

"De eerste versregels uit de Nederlandse poëzie" !
hebban olla uogala nestas bigunnan
hinase hic enda thu
wat unbidan we nu
alle vogels zijn aan hun nesten begonnen
behalve ik en jij
wel waarop wachten wij
Vlaamse monnik in de abdij van Rochester
(begin XIIe eeuw)

-Het Latijn was vóór de elfde eeuw de taal van het bestuur en de geschreven literatuur (vooral in de kloosters). Na de elfde eeuw vinden we literaire werken in de volkstalen die uit het Latijn ontstaan zijn (Romaanse talen). In de Zuidelijke Nederlanden begint men te schrijven in een Germaanse taal, namelijk het 'Diets' (Middelnederlands). De eerste schrijvers en dichters in het Diets waren Heinric van Veldeken, 'Willem' (Madoc, Reinaert), Jacob van Maerlant, enz. - Heinric van Veldeken was van lage adel en werd geboren in het graafschap Loon. Op verzoek van Agnes, Gravin van Loon schreef hij de 'Servaaslegende' (Sente Servas - ca. 1170). Omstreeks 1174 begon hij ook aan een ridderverhaal over de Trojaanse held Eneas (Lat. Aeneas), Hij is de eerste auteur uit de Nederlandstalige literatuur, waarvan volledige gedichten en literaire werken bewaard zijn gebleven. Ook in de Duitstalige literatuur neemt hij een belangrijke plaats in. IN DEN TIDEN DAT DIE ROSENIn den tiden dat die rosentounen manech scone blat, so vloeket men den blidelosen die wroegere siin ane maneger stat, want sie der minnen siin gehat ende den minneren gerne nosen. van den bosen moete Got ons losen ! Men darf den bosen niewet vloeken. hen wirt dicke onsachte wé, want sie warden ende loeken alse dé sprenket in den sné. des siin sie vele die mere gevé, doch ne darf es nieman roeken, want sie soeken peren op den boeken. WANT ZE ZOEKEN PEREN AAN DE BEUKENIn het seizoen dat de rozenvele mooie blaadjes tonen vervloekt men de vreugdelozen, die overal aan het vitten zijn omdat ze de liefde haten en de liefde graag bestrijden met venijn. Moge God de bozen lozen. Men moet niet schelden op deze lieden, want hun boosheid kan hen niet baten. Immers, ze loeren en ze spieden, alsof ze rondspringen in de sneeuw: Omdat ze zo boosaardig zijn, zijn ze niemands aandacht waardig, want ze zoeken peren aan de beuken. Heinric van Veldeken (ca. 1140 - 1210) © Hertaling van Lepus-Frankische of Karelromans werden ook in verzenvorm geschreven. Als voorbeeld volgt een fragment uit de Dietse roman "Karel ende Elegast". FRaeye historie ende al waer Mach ic v tellen hoort naer Het was op enen auontstont Dat karel slapen begonde Tengelem op den rijn Dlant was alle gader sijn. Hi was keyser ende coninc mede. Hoort hier wonder ende waerhede Wat den coninc daer gheuel Dat weten noch die menige wel Tenghelem al daer hi lach Ende waende op den anderen dach Crone draghen ende houden hof Om te meerderen sinen lof Daer die coninc lach ende sliep Een heilich engel aen hem riep So dat die coninc ontbrac Biden woerden die dengel sprac Ende seyde staet op edel man. Doet haestelic v cleeder an Wapent v ende vaert stelen... Tengelem: in Ingelheim (aan de Rijn) u=v en v=u. -De 'hoofse poëzie' in de twaalfde en dertiende eeuw werd beoefend door minstrelen, troubadours (onder de Loire) en trouvères (boven de Loire). Deze hoflyriek gaat meestal over een edelvrouw, die door haar aanbidder op een hoofse manier wordt bezongen. -De 'uitvinder' van de Arthurroman is Chrétien de Troyes. Hij schreef tussen 1170 en 1190 vijf berijmde ridderverhalen in het Frans, o.a. 