Poëzie in de middeleeuwen


Afbeelding van Heinric van Veldeken.
Codex Manesse - 2e helft van de 12e eeuw.
Große Heidelberger Liederhandschrift.
In 1888 werd de codex verkocht 
aan de Bibliotheca Palatina te Heidelberg.

"De eerste versregels uit de Nederlandstalige poëzie" !

hebban olla uogala nestas bigunnan
hinase hic enda thu
wat unbidan we nu

alle vogels zijn aan hun nesten begonnen
behalve ik en jij
wel waarop wachten wij


Vlaamse monnik in de abdij van Rochester
(begin XIIe eeuw)

separator


-Het Latijn was vóór de elfde eeuw de taal van het bestuur 
en de geschreven literatuur (vooral in de kloosters).
Na de elfde eeuw vinden we literaire werken in de volkstalen 
die uit het Latijn ontstaan zijn (Romaanse talen).
In de Zuidelijke Nederlanden begon men te schrijven in 
een Germaanse taal, namelijk het 'Diets' (Middelnederlands). 
De eerste schrijvers en dichters in het Diets waren 
Heinric van Veldeken, 'Willem' (Madoc, Reynaert), Jacob 
van Maerlant, enz.
De versmaat van de middeleeuwse gedichten was nog niet 
aan strenge regels gebonden. Het ging vooral om het rijm, 
dat diende als geheugensteun bij de declamatie. Pas in 
de renaissance werd het metrum belangrijk, ondermeer 
met de opkomst van het sonnet.

-
Heinric van Veldeken 

Hij was van lage adel en werd geboren in het graafschap Loon.
Op verzoek van Agnes, Gravin van Loon schreef hij 
de 'Servaaslegende' (Sente Servas - ca. 1170). 
Omstreeks 1174 begon hij ook aan een ridderverhaal over 
de Trojaanse held Eneas (Lat. Aeneas).
Hij is de eerste auteur uit de Nederlandstalige literatuur, 
waarvan volledige gedichten en literaire werken bewaard 
zijn gebleven. Ook in de Duitstalige literatuur neemt hij 
een belangrijke plaats in.

IN DEN TIDEN DAT DIE ROSEN

In den tiden dat die rosen
tounen manech scone blat,
so vloeket men den blidelosen
die wroegere siin ane maneger stat,
want sie der minnen siin gehat
ende den minneren gerne nosen.
van den bosen moete Got ons losen !

Men darf den bosen niewet vloeken.
hen wirt dicke onsachte wé,
want sie warden ende loeken
alse dé sprenket in den sné.
des siin sie vele die mere gevé,
doch ne darf es nieman roeken,
want sie soeken peren op den boeken.


ZE ZOEKEN PEREN AAN DE BEUKEN

In het seizoen dat de rozen
vele mooie blaadjes tonen
vervloekt men de vreugdelozen,
die overal aan het vitten zijn
omdat ze de liefde haten
en de minnaars graag bestrijden met venijn.
Moge God de bozen lozen.

Men moet niet schelden op deze lieden,
want hun boosheid kan hen niet baten.
Immers, ze loeren en ze spieden,
alsof ze rondspringen in de sneeuw:
Deze lieden zijn boosaardig
en dus niemands aandacht waardig,
want ze zoeken peren aan de beuken.

Heinric van Veldeken (ca. 1140 - 1210)

© Hertaling van Lepus


-Frankische of Karelromans werden ook in verzenvorm
geschreven. Als voorbeeld volgt een fragment
uit de Dietse roman "Karel ende Elegast".


Fraeye historie ende al waer
Mach ic v tellen hoort naer
Het was op enen auontstont
Dat karel slapen begonde
Tengelem op den rijn
Dlant was alle gader sijn.
Hi was keyser ende coninc mede.
Hoort hier wonder ende waerhede
Wat den coninc daer gheuel
Dat weten noch die menige wel
Tenghelem al daer hi lach
Ende waende op den anderen dach
Crone draghen ende houden hof
Om te meerderen sinen lof
Daer die coninc lach ende sliep
Een heilich engel aen hem riep
So dat die coninc ontbrac
Biden woerden die dengel sprac
Ende seyde staet op edel man.
Doet haestelic v cleeder an
Wapent v ende vaert stelen...


Tengelem: in Ingelheim (aan de Rijn)
u=v en v=u.


-De 'hoofse poëzie' in de twaalfde en dertiende eeuw
werd beoefend door minstrelen, troubadours (onder de Loire)
en trouvères (boven de Loire). Deze hoflyriek gaat meestal
over een edelvrouw, die door haar aanbidder op een hoofse
manier wordt bezongen.

