFIE
Willem de Mérode (1887-1939) was het pseudoniem van Willem Eduard Keuning.
Hij werd in het Groningse Spijk geboren en was onderwijzer te Oude Pekela
en te Uithuizermeeden, waar hij les gaf aan de gereformeerde school van 1907
tot 1924. In 1924 werd hij namelijk veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf
wegens pedofiele handelingen. Hij weigerde een openbare schuldbekentenis en verloor
voor drie jaar zijn onderwijzersbevoegdheid.
Daarop trok hij zich terug in eenzaamheid op een boerderij in Eerbeek om zijn trauma
te verwerken. Zijn dichterschap hield echter stand en na heel wat moeilijkheden lukte
het hem een bescheiden bestaan als schrijver op te bouwen, weliswaar ook met
financiele steun van zijn broer.
Het conflict tussen godsdienst en homoseksualiteit beïnvloedde zijn werk in sterke mate.
In zijn latere werk is ook de mystiek een van zijn thema's. Sommige critici noemen hem
een van de belangrijkste Nederlandse protestantse dichters uit het interbellum.
Hij schreef ca. 2300 gedichten en was medewerker van diverse literaire tijdschriften.
Van de ongeveer 35 boeken en bundels die De Mérode schreef, ontstonden er 25
tijdens zijn veertien Eerbeekse jaren, o.a. de bundels De lichtstreep (1929),
Chineesche gedichten (1938) en Kaleidoscoop (1938).
Hieronder volgt een fragment uit 'De Rozenhof' (1925). Hij schreef deze bundel
in de gevangenis. |