'Erec', 'Lancelot' en 'Perceval'. Chrétiens verhalen worden 'romans' genoemd,wat letterlijk 'Romaans' betekent, ofwel 'Frans'. -In het slot van 'Parzival, de Duitse bewerking van 'Comte du Graal' van Chrétiens de Troyes, die Wolfram von Eschenbach schreef (begin XIIIe eeuw), wordt een verband gelegd tussen de zwaanridder en het Brabants hertogelijk geslacht. Een rijke hertogin van Brabant is nog niet getrouwd, ondanks talrijke aanzoeken. Zij vertrouwt erop, dat God haar de geschikte man zal zenden. Haar lange wachten wordt beloond als in Antwerpen een knappe man arriveert, wiens bootje wordt voortgetrokken door een zwaan. De zwaanridder trouwt met haar op voorwaarde dat zij nooit zal vragen wie hij is. Zij worden gelukkig en krijgen mooie kinderen. Uiteindelijk loopt het toch nog slecht af als zij haar nieuwsgierigheid niet meer kan bedwingen en hem naar zijn echte identiteit vraagt... Vil liute in Brâbant noch sint, Die wol wizzen von in beiden, Ir enpfâhen, sîn dan scheiden, Daz in ir vrâge dan vertreip Und wie lange er dâ beleip. In Brabant zijn nog veel lieden, Die wel weten van hen beiden: Hoe zij hem ontving, hoe zij scheidden Omdat haar vraag hem verdreef, En hoe lang hij daar verbleef. -De 'Chevaler au Cygne' speelt zich af in en om Bouillon, terwijl de 'Parzival' verplaatst wordt naar Brabant. Eschenbach onthult dan dat de geheimzinnige zwaanridder, niemand anders is dan Loherangrin, de zoon van Parsifal. -Tijdens de middeleeuwen zijn er vele Arthurromans geschreven in Vlaanderen. De meeste zijn vertaald uit het Frans. Dat is ook het geval met Ferguut. 'Fergus' werd rond 1200 geschreven door de dichter Guillaume le Clerc. Ferguut verhaalt over het leerproces van een boerenzoon die er in slaagt om een hoofse ridder te worden. Galiene verklaart haar liefde aan Ferguut...Hen es dorper ne geen so fine Hem ensoude ontfarmen haer pine Die si dogede, die joncfrouwe. Si wranc haer hande met groten rouwe Ende si versuchte end weende sere, Want het dochte hare grote onnere. Op sine herte tintelde hare hant. Ferguut ontwakede alte hant Ende vant knielen Galienen Vore hem, ende sere wenen. Ferguut gegreepse herde saen Ende seide: 'Joncfrouwe, gi sijt gevaen! Segt mi, wat soekedi hier nu?' Galiene sprac: 'Ic come hier tu Lief, u minne heft mi ghevaen; Ghine troest mi, si sal mi verslaen, U minne doet mi groten toren. Al mine herte hebbic verloren Die hier tote u quam gevaren. Waer es soe, lief? Wijstse mi, caren, Geef mi mijn herte, soe doedi wel.' Ferguut sprac: 'Houdi u spel Joncfrouwe? in sach u herte nie. Sine quam hier niet; in segt bedie Haddicse, ic en gavese u niet; Ic ensachse nie, joncfrouwe, vliet!' 'Ay! her ridder, en secges nemmeer: Ghi hebt mijn herte, gi doet mi seer. Ghi hebter qualijc omme gesien Dat gi mi wech hetet vlien; Si es tuwen dienste lude en stille. Ghi moget met mi doen uwen wille. Ic en werde nemmer blide Sonder u in enegen tide; Om u ben ic in groter noet. Ghi hebt mijn leven ende mijn doet.' Al lachende so sprac Ferguut: 'Joncfrouwe, omme ander dinc ben ic uut Dan omme dusdane saken, comen: Ene battaelgie hebbic genomen Die ic emmer voldoen moet. Joncfrouwe, gevalse mi goet Tote u salic weder keren; Dan suldi mi te minnen leren. Mine minne sal u sijn gereet Ende al dat ic mach doen, Godweet!' ... Anoniem, Vlaanderen ca. 1250 Galiene verklaart haar liefde aan FerguutEr is geen volslagen dorper,Die niet zou meeleven met de smart Die de jonkvrouw doorstond. Vertwijfeld wrong zij haar handen Want het leek haar heel onterecht. Op zijn hart gloeide haar hand. Plotseling ontwaakte Ferguut En zag Galiene knielend En heftig wenend voor hem. Ferguut greep ze stevig vast En zei: 'Jonkvrouw je bent gevangen! Zeg me, wat zoek je hier?' Galiene sprak: 'Ik ben hier gekomen, lief, omdat jouw liefde me heeft bevangen. Als je me niet troost dan zal ze me doden, want ze doet me veel verdriet. Ik heb mijn hele hart verloren en het is jouw kant op gegaan. Waar is het, lief? Toon het mij, hartendief: je doet er goed aan mijn hart terug te geven.' Ferguut sprak: 'Speel je een spelletje met mij jonkvrouw? Ik heb jouw hart niet gezien. Het is hier niet. Ik bedoel, als ik jouw hart had, dan gaf ik het graag terug, maar ik heb het niet gezien. Ga weg!' 