-De 'uitvinder' van de Arthurroman is Chrétien de Troyes.
Hij schreef tussen 1170 en 1190 vijf berijmde ridderverhalen
in het Frans, o.a. 'Erec', 'Lancelot' en 'Perceval'. Chrétiens
verhalen worden 'romans' genoemd,wat letterlijk 'Romaans'
betekent, ofwel 'Frans'.

-In het slot van 'Parzival, de Duitse bewerking van 'Comte
du Graal' van Chrétiens de Troyes, die Wolfram von Eschenbach
schreef (begin XIIIe eeuw), wordt een verband gelegd tussen
de zwaanridder en het Brabants hertogelijk geslacht.
Een rijke hertogin van Brabant is nog niet getrouwd, ondanks
talrijke aanzoeken. Zij vertrouwt erop, dat God haar de geschikte
man zal zenden. Haar lange wachten wordt beloond als in Antwerpen
een knappe man arriveert, wiens bootje wordt voortgetrokken door
een zwaan. De zwaanridder trouwt met haar op voorwaarde dat zij
nooit zal vragen wie hij is.
Zij worden gelukkig en krijgen mooie kinderen. Uiteindelijk loopt
het toch nog slecht af als zij haar nieuwsgierigheid niet meer
kan bedwingen en hem naar zijn echte identiteit vraagt...

Vil liute in Brâbant noch sint,
Die wol wizzen von in beiden,
Ir enpfâhen, sîn dan scheiden,
Daz in ir vrâge dan vertreip
Und wie lange er dâ beleip.

In Brabant zijn nog veel lieden,
Die wel weten van hen beiden:
Hoe zij hem ontving, hoe zij scheidden
Omdat haar vraag hem verdreef,
En hoe lang hij daar verbleef.


© Hertaling van Lepus


-De 'Chevaler au Cygne' speelt zich af in en om Bouillon,
terwijl de 'Parzival' verplaatst wordt naar Brabant.
Eschenbach onthult dan dat de geheimzinnige zwaanridder,
niemand anders is dan Loherangrin, de zoon van Parsifal.

-Tijdens de middeleeuwen zijn er vele Arthurromans geschreven
in Vlaanderen. De meeste zijn vertaald uit het Frans. Dat is ook
het geval met Ferguut.
'Fergus' werd rond 1200 geschreven door de dichter Guillaume
le Clerc. Ferguut verhaalt over het leerproces van een boeren-
zoon die er in slaagt om een hoofse ridder te worden.

Galiene verklaart haar liefde aan Ferguut

...
Hen es dorper ne geen so fine
Hem ensoude ontfarmen haer pine
Die si dogede, die joncfrouwe.
Si wranc haer hande met groten rouwe
Ende si versuchte end weende sere,
Want het dochte hare grote onnere.
Op sine herte tintelde hare hant.
Ferguut ontwakede alte hant
Ende vant knielen Galienen
Vore hem, ende sere wenen.
Ferguut gegreepse herde saen
Ende seide: 'Joncfrouwe, gi sijt gevaen!
Segt mi, wat soekedi hier nu?'
Galiene sprac: 'Ic come hier tu
Lief, u minne heft mi ghevaen;
Ghine troest mi, si sal mi verslaen,
U minne doet mi groten toren.
Al mine herte hebbic verloren
Die hier tote u quam gevaren.
Waer es soe, lief? Wijstse mi, caren,
Geef mi mijn herte, soe doedi wel.'
Ferguut sprac: 'Houdi u spel
Joncfrouwe? in sach u herte nie.
Sine quam hier niet; in segt bedie
Haddicse, ic en gavese u niet;
Ic ensachse nie, joncfrouwe, vliet!'
'Ay! her ridder, en secges nemmeer:
Ghi hebt mijn herte, gi doet mi seer.
Ghi hebter qualijc omme gesien
Dat gi mi wech hetet vlien;
Si es tuwen dienste lude en stille.
Ghi moget met mi doen uwen wille.
Ic en werde nemmer blide
Sonder u in enegen tide;
Om u ben ic in groter noet.
Ghi hebt mijn leven ende mijn doet.'
Al lachende so sprac Ferguut:
'Joncfrouwe, omme ander dinc ben ic uut
Dan omme dusdane saken, comen:
Ene battaelgie hebbic genomen
Die ic emmer voldoen moet.
Joncfrouwe, gevalse mi goet
Tote u salic weder keren;
Dan suldi mi te minnen leren.
Mine minne sal u sijn gereet
Ende al dat ic mach doen, Godweet!'
...
Anoniem, Vlaanderen ca. 1250

