Willem de Mérode


"Als 't hart niet meer gelooft en hoopt,
dan is de liefde nog de redding"

 ZIEKTEVERS

                                       Voor Okke

Hij zat gemaklijk op den rand van 't bed,
En sprak van school en leuke jongensspelen,
En hoe de vreemde talen hem vervelen,
En van de vrije Zaterdagsche pret.

Ik luisterde gelukkig, want het was
Of 't leven aan mijn leger kwinkeleerde.
Kwellende koorts, die mij verdervend deerde,
Verdoofde, tot de felle pijn genas.

Toen ik, een avond lang en zeer bevreesd,
Ben voor de poorten van den dood geweest,
Kwam plots zijn jonge stem mij achterhalen.

Mijn oogen nog vol nare duisternis,
Zag ik verrast, hoe klaar de luister is
Van trouw, die onbevreesd zoo diep durft dalen.

 DIT WAS EEN DAG...

Dit was een dag van heimelijk begeren,
Van sterk verlangen en verholen lust.
Nu wordt het avond, en nu komt de rust.
En Gij zult tot mijn stiller harte keren.

Zoals een vogel wegduikt in zijn veren,
Door 't eigen trillend hart in slaap gesust,
Een ademende zachtheid, onbewust
Van alles wat zijn argloosheid kan deren,

Gaf ik mij onvoorwaardlijk aan u over.
Daar is geen schutsel dan uw liefde om mij.
't Liederlijk leven, wrede rauwe rover,
Jaagt onophoudlijk aan mijn rust voorbij.
Maar, veilig in de cirkel van uw tover,
Ben ik gelukkig, en 't geluk zijt gij.

 APOLLON ARCHAIQUE

Het rood granietblok stond hoog opgericht
in 't midden van de hete binnenplaats.
En in de steen, als in een droomgezicht,
verscheen de jonge scherpte eens gelaats,
dat onverbidlijk zich zijn blik toewendde.
Het gladde strakke lichaam scheen bereid
de sprong te maken naar de manlijkheid
die reeds een macht was in zijn smalle lenden.
Zo stond hij vele lange hete stonden.
En vele glansen hebben zich verbonden
tot glimlach die zijn hele lichaam droeg.
Tot op een avond toen het bloed verstilde
de meester hem met welbewuste milde
en scherpe beitel uit het steenblok sloeg.

 IN DE TUIN

Gelderse rozen met hun koele
Ballen lichten de hemel toe.
Seringen waaien paarse zoele
Geurige schaduwen, gril en moe.

Aan tengre boompjes, haast nog schuil,
De witte zuiverheid der rozen;
Midden in hun half open tuil
Besluiten zij hun schuchter blozen.

In de doorgonsde donkerheid
Van 't honinggeurende prieel
Is 't zoet te toeven voor de dromer,
Die van het leven niets meer beidt,
Maar voelt zijn wezen rijpe' als heel
De wereld in de milde zomer.

Uit de bundel: Het heilig licht (1913-1921)

 BEROUW

In den schemer het angstige luistren
Naar den wind, die waait om de huizen.
Van de wilgen stuiven de pluizen,
Wit in den regen van 't duister.

Ver weg het bedwelmend bruisen
Van de zee: haar vage geluiden
Eentonig, versmelt met het ruischen
Van het bloed, zoo warm en duister.

In het duistren en het ruischen
Een buigend mensch, arm en donker...
Op een heuvel stonden drie kruisen.
Gij leedt daar, ik weende er onder.

Uit 'Verzamelde gedichten' (1952)

BIOGRAFIE

Willem de Mérode (1887-1939) was het pseudoniem van Willem 
Eduard Keuning. Hij werd in het Groningse Spijk geboren en was 
onderwijzer te Oude Pekela en te Uithuizermeeden, waar hij les 
gaf aan de gereformeerde school van 1907 tot 1924. In 1924 
werd hij namelijk veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf 
wegens pedofiele handelingen. 
Hij weigerde een openbare schuldbekentenis en verloor voor drie 
jaar zijn onderwijzersbevoegdheid. Daarop trok hij zich terug 
in eenzaamheid op een boerderij in Eerbeek om zijn trauma te 
verwerken. Zijn dichterschap hield echter stand en na heel wat 
moeilijkheden lukte het hem een bescheiden bestaan als schrijver 
op te bouwen, weliswaar ook met financiele steun van zijn broer. 
Het conflict tussen godsdienst en homoseksualiteit beïnvloedde 
zijn werk in sterke mate. 
In zijn latere werk is ook de mystiek een van zijn thema's. 
Sommige critici noemen hem een van de belangrijkste Nederlandse 
protestantse dichters uit het interbellum. 
Hij schreef ca. 2300 gedichten en was medewerker van diverse 
literaire tijdschriften. Van de ongeveer 35 boeken en bundels die 
De Mérode schreef, ontstonden er 25 tijdens zijn veertien Eerbeekse 
jaren, o.a. de bundels De lichtstreep (1929), Chineesche gedichten 
(1938) en Kaleidoscoop (1938).

Gaston D'Haese
Hieronder volgt een fragment uit 'De Rozenhof' (1925). Hij schreef deze bundel in de gevangenis.
Vrijmoedig heb ik in Uw tuin gedwaald, De schoonste rozen heb ik stout gehaald. O 't droomen van hun donkerroode zoetheid! Helaas, helaas, ik heb ze duur betaald.
Fragment uit 'De minnenden':
De hemel is zachtgrijs als de as van een sigaret. Er is niemand die op ons let dan de speelman met de zeis.
De dichter zou zijn pseudoniem gekozen hebben als eerbetoon aan de danseres Cléo de Mérode.
Haar vader was Karl von Merode, die afstamde 
van de Belgische adellijke familie 'de Mérode'.
Cléo stond model voor Toulouse de Lautrec, 
Gustav Klimt, Edgar Degas en Alexandre Falguiere.
Er zijn ook ettelijke foto's van haar gemaakt. 
Zij was befaamd voor haar schoonheid en trad op 
in Parijs, St. Petersburg, New York en Londen.
Cléo de Mérode (Parijs 1873 - Biarritz 1966)
Willem de Mérode werd begraven te Eerbeek. De laatste strofe uit zijn gedicht ‘Finis’ werd op verzoek van zijn bewonderaars op de grafsteen gezet:
God boog de rechte lijn: 't begin Raakt aan het eind, de cirkel sluit. De hemel heeft zijn zaalge buit En – harts verlies blijkt harts gewin.

Naar boven

Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 21-03-2006.
Laatste wijziging: 18-09-2017.