'Ach, heer ridder, doe niet zo flauw, jij hebt mijn hart en je doet me pijn. Je hebt nauwelijks gezocht, omdat je snel van mij af wil zijn, terwijl mijn hart voor jou is bestemd, voor altijd. Je mag met me doen wat je wil. Zonder jou zal ik nooit meer vrolijk zijn. Je hebt me in grote problemen gebracht: je hebt mijn leven en mijn dood in handen.' Lachend sprak Ferguut: 'Jonkvrouw, ik ben met heel andere dingen bezig! Ik heb de taak op mij genomen om te vechten. En die taak moet ik beslechten. Jonkvrouw, als mij dat lukt zal ik bij jou terugkomen; Dan zul je mij leren vrijen. Mijn liefde zal je krijgen En al wat ik mag doen, Godweet!' © Hertaling van Lepus ![]() Illustratie in middeleeuwse missaal Een ander genre uit de middeleeuwen was het dierenepos. De bekendste tekst is "Van den Vos Reinaerde" ![]() Ik viel ten prooi aan liefdessmartIk viel ten prooi aan liefdessmarttoen ik een ridder heb gekend; ik wou dat niemand ooit ontkent, dat ik door liefde was verward; ik weet nu waarom ik leed: door hem geen liefde te geven heb ik een grote fout bedreven, toen ik naakt was en gekleed. Ik zou zo graag mijn ridder strelen en in mijn naakte armen houden; ik zou mijn passie willen delen, en hem bedienen op zijn wenken; ik wil hem nog meer liefde schenken dan Floris Blancefloer kon geven. ik bied hem mijn liefde en mijn hart, mijn ziel mijn ogen en mijn leven. Zoete vriend ik bemin je bovenal; wanneer krijg ik je in mijn macht? als je met mij slaapt op een nacht dan geef ik je kussen overal; naar jou verlang ik meer, dan naar de liefde van mijn man, als jij mij beloven kan alles te doen wat ik begeer. © Hertaling van Lepus La comtessa Beatri(t)z de Dia was een 'trobairitz' (vrouwelijke troubadour) uit de Provence. Van haar zijn 3 liederen bewaard in het "Occitaans" (Lenga d'Òc => Langue d'Oc), waarvan één met muzieknotaties. In het bovenstaand lied (ca. 1160) uitte zij haar hartstochtelijke liefde voor de troubadour Raimbaut d'Aurenga (d'Orange). ![]() Uit het 'Loonse handschrift' (Borgloon XIVe en XVe eeuw): ![]() HADEWYCHMINNEDat suetste van minnen sijn hare storme;Haer diepste afgront es haer scoenste vorme; In haer verdolen dats na gheraken; Om haer verhongheren dats voeden ende smaken; Hare mestroest es seker wesen; Hare seerste wonden es al ghenesen; Om hare verdoyen dat es gheduren; Hare berghen es vinden alle uren; Om hare quelen dat es ghesonde; Hare helen openbaert hare conde; Hare onthouden sijn hare ghichten; Sonder redenne es hare scoenste dichten; Hare ghevangnesse es al verloest; Hare seerste slaen es hare suetste troest; Hare al beroven es groot vromen; Hare henen varen es naerre comen; Hare nederste stille es hare hoechste sanc; Hare groetste abolghe es hare liefste danc; Hare groetste dreighen es al trouwe; Hare droefheit es boete van allen rouwe; Hare rijcheit es hare al ghebreken. Noch machmen meer van minnen spreken: Hare hoechste trouwe doet neder sinken; Hare hoechste wesen doet diep verdrincken; Hare grote rijcheit maect armoede; Haers vele vercreghen toent onspoede; Hare troesten maect die wonden groot; Hare hanteren brinct meneghe doet; Hare voeden es hongher; hare kinnen es dolen; Verleidinghe es wijse van harer scolen; Hare hanteren sijn storme wreet; Hare ghedueren es in onghereet; Hare toenen es hare selven al helen; Hare ghichten sijn mere weder stelen; Hare gheloeften sijn al verleiden; Hare chierheiden sijn al oncleiden; Hare waerheit es al bedrieghen; Hare sekerheyt scijnt meneghen lieghen, Dies ic ende menich dat orconde Wel moghen draghen in alre stonde, Dien de minne dicken hevet ghetoent Saken daer wij sijn bi ghehoent, Ende waenden hebben dat hare bleef. Sint si mi ierst die treken treken dreef Ende ic ghemercte al hare seden, So hildicker mi al anders mede; Hare ghedreich, hare gheloven Daer met en werdic meer bedroghen. Ic wille hare wesen al datse si, Si goet, si fel: al eens eest mi. -Hadewych werd geboren in Brabant in de dertiende