Galiene verklaart haar liefde aan Ferguut

Er is geen volslagen dorper,
Die niet zou meeleven met de smart
Die de jonkvrouw doorstond.
Vertwijfeld wrong zij haar handen
Want het leek haar heel onterecht.
Op zijn hart gloeide haar hand.
Plotseling ontwaakte Ferguut
En zag Galiene knielend
En heftig wenend voor hem.
Ferguut greep ze stevig vast
En zei: 'Jonkvrouw je bent gevangen!
Zeg me, wat zoek je hier?'
Galiene sprak: 'Ik ben hier gekomen,
lief, omdat jouw liefde me heeft bevangen.
Als je me niet troost dan zal ze me doden,
want ze doet me veel verdriet.
Ik heb mijn hele hart verloren
en het is jouw kant op gegaan.
Waar is het, lief? Toon het mij, hartendief:
je doet er goed aan mijn hart terug te geven.'
Ferguut sprak: 'Speel je een spelletje met mij
jonkvrouw? Ik heb jouw hart niet gezien.
Het is hier niet. Ik bedoel, als
ik jouw hart had, dan gaf ik het graag terug,
maar ik heb het niet gezien. Ga weg!'
'Ach, heer ridder, doe niet zo flauw,
jij hebt mijn hart en je doet me pijn.
Je hebt nauwelijks gezocht,
omdat je snel van mij af wil zijn,
terwijl mijn hart voor jou is bestemd, voor altijd.
Je mag met me doen wat je wil.
Zonder jou zal ik
nooit meer vrolijk zijn.
Je hebt me in grote problemen gebracht:
je hebt mijn leven en mijn dood in handen.'
Lachend sprak Ferguut:
'Jonkvrouw, ik ben met heel andere
dingen bezig! Ik heb de taak
op mij genomen om te vechten.
En die taak moet ik beslechten.
Jonkvrouw, als mij dat lukt
zal ik bij jou terugkomen;
Dan zul je mij leren vrijen.
Mijn liefde zal je krijgen
En al wat ik mag doen, Godweet!'

© Hertaling van Lepus


Illustratie in middeleeuwse missaal

Een ander genre uit de middeleeuwen was het dierenepos.
De bekendste tekst is "Van den Vos Reynaerde"

Fragment:

Het was in eenen tsinxen daghe,
Dat beede bosch ende haghe
Met groenen loveren waren bevaen.
Nobel, die coninc hadde ghedaen
Sijn hof crayeren over al,
Dat hi waende, hadde hijs gheval,
Houden ten wel groten love
Doe quamen tes sconinx hove
Alle die diere, groet ende cleene,
Sonder Vos Reynaert alleene.
Hi hadde te hove so vele mesdaen,
Dat hire niet dorste gaen:
Die hem beschuldigh kent, ontsiet.
Also was Reynaerde ghesciet,
Ende hier omme scuwede sconinx hof,
Daer hi in hadde crancken lof.
Doe al dat hof versamet was,
Was daer niemen sonder die das,
Hine hadde te claghene over Reynaerde,
Den fellen metten grijsen baerde...

13e eeuw



middeleeuwen

Ik viel ten prooi aan liefdessmart

Ik viel ten prooi aan liefdessmart
toen ik een ridder heb gekend;
ik wou dat niemand ooit ontkent,
dat ik door liefde was verward;
ik weet nu wat mij deerde:
ik wou hem geen liefde geven,
alhoewel ik hem begeerde,
of ik nu naakt was of gekleed.

Nu zou ik graag mijn ridder strelen
en in mijn naakte armen houden;
ik zou mijn passie willen delen,
en hem bedienen op zijn wenken;
ik wil hem nog meer liefde schenken
dan Floris Blancefloer kon geven.
ik bied hem mijn liefde en mijn hart,
mijn ziel mijn ogen en mijn leven.

Zoete vriend ik bemin je bovenal;
wanneer krijg ik je in mijn macht?
als je met mij slaapt op een nacht
dan geef ik je kussen overal;
naar jou verlang ik meer,
dan naar de liefde van mijn man,
als jij mij beloven kan
alles te doen wat ik begeer.


© Hertaling van Lepus

La comtessa Beatri(t)z de Dia was een 'trobairitz'
(vrouwelijke troubadour) uit de Provence. Van haar
zijn 3 liederen bewaard in het "Occitaans"
(Lenga d'Òc => Langue d'Oc), waarvan één met muzieknotaties.
In het bovenstaand lied (ca. 1160) uitte zij haar hartstochtelijke
liefde voor de troubadour Raimbaut d'Aurenga (d'Orange).

separator

Uit het 'Loonse handschrift' 
(Borgloon XIVe en XVe eeuw):

Mijn vader gaf my enen man

1. Mijn vader gaf my enen man, Van ouden 1 was hem sijn baert soe grijs, Der mynnen spel hij niet en can, Sijn lijf es couder dan een yes 2. Wanneer hij rust, Soe crighic lust Te ligghen al in den aermen sijn - Meshouwet soe is den name mijn ! 3 2. Maer als hy sclapen compt met my, Dan duuct hy onder, hij doet my sere, Ende hy crupt achter 4, dat dunct my vrij, Als ic vrintscap aen hem begere. Hy es soe stedich 5, Altoes leyt hij ledich 6, Ende ic soude soe gerne vrolich sijn - Meshouwet soe es den name mijn! 3. Dan leyt hy en ronct allen den nacht Ende altoes sclaept hi, den ouden catijf 7, Als die myns niet seere en acht, Gheen tijt en compt hem vreucht int lijf, Ende maect hem siec 8, Den ouden griec, Hij ronct als waert een everswijn - Meshouwet soe es den name mijn! 4. Waer 9 hy my seyt, hy en betrut my niet 10 Hy doet mich wachten nacht ende dach, Dus liit mijn hertte groet verdriet; Maer dat ic noch myn gheliden mach En cannic niet verdraghen: Dat siin grote sclaghe, Die hy mi gheeft, den ouden katijf - Meshouwet soe es den name mijn! 5. Noch en achtich dat niet een slee 11, Mochtich ligghen al in den aermen naect, Allen nacht een oerken of twee Van mynen lieve, dat naer my wacht. Ic en cans niet heelen: Ic soude soe gerne spelen Met sijnder flouten 12, sy es soe fijn - Meshouwet soe es den name mijn! 1) van ouden: van ouderdom 2) yes: ijs 3) meshouwet = mishuwd; Meshouwet soe es den name mijn: ik ben met de verkeerde getrouwd 4) hij crupt achter: hij kruipt weg; hij doet zijn echtelijke plicht niet 5) stedich: zich altijd op dezelfde manier gedragend; saai 6) ledich: nietsdoend, lui, tam 7) catijf: ellendeling 8) maect hem siec: brengt hem tot minnekoorts 9) waer: voorwaar 10) hy en betrut my niet: hij vertrouwt mij niet 11) niet een slee: niet eens een sleepruimpje; hoegenaamd niets 12) flouten: fluit (metafoor voor penis)

Mijn vader gaf mij een man

1. Mijn vader gaf mij een man. Van ouderdom is zijn baard zo grijs, Het liefdesspel dat kan hij niet, Zijn lijf is kouder dan ijs. Wanneer hij rust, Dan krijg ik lust In een liefdesfestijn - Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn ! 2. Maar als hij bij mij komt slapen, Dan ploft hij neer en doet mij zeer, En hij kruipt weg telkens weer Als ik met hem wil vrijen. Hij is zo saai. Altijd is hij moe en bot, En ik verlang hartstochtelijk naar genot - Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn ! 3. Dan ligt hij heel de nacht te snurken En slaapt aan een stuk, die oude smiecht, Alsof ik niet voor hem besta; Nooit wil hij mij beminnen, Of raakt hij buiten zinnen, Die oude knar; Hij snurkt als een everzwijn - Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn ! 4. Hij vertrouwt mij voor geen zier En houdt mij altijd in het vizier, Dus lijdt mijn hart groot verdriet; Maar dat ik niet mezelf mag zijn Dat kan ik niet verdragen, Noch zijn harde slagen Die hij mij geeft, dat oud zwijn - Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn ! 5. Dat alles zou ik graag verduren, Als ik 's nachts enkele uren, Naakt in de armen mocht liggen, Van mijn liefste die op mij wacht. Ik kan het niet verhelen: Ik zou zo graag spelen Met zijn fluit, die is zo fijn - Met mijn man kan ik niet gelukkig zijn !

© Hertaling Lepus
separator

HADEWYCH

MINNE

Dat suetste van minnen sijn hare storme;
Haer diepste afgront es haer scoenste vorme;
In haer verdolen dats na gheraken;
Om haer verhongheren dats voeden ende smaken;
Hare mestroest es seker wesen;
Hare seerste wonden es al ghenesen;
Om hare verdoyen dat es gheduren;
Hare berghen es vinden alle uren;
Om hare quelen dat es ghesonde;
Hare helen openbaert hare conde;
Hare onthouden sijn hare ghichten;
Sonder redenne es hare scoenste dichten;
Hare ghevangnesse es al verloest;
Hare seerste slaen es hare suetste troest;
Hare al beroven es groot vromen;
Hare henen varen es naerre comen;
Hare nederste stille es hare hoechste sanc;
Hare groetste abolghe es hare liefste danc;
Hare groetste dreighen es al trouwe;
Hare droefheit es boete van allen rouwe;
Hare rijcheit es hare al ghebreken.