eeuw. Deze dichteres was een mystica, die deel uitmaakte van een groep godvruchtige vrouwen in de omgeving van Brussel. Zij werd ondermeer beïnvloed door de Provençaalse hoofse lyriek en de mysticus Bernard de Clairvaux. MINNEHet zoetste van de minne is haar storm;Haar diepste afgrond is haar schoonste vorm; In haar verdwalen komt ze omtrent; Wie om haar hongert eet succulent; Haar wantrouwen is zekerheid; Haar pijnlijkste wond is gezondheid; Om haar wegkwijnen is langer leven; Haar verbergen is vinden en beven; Om haar wegteren is gezond; Haar verhelen doet alles kond; Wat zij achterhoudt zijn haar giften; Woordeloos zijn haar mooiste gedichten; Haar gevangenis houdt open deur; Haar hardste slagen zijn haar zoet labeur; Haar plundertocht beurt buit en dromen; Haar weggaan is steeds dichter komen; Haar diepste stilte is haar hoogste klank; Haar grootste verbolgenheid is haar liefste dank; Haar ergste bedreiging is volledige trouw; Haar droefheid is loutering van alle rouw; Haar rijkdom zijn al haar gebreken. Men kan nog meer over minne spreken: Haar hoogste trouw doet laag zinken; Haar hoogste wezen doet wreed verdrinken; Haar grote rijkdom verbeurt have en goed; Haar bevoorrechten geven blijk van tegenspoed; Haar troost maakt de wonden groot; Wie met haar omgaat sterft menige dood; Haar voeden is honger; haar kennen is dolen; Verleiding is de wijsheid van haar scholen; Haar strelingen zijn woeste stormen; Haar manieren kennen geen normen; Als ze zich toont dan wil ze verhelen; Als ze iets schenkt dan wil ze weer stelen; Haar beloften worden niet bewaarheid; Haar tooi is volledige naaktheid; Haar waarheid is een en al bedriegen; Haar erewoord komt velen voor als liegen; Daar kunnen velen en ook ik van getuigen op ieder ogenblik: Dikwijls heeft de minne ons geleid En ons daarbij deerlijk misleid, In de waan dat we haar bezaten; Sinds ze voor het eerst de spot met me dreef En ik eindelijk hoogte van haar kreeg, heb ik haar niet alles meer toegelaten; Haar eeuwig dreigen en haar beloven, daarmee word ik nooit meer bedrogen. Het laat me koud of ze goed of slecht is; Ik wil voor haar zijn al wat ze zelf is. © Hertaling van Lepus -In de volkslyriek durven ook vrouwen het initiatief nemen, zoals in dit fragment van een weeflied. Aiglentinne stelt een pertinente vraag aan haar geliefde Henri: "Heer Henri bent u wakker of in slaap: Aiglentinne met haar schoon gelaat vraagt of u haar als vrouw en gelijke neemt ?" ![]() CUUSCHE SMALECuusche smale, haer bruun ogenDie haent mi dat gedaen, Dat ic minne moete dogen: Ic valle, in cans gestaen. Geft si mi troest, so waere mi wel besciet. Wacharme, ic pense sine willes doen niet. Die mi haet dus bevaen, In haer prisoen gedaen, Ensi mi troeste, ic ben doet, sonder waen. Hertog Jan van Brabant Het Middel-Nederlandse 'cuus' betekent schoon; rein; kuis; eerbaar 'Smale' of smael betekent mooi meisje; knappe vrouw EERBARE SCHOONHEIDEerbare schoonheid, haar bruine ogenhebben het mij aangedaan, dat ik liefde moet gedogen: ik val, ik kan niet staan. Als zij mij troost dan zal het wel gaan. O jee, ik vrees dat ze dat niet wil. Zij heeft me in haar cel gesmeten en als zij mij niet troosten wil, dan ga ik dood, zeker weten. © Hertaling van Lepus Naar boven Naar 'Bakermat' van de poëzie Naar 'Poëzieweb-Poetryweb' (home) HARBA LORI FA*Eens meienmorgens vroeWas ic opgestaen; In een scoen boemgaerdekijn Soudic spelen gaen. Daer vant ic drie joncfrouwen staen; Dene sanc vore, dander sanc na: Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa. Doe ic versach dat scone cruut In den boemgaerdekijn, Ende ic verhoorde dat soete geluut Van den mageden fijn, Doe verblide dat herte mijn, Dat ic moeste singen na: Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa. Doe groette ic die allerscoenste, Die daer onder stont; Ic liet mine arme al omme gaen; Doe, ter selver stont Ic woudese cussen an haren mont. Si sprac: 'Laet staen, laet staen, laet staen!' Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa. Hertog Jan van Brabant *"Harba lori fa" is waarschijnlijk afgeleid uit het Provençaals. "Herba flors fa" (l'herbe fait des fleurs): 'het kruid staat in bloei' Een andere versie van 'Harba lorifa' bevindt zich op een handschrift (No. 7266) in 'La Bibliothèque Impériale' (nu 'Bibliothèque Nationale de France'). Eins meien morgens frou was ick ufgestan, In ein boungartegin solde ick spiln gan, Da vant ick drie juncfrouwen stan, Si waren so wol getan. Die eine sang fur die ander sang na: Harba lorifa, harba lorifa, harba lorifa. Do ick ersach das schone krut, in den boungartegin, Und ick erhorte das suesse gelut, von den megden fin, Do verblide das herze min, Das ick muoste singen na: Harba lorifa, harba lorifa, harba lorifa. Do grueste ick de allerschoenste die darunder stuont, Ick lies min arme alum began, Do zur selben stunt, Ick wolte si kussen an irn munt Si sprach lat stan, lat stan, lat stan, Harba lorifa, harba lorifa, harba lorifa. XIIIe eeuw HARBA LORI FAVroeg op een ochtend in meiwas ik opgestaan; Ik wilde mij gaan vermeien in een tuin met bloemen en bijen. Daar trof ik drie jonkvrouwen aan; De een zong voor, de ander zong na: Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa. Toen ik die mooie flora zag in de tuin en het gelach en het zoete gezang vernam van de mooie maagden, toen stond mijn hart in vlam en zong ik ze vurig na: Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa. Toen groette ik de allermooiste die in hun midden stond; Ik sloeg mijn armen om haar heen, maar toen ik haar terstond wilde kussen op haar mond, sprak ze: 'Ga heen, ga heen, ga heen!' Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa. © Hertaling van Lepus Ic sach noyt so roden montIc sach noyt so roden montNoch oec so minlike oegen, Als si heeft, die mi heeft gewont Al in dat herte dogen. Doch leve ic in hogen Ende hope des loen ontfaen: Geeft si mi qualen dogen Si mach mis beteren saen. Lief, mi hevet u minne So vriendelike bevaen, Dat ic u met sinne Moete wese onderdaen. Mi es wale, als ic mach sijn Bi minre scone vrouwen, Ende ic danne haer claer anscijn Ende haer gelaet mach scouwen. God verde si van rouwen! Si es so wale gedaen, Dat ic haer bi trouwen Moete tallen dienste staen. Lief, mi hevet u minne So vriendelike bevaen, Dat ic u met sinne Moete wese onderdaen. Hertog Jan van Brabant (1254 - 1294) De roodharige Janneke Pijlijser (1253-1297) was de muze en één van de minnaressen van de flamboyante hertog. Het leeuwendeel van zijn minnegedichten waren aan haar gewijd. Ook een van zijn andere minnaressen, Frederique Rob(o)ulait, was een inspiratiebron voor zijn liefdespoëzie. ![]() 'k Zag nooit zo'n rode mond‘k Zag nooit zo'n rode mond,en zulke lieve ogen als zij heeft, die mij heeft verwond in het diepste van mijn hart. Toch leef ik welgemoed, en hoop ik dat zij mij beloont: als zij mij laat lijden, kan zij mij ook verblijden. Liefste, de liefde voor u heeft mij zo vriendelijk geroerd, dat ik van ganser harte uw onderdaan moet zijn. Het gaat mij goed, als ik bij mijn mooie vrouwe mag zijn en ik dan haar stralende gezicht mag aanschouwen. God vrijwaar haar voor verdriet! Ze is zo buitengewoon, dat ik haar vastberaden ten dienste moet staan. Liefste, de liefde voor u heeft mij zo vriendelijk geroerd, dat ik van ganser harte uw onderdaan moet zijn. © Hertaling van Lepus Ghequetst ben ic van binnenGhequetst ben ic van binnen,Duerwont mijn hert soe seer, Van uwer ganscher minnen Ghequetst soe lanc soe meer. Waer ic my wend, waer ic my keer, Ic en can gherusten dach noch nachte; Waer ic my wend, waer ic my keer, Ghy sijt alleen in mijn ghedachte. Anoniem (XIVe eeuw) Gekwetst ben ik van binnenGekwetst ben ik van binnen,mijn hart doet zo'n zeer, door jou