Noch machmen meer van minnen spreken:
Hare hoechste trouwe doet neder sinken;
Hare hoechste wesen doet diep verdrincken;
Hare grote rijcheit maect armoede;
Haers vele vercreghen toent onspoede;
Hare troesten maect die wonden groot;
Hare hanteren brinct meneghe doet;
Hare voeden es hongher; hare kinnen es dolen;
Verleidinghe es wijse van harer scolen;
Hare hanteren sijn storme wreet;
Hare ghedueren es in onghereet;
Hare toenen es hare selven al helen;
Hare ghichten sijn mere weder stelen;
Hare gheloeften sijn al verleiden;
Hare chierheiden sijn al oncleiden;
Hare waerheit es al bedrieghen;
Hare sekerheyt scijnt meneghen lieghen,
Dies ic ende menich dat orconde
Wel moghen draghen in alre stonde,
Dien de minne dicken hevet ghetoent
Saken daer wij sijn bi ghehoent,
Ende waenden hebben dat hare bleef.
Sint si mi ierst die treken treken dreef
Ende ic ghemercte al hare seden,
So hildicker mi al anders mede;
Hare ghedreich, hare gheloven
Daer met en werdic meer bedroghen.
Ic wille hare wesen al datse si,
Si goet, si fel: al eens eest mi.



-Hadewych werd geboren in Brabant in de 2e helft
van de dertiende eeuw. Deze dichteres was een mystica,
die deel uitmaakte van een groep godvruchtige vrouwen
in de omgeving van Brussel. Zij werd ondermeer beïnvloed
door de Provençaalse hoofse lyriek en de mysticus
Bernard de Clairvaux.


MINNE

Het zoetste van de minne is haar storm;
Haar diepste afgrond is haar schoonste vorm;
In haar verdwalen komt ze omtrent;
Wie om haar hongert eet succulent;
Haar wantrouwen is zekerheid;
Haar pijnlijkste wond is gezondheid;
Om haar wegkwijnen is langer leven;
Haar verbergen is vinden en beven;
Om haar wegteren is gezond;
Haar verhelen doet alles kond;
Wat zij achterhoudt zijn haar giften;
Woordeloos zijn haar mooiste gedichten;
Haar gevangenis houdt open deur;
Haar hardste slagen zijn haar zoet labeur;
Haar plundertocht beurt buit en dromen;
Haar weggaan is steeds dichter komen;
Haar diepste stilte is haar hoogste klank;
Haar grootste verbolgenheid is haar liefste dank;
Haar ergste bedreiging is volledige trouw;
Haar droefheid is loutering van alle rouw;
Haar rijkdom zijn al haar gebreken.

Men kan nog meer over minne spreken:
Haar hoogste trouw doet laag zinken;
Haar hoogste wezen doet wreed verdrinken;
Haar grote rijkdom verbeurt have en goed;
Haar bevoorrechten geven blijk van tegenspoed;
Haar troost maakt de wonden groot;
Wie met haar omgaat sterft menige dood;
Haar voeden is honger; haar kennen is dolen;
Verleiding is de wijsheid van haar scholen;
Haar strelingen zijn woeste stormen;
Haar manieren kennen geen normen;
Als ze zich toont dan wil ze verhelen;
Als ze iets schenkt dan wil ze weer stelen;
Haar beloften worden niet bewaarheid;
Haar tooi is volledige naaktheid;
Haar waarheid is een en al bedriegen;
Haar erewoord komt velen voor als liegen;

Daar kunnen velen en ook ik
van getuigen op ieder ogenblik:
Dikwijls heeft de minne ons geleid
En ons daarbij deerlijk misleid,
In de waan dat we haar bezaten;
Sinds ze voor het eerst de spot met me dreef
En ik eindelijk hoogte van haar kreeg,
heb ik haar niet alles meer toegelaten;
Haar eeuwig dreigen en haar beloven,
daarmee word ik nooit meer bedrogen.
Het laat me koud of ze goed of slecht is;
Ik wil voor haar zijn al wat ze zelf is.


© Hertaling van Lepus


-In de volkslyriek durven ook vrouwen het initiatief nemen,
zoals in dit fragment van een weeflied. Aiglentinne stelt
een pertinente vraag aan haar geliefde Henri:

"Heer Henri bent u wakker of in slaap:
Aiglentinne met haar schoon gelaat vraagt
of u haar als vrouw en gelijke neemt ?"


separator

CUUSCHE SMALE

Cuusche smale, haer bruun ogen
Die haent mi dat gedaen,
Dat ic minne moete dogen:
Ic valle, in cans gestaen.
Geft si mi troest, so waere mi wel besciet.
Wacharme, ic pense sine willes doen niet.
Die mi haet dus bevaen,
In haer prisoen gedaen,
Ensi mi troeste, ic ben doet, sonder waen.

Hertog Jan van Brabant

Het Middel-Nederlandse 'cuus' betekent schoon; rein; kuis; eerbaar
'Smale' of smael betekent mooi meisje; knappe vrouw


EERBARE SCHOONHEID

Eerbare schoonheid, haar bruine ogen
hebben het mij aangedaan,
dat ik liefde moet gedogen:
ik val, ik kan niet staan.
Als zij mij troost dan zal het wel gaan.
O jee, ik vrees dat ze dat niet wil.
Zij heeft me in haar cel gesmeten
en als zij mij niet troosten wil,
dan ga ik dood, zeker weten.

© Hertaling van Lepus

Naar boven


'Bakermat' van de poëzie


'Poëzieweb-Poetryweb' (home)

HARBA LORI FA*

Eens meienmorgens vroe
Was ic opgestaen;
In een scoen boemgaerdekijn
Soudic spelen gaen.
Daer vant ic drie joncfrouwen staen;
Dene sanc vore, dander sanc na:
Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.

Doe ic versach dat scone cruut
In den boemgaerdekijn,
Ende ic verhoorde dat soete geluut
Van den mageden fijn,
Doe verblide dat herte mijn,
Dat ic moeste singen na:
Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.

Doe groette ic die allerscoenste,
Die daer onder stont;
Ic liet mine arme al omme gaen;
Doe, ter selver stont
Ic woudese cussen an haren mont.
Si sprac: 'Laet staen, laet staen, laet staen!'
Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.

Hertog Jan van Brabant

*"Harba lori fa" is waarschijnlijk afgeleid uit het Provençaals.
"Herba flors fa" (l'herbe fait des fleurs): 'het kruid staat in bloei'


Een andere versie van 'Harba lorifa' bevindt zich
op een handschrift (No. 7266) in 'La Bibliothèque Impériale'
(nu 'Bibliothèque Nationale de France').


Eins meien morgens frou was ick ufgestan,
In ein boungartegin solde ick spiln gan,
Da vant ick drie juncfrouwen stan,
Si waren so wol getan.
Die eine sang fur die ander sang na:
Harba lorifa, harba lorifa, harba lorifa.

Do ick ersach das schone krut, in den boungartegin,
Und ick erhorte das suesse gelut, von den megden fin,
Do verblide das herze min,
Das ick muoste singen na:
Harba lorifa, harba lorifa, harba lorifa.

Do grueste ick de allerschoenste die darunder stuont,
Ick lies min arme alum began,
Do zur selben stunt,
Ick wolte si kussen an irn munt
Si sprach lat stan, lat stan, lat stan,
Harba lorifa, harba lorifa, harba lorifa.

XIIIe eeuw

HARBA LORI FA

Vroeg op een ochtend in mei
was ik opgestaan;
Ik wilde mij gaan vermeien
in een tuin met bloemen en bijen.
Daar trof ik drie jonkvrouwen aan;
De een zong voor, de ander zong na:
Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.

Toen ik die mooie flora zag
in de tuin en het gelach
en het zoete gezang vernam
van de mooie maagden,
toen stond mijn hart in vlam
en zong ik ze vurig na:
Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.

Toen groette ik de allermooiste
die in hun midden stond;
Ik sloeg mijn armen om haar heen,
maar toen ik haar terstond
wilde kussen op haar mond,
sprak ze: 'Ga heen, ga heen, ga heen!'
Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.

© Hertaling van Lepus

Ic sach noyt so roden mont

Ic sach noyt so roden mont
Noch oec so minlike oegen,
Als si heeft, die mi heeft gewont
Al in dat herte dogen.
Doch leve ic in hogen
Ende hope des loen ontfaen:
Geeft si mi qualen dogen
Si mach mis beteren saen.
Lief, mi hevet u minne
So vriendelike bevaen,
Dat ic u met sinne
Moete wese onderdaen.

Mi es wale, als ic mach sijn
Bi minre scone vrouwen,
Ende ic danne haer claer anscijn
Ende haer gelaet mach scouwen.
God verde si van rouwen!
Si es so wale gedaen,
Dat ic haer bi trouwen
Moete tallen dienste staen.
Lief, mi hevet u minne
So vriendelike bevaen,
Dat ic u met sinne
Moete wese onderdaen.