te beminnen gekwetst, hoe langer hoe meer. Waar ik mij wend, waar ik mij keer, vind ik geen rust, dagen noch nachten; Waar ik mij wend, waar ik mij keer, ben jij alleen in mijn gedachten. © Hertaling van Lepus ICK SECH ADIEUIck sech adieu, wi twee wi moeten scheiden,Bi u laet ic dat herte mijn: Al waer ghi sijt, daer salt ooc sijn. Tsi vroud of mijn, Altoos sult ghi die liefste sijn. Adieu, adieu, adieu! tmoet immer wesen, Adieu, adieu! alst wesen moet. Ic ben ghewont, ic secht u bloot, Mijn hert lijdt noot, Ghi sijt mijn medicijn. Cost ic u eer of doocht bewisen, Dat sal ic doen nae mijn vermach, Bi u te bliven nacht ende dach Sonder verdrach Sonder besweer te sijn. Ewich uw eigen, Stadich sonder scheiden. Anoniem (XIVe eeuw) tsi vroud of mijn: het is mijn vreugde altoos: altijd; telkens; volstrekt ic secht u bloot: ik zeg het je duidelijk (vlakaf) doocht (doget): het goede; goedheid vermach: vermogen; macht verdrach: uitstel sonder besweer te sijn: zonder gekweld te zijn ewich uw eigen: altijd jezelf stadich: standvastig scheiden: scheiden; delen; verwijderen; sterven; eindigen Van de Roman van Limborch zijn er twee volledige handschriften en elf fragmenten bewaard. Het is een hoofse liefdesroman in de traditie van Chrétien de Troyes. Limborch verwijst naar het hertogdom Limbourg aan de Vesder dat na de slag van Woeringen (1288) ingelijfd werd door hertog Jan I van Brabant. Het heeft dus niets te maken met Limburg (het vroegere graafschap Loon). Deze levendige Brabantse ridderroman uit het begin van de veertiende eeuw telt 23.000 verzen en vertelt de avonturen van Heinric en Margriete. Het volgende fragment speelt zich af in het woud waar Margriete verdwaald is tijdens een jachtpartij. Na een slapeloze nacht ontmoet zij een koopman die door rovers werd overvallen: Lude riep si utermaten: "Her gode man, comt tere maghet, Die met rechte meer claghet Ende claghen mach hare verlies Dan ghi moghet, sijt seker dies." Die man diese van verren sach, Peinster: "En es gheen bejach Te comene ane dulle wijf; Ic ben arm ghenouch ende keytijf Al scuwe ic quade wijf altoes. Mijn goet dat ic hier verloes Doet mi vergheten alre joyen, Jonfrouwe mi en constu niet vervroyen, Mi es meer mijn armoede dan iet el Ende mijn vernoy dan mijn spel; Ter droever tijt was ic gheboren." Doe seide die maghet uutvercoren Wenende met groten tranen: "Bi gode here, ghine dorft niet wanen Dat ic uwe ghemeenscap ghere; Met onghevalle quam ic here, Ic ben verdoolt in weet hoe." Zij riep uit alle macht: "Goede man, kom naar dit meisje dat terecht haar nood klaagt en meer te klagen heeft om haar verlies dan u, wees daar maar zeker van." De man die haar vanuit de verte zag, dacht bij zichzelf: "Men vindt geen baat door zich in te laten met dwaze vrouwen. Ik ben arm en ellendig genoeg al mijd ik steeds verdorven wijven. Have en goed die ik hier verloren heb doen mij alle vreugde vergeten." "Jonkvrouw, mij kunt u niet versieren. Ik heb meer armoede dan wie dan ook en mijn last is groter dan mijn geluk. Een droevig lot is mij beschoren." Toen barstte het voorbeeldige meisje in tranen uit en zei: "Bij God, heer, u mag niet denken dat ik met u wil vrijen. Per ongeluk kwam ik hier terecht. Hoe ik verdwaald ben, dat weet ik niet." © Hertaling van Lepus Naar boven ![]() -Het verhaal van Beatrijs duikt voor het eerst op in de Libri octo miraculorum van Caesarius van Heisterbach (ca. 1180-1240). 'Beatrijs' is overgeleverd in vrijwel alle Westeuropese talen. Een Middelnederlandse vertaling van het prozaverhaal is in een aantal handschriften bewaard gebleven. Pas in de negentiende eeuw werd de Dietse berijmde versie herontdekt. De legende van de non Beatrijs, verhaalt hoe ze, overmand door 'minne', zich uit het klooster laat wegvoeren door een jonge man. Ze beleven samen zeven gelukkige jaren en krijgen twee kinderen. Als het geld op raakt, laat de minnaar haar hardvochtig in de steek. Beatrijs moet nu als prostituee in haar eigen onderhoud en dat van haar kinderen voorzien. Tijdens die moeilijke periode blijft ze echter dagelijks tot Maria bidden. Vervolgens wordt ze door berouw overmand en keert met haar kinderen terug naar de streek van het klooster waaruit zij gevlucht is. Daar wordt ze in drie achtereenvolgende visioenen aangespoord haar vroegere taak als kosteres weer uit te oefenen. Uiteindelijk meldt ze zich aan in het klooster en ontdekt dat Maria al die jaren haar plaats heeft ingenomen. Bij haar vlucht uit het klooster laat Beatrijs haar habijt achter bij het altaar van Maria. In haar hemd betreedt ze de tuin waar haar lief al staat te wachten. Fragment: Inden vergier quam si met vare. Die jongelinc wert haers gheware. Hi seide: ‘Lief, en verveert u niet: Hets u vrient dat ghi hier siet.’ Doen si beide te samen quamen, Si begonste hare te scamen Om dat si in enen pels stoet Bloets hoeft ende barvoet. Doen seidi: ‘Wel scone lichame, U soe waren bat bequame Scone ghewaden ende goede cleder. Hebter mi om niet te leder, Ic salse u gheven sciere.' Doen ghingen si onder den eglentiere... Angstig kwam ze onder de bomen, toen de jongeling haar zag komen. Hij zei: ‘Lief, schrik maar niet, het is je vriend, die je hier ziet.’ Toen ze beiden samenkwamen, begon ze zich te schamen, want ze stond in haar ondergoed, blootshoofds en met niets aan de voet. Toen zei hij: ‘Vrouw van mijn verlangen, ik zal je helemaal omhangen met mooie sluiers en fijne kleren. Je hoeft je niet meer te generen, want alles ligt al voor je klaar.’ Toen gingen ze onder de rozelaar... Brabant ca. 1374. © Hertaling van Lepus Link naar 'Beatrijs' in het Diets (KB). ![]() De dichter van de onlangs (2008) ontdekte 'Mechelse boekenrol' gebruikte zijn erotische verzen als glijmiddel voor zijn maatschappijkritiek. Hij nam de geestelijke en wereldlijke overheid op de korrel...Mechelen ca. 1325 - © Hertaling Lepus P.S. In de Mechelse stadsrekeningen zijn ook een vierhonderdtal verzen opgedoken van 'Jonathas & Rosafiere', een ridderroman met miraculeuze wendingen, waarin o.a. incest en verwijzingen naar de kruistochten aan bod komen. (2e helft van de 14e eeuw) ![]() LIED VAN HEER HALEWIJN![]() Heer Halewyn zong een liedekijn, Al die dat hoorde wou bi hem zijn. En dat vernam een koningskind, Die was zoo schoon en zoo bemind. Zi ging voor haren vader staen: 'Och vader, mag ik naer Halewijn gaen?' 'Och neen, gy dochter, neen, gy niet: Die derwaert gaen, en keeren niet!' Zy ging voor hare moeder staen: 'Och moeder, mag ik naer Halewyn gaen?' 'Och neen, gy dochter, neen, gy niet: Die derwaert gaen, en keeren niet!' Zy ging voor hare zuster staen: 'Och zuster, mag ik naer Halewyn gaen?' 'Och neen, gy zuster, neen, gy niet: Die derwaert gaen, en keeren niet!' Zy ging voor haren broeder staen: 'Och broeder, mag ik naer Halewyn gaen?' ''t Is my al eens, waer dat gy gaet, Als gy uw eer maer wel bewaert En gy uw kroon naer rechten draegt!' Toen is zy op haer kamer gegaen En deed haer beste kleeren aen. Wat deed zy aen haere lyve? Een hemdeken fynder als zyde Wat deed zy aen? Haer schoon korslyf: Van gouden banden stond het styf. Wat deed zy aen? Haren rooden rok: Van steke tot steke een gouden knop. Wat deed zy aen? Haren keirle: Van steke tot steke een peirle. Wat deed zy aen haer schoon blond hair? Een krone van goud en die woog zwaer. Zy ging al in haer vaders stal En koos daer 't besten ros van al. Zy zette zich schrylings op het ros: Zingend en klingend reed zy door het bosch. Als zy te midden 't bosch mogt zyn, Daer vond zy myn heer Halewyn. Hy bond syn peerd aen eenen boom, De joncvrouw was vol anxt en schroom. 'Gegroet', sei hy, 'gy schoone maegd, Gegroet', sei hy, 'bruyn oogen claer, Comt, zit hier neer, onbindt u hair.' Soo menich hair dat si onbondt, Soo menich traentjen haer ontron. Zy reden met malkander voort En onderweg viel menig woord. Zy kwamen al aen een galgenveld; Daer hing zoo menig vrouwenbeeld. Alsdan heeft hy tot haer gezeid: 'Mits gy de schoonste maget zyt, Zoo kiest uw dood! het is noch tyd.' 'Wel, als ik dan hier kiezen zal, Zoo kieze ik dan het zweerd voor al. Maer trekt eerst uit uw opperst kleed. Want maegdenbloed dat spreidt zoo breed, Zoo 't u bespreide, het ware my leed.' Eer dat zyn kleed getogen was, Zyn hoofd lag voor zyn voeten ras; Zyn tong nog deze woorden sprak: 'Gaet ginder in het koren En blaest daer op mynen horen, Dat al myn vrienden het hooren!' 'Al in het koren en gaen ik niet, Op uwen horen en blaes ik niet..' 'Gaet ginder onder de galge En haelt daer een pot met zalve En strykt dat aen myn rooden hals!' 'Al onder de galge en gaen ik niet, Uwen rooden hals en strijk ik niet, Moordenaers raed en doen ik niet.' Zy nam het hoofd al by het haer, En waschtet in een bronne klaer. Zy zette haer schrylings op het ros, Zingend en klingend reed zy doort bosch. En als zy was ter halver baen, Kwam Halewyns moeder daer gegaen: 'Schoon maegd, zaegt gy myn zoon niet gaen?' 'Uw zoon heer Halewyn is gaen jagen, G'en ziet hem weer uw levens dagen. Uw zoon heer Halewyn is dood Ik heb zijn hoofd in mynen schoot Van bloed is myne voorschoot rood.' Toen ze aen haers vaders poorte kwam, Zy blaesde den horen als een man. En als de vader dit vernam, 't Verheugde hem dat zy weder kwam. Daer wierd gehouden een banket, Het hoofd werd op de tafel gezet. Anonymus (ca. 1400) Ik was in mijn hoofkijn om kruud gegaanIk was in mijn hoofkijn om kruud gegaan,Ik en vand er niet dan distel ende doorn staan. Den distel ende den doorn die wierp ik uut, Ik zoude gaarne planten ander kruud. Nu heb ik een gevonden, die gaarden kan; Hi wil die zorge gaarne nemen an. Een boom was hoog gewassen in korten tijd, Dien vond ik uter aarden gebrengen niet. Dat hinder van den bome merkte hi waal, Hi toog ‘m uter aarden altemaal. Nu moet ik hem wezen onderdaan, Oft hi en wil dat gaarden niet bestaan. Mijn hoofken moet ik wiên tot alre tijd, Nochtans en kan ik ‘s klaar gehouden niet. Hierin zo moet ik zaaien leliënzaad, Dit moet ik vroeg beginnen in der dageraad. Als hi daarop laat dauwen, die minre mijn, Zo zal dit zaaiken schier bekleven zijn. Die leliën ziet hi gaarne, die minre mijn, Als zi te rechte bloeien ende zuver zijn. Als die rode rozen daaronder staan, Zo laat hij zinen zoete dauw daarover gaan. Als hi daarop laat schinen der zonnen schijn, Zo verbliden alle die krachten der zielen mijn. Jezus is zijn name, die minre mijn! Ik wil hem eeuwelijk dienen en zijn eigen zijn. Zijn min heeft mi gegeven zo hogen moed, Dat ik niet meer en achte dit aardse goed. Zuster Bertken (1427-1514) hoofkijn: tuintje die wierp ik uut: die verwijderde ik; die wiedde ik gaarden: tuinieren boom: symbool voor het kwade (zonde) bestaan: doen leliënzaad: symbool voor zuiverheid bekleven zijn: kiemen; wortel vormen minre: minnaar rode rozen: symbool voor hartstochtelijke liefde min (minne): liefde; hier de liefde voor God |

![]() Rederijkerskamer -De rederijkerskamers ontstonden in Noord-Frankrijk in de loop van de dertiende en veertiende eeuw. In de vijftiende eeuw vestigden zij zich in Vlaanderen, Brabant en enkele decennia later ook in Zeeland. De literaire kwaliteit van hun werken was meestal middelmatig. Toch ontstonden er in hun kringen soms interessante lyrische stukken, zoals het allegorische "Den Spyeghel der Salicheyt van Elckerlyc" en het mirakelspel "Mariken van Nieumeghen". |

-Een van de belangrijkste perkamenten manuscripten uit de XVe eeuw is 'Het Gruuthuse-handschrift'. Het Gruuthuse-handschrift bevat berijmde gebeden, liederen en gedichten. Het krijgt dan ook een aparte plaats op deze website. ![]() Egidiuslied uit Het Gruuthuse-handschrift ![]() |