Hertog Jan van Brabant (1254 - 1294)

De roodharige Janneke Pijlijser (1253-1297) was de muze
en één van de minnaressen van de flamboyante hertog.
Het leeuwendeel van zijn minnegedichten waren aan haar gewijd.
Ook een van zijn andere minnaressen, Frederique Rob(o)ulait,
was een inspiratiebron voor zijn liefdespoëzie.


Middeleeuwen - Hoofs paar

'k Zag nooit zo'n rode mond

‘k Zag nooit zo'n rode mond,
en zulke lieve ogen
als zij heeft, die mij heeft verwond
in het diepste van mijn hart.
Toch leef ik welgemoed,
en hoop ik dat zij mij beloont:
als zij mij laat lijden,
kan zij mij ook verblijden.
Liefste, de liefde voor u
heeft mij zo vriendelijk geroerd,
dat ik van ganser harte
uw onderdaan moet zijn.

Het gaat mij goed, als ik
bij mijn mooie vrouwe mag zijn
en ik dan haar stralende
gezicht mag aanschouwen.
God vrijwaar haar voor verdriet!
Ze is zo buitengewoon,
dat ik haar vastberaden
ten dienste moet staan.
Liefste, de liefde voor u
heeft mij zo vriendelijk geroerd,
dat ik van ganser harte
uw onderdaan moet zijn.

©  Hertaling van Lepus

Ghequetst ben ic van binnen

Ghequetst ben ic van binnen,
Duerwont mijn hert soe seer,
Van uwer ganscher minnen
Ghequetst soe lanc soe meer.
Waer ic my wend, waer ic my keer,
Ic en can gherusten dach noch nachte;
Waer ic my wend, waer ic my keer,
Ghy sijt alleen in mijn ghedachte.

Anoniem (XIVe eeuw)

Gekwetst ben ik van binnen

Gekwetst ben ik van binnen,
mijn hart doet zo'n zeer,
door jou te beminnen
gekwetst, hoe langer hoe meer.
Waar ik mij wend, waar ik mij keer,
vind ik geen rust, dagen noch nachten;
Waar ik mij wend, waar ik mij keer,
ben jij alleen in mijn gedachten.

© Hertaling van Lepus

ICK SECH ADIEU

Ick sech adieu, wi twee wi moeten scheiden,
Bi u laet ic dat herte mijn:
Al waer ghi sijt, daer salt ooc sijn.
Tsi vroud of mijn,
Altoos sult ghi die liefste sijn.

Adieu, adieu, adieu! tmoet immer wesen,
Adieu, adieu! alst wesen moet.
Ic ben ghewont, ic secht u bloot,
Mijn hert lijdt noot,
Ghi sijt mijn medicijn.

Cost ic u eer of doocht bewisen,
Dat sal ic doen nae mijn vermach,
Bi u te bliven nacht ende dach
Sonder verdrach
Sonder besweer te sijn.

Ewich uw eigen,
Stadich sonder scheiden.

Anoniem (XIVe eeuw)

tsi vroud of mijn: het is mijn vreugde
altoos: altijd; telkens; volstrekt
ic secht u bloot: ik zeg het je duidelijk (vlakaf)
doocht (doget): het goede; goedheid
vermach: vermogen; macht
verdrach: uitstel
sonder besweer te sijn: zonder gekweld te zijn
ewich uw eigen: altijd jezelf
stadich: standvastig
scheiden: scheiden; delen; verwijderen; sterven; eindigen



Van de Roman van Limborch zijn er twee volledige handschriften
en elf fragmenten bewaard. Het is een hoofse liefdesroman
in de traditie van Chrétien de Troyes.
Limborch verwijst naar het hertogdom Limburg aan de Vesder
dat na de slag van Woeringen (1288) ingelijfd werd door hertog
Jan I van Brabant. Het heeft dus niets te maken met het huidige
Nederlandse en Belgische Limburg (het vroegere graafschap Loon).
De voornaamste steden van het hertogdom waren Limburg
(nu Limbourg) en Eupen.
In de noordelijke en oostelijke districten sprak men Diets
(Limburgse en Ripuarische dialecten), terwijl het zuidwestelijke deel
rond Herve gedomineerd werd door het Waals.
Deze levendige ridderroman uit het begin van de veertiende eeuw
telt 23.000 verzen en vertelt de avonturen van Heinric en Margriete.
Het volgende fragment speelt zich af in het woud waar Margriete
verdwaald is tijdens een jachtpartij. Na een slapeloze nacht
ontmoet zij een koopman die door rovers werd overvallen
:


Lude riep si utermaten:
"Her gode man, comt tere maghet,
Die met rechte meer claghet
Ende claghen mach hare verlies
Dan ghi moghet, sijt seker dies."
Die man diese van verren sach,
Peinster: "En es gheen bejach
Te comene ane dulle wijf;
Ic ben arm ghenouch ende keytijf
Al scuwe ic quade wijf altoes.
Mijn goet dat ic hier verloes
Doet mi vergheten alre joyen,
Jonfrouwe mi en constu niet vervroyen,
Mi es meer mijn armoede dan iet el
Ende mijn vernoy dan mijn spel;
Ter droever tijt was ic gheboren."
Doe seide die maghet uutvercoren
Wenende met groten tranen:
"Bi gode here, ghine dorft niet wanen
Dat ic uwe ghemeenscap ghere;
Met onghevalle quam ic here,
Ic ben verdoolt in weet hoe."

Zij riep uit alle macht:
"Goede man, kom naar dit meisje
dat terecht haar nood klaagt
en meer te klagen heeft om haar verlies
dan u, wees daar maar zeker van."
De man die haar vanuit de verte zag,
dacht bij zichzelf: "Men vindt geen baat
door zich in te laten met dwaze vrouwen.
Ik ben arm en ellendig genoeg
al mijd ik steeds verdorven wijven.
Have en goed die ik hier verloren heb
doen mij alle vreugde vergeten."
"Jonkvrouw, mij kunt u niet versieren.
Ik heb meer armoede dan wie dan ook
en mijn last is groter dan mijn geluk.
Een droevig lot is mij beschoren."
Toen barstte het voorbeeldige meisje
in tranen uit en zei:
"Bij God, heer, u mag niet denken
dat ik met u wil vrijen.
Per ongeluk kwam ik hier terecht.
Hoe ik verdwaald ben, dat weet ik niet."

© Hertaling van Lepus

Naar boven


separator"

-Het verhaal van Beatrijs duikt voor het eerst op in de Libri
octo miraculorum van Caesarius van Heisterbach
(ca. 1180-1240). 'Beatrijs' is overgeleverd in vrijwel
alle Westeuropese talen. Een Middelnederlandse vertaling
van het prozaverhaal is in een aantal handschriften
bewaard gebleven. Pas in de negentiende eeuw werd
de Dietse berijmde versie herontdekt.
De legende van de non Beatrijs, verhaalt hoe ze, overmand
door 'minne', zich uit het klooster laat wegvoeren door
een jonge man. Ze beleven samen zeven gelukkige jaren
en krijgen twee kinderen. Als het geld op raakt, laat
de minnaar haar hardvochtig in de steek.
Beatrijs moet nu als prostituee in haar eigen onderhoud
en dat van haar kinderen voorzien. Tijdens die moeilijke
periode blijft ze echter dagelijks tot Maria bidden.
Vervolgens wordt ze door berouw overmand en keert met
haar kinderen terug naar de streek van het klooster waaruit
zij gevlucht is. Daar wordt ze in drie achtereenvolgende
visioenen aangespoord haar vroegere taak als kosteres weer
uit te oefenen. Uiteindelijk meldt ze zich aan in het klooster
en ontdekt dat Maria al die jaren haar plaats heeft ingenomen.

Bij haar vlucht uit het klooster laat Beatrijs haar habijt achter
bij het altaar van Maria. In haar hemd betreedt ze de tuin
waar haar lief al staat te wachten. Fragment:


Inden vergier quam si met vare.
Die jongelinc wert haers gheware.
Hi seide: ‘Lief, en verveert u niet:
Hets u vrient dat ghi hier siet.’
Doen si beide te samen quamen,
Si begonste hare te scamen
Om dat si in enen pels stoet
Bloets hoeft ende barvoet.
Doen seidi: ‘Wel scone lichame,
U soe waren bat bequame
Scone ghewaden ende goede cleder.
Hebter mi om niet te leder,
Ic salse u gheven sciere.'
Doen ghingen si onder den eglentiere...

Angstig kwam ze onder de bomen,
toen de jongeling haar zag komen.
Hij zei: ‘Lief, schrik maar niet,
het is je vriend, die je hier ziet.’
Toen ze beiden samenkwamen,
begon ze zich te schamen,
want ze stond in haar ondergoed,
blootshoofds en met niets aan de voet.
Toen zei hij: ‘Vrouw van mijn verlangen,
ik zal je helemaal omhangen
met mooie sluiers en fijne kleren.
Je hoeft je niet meer te generen,
want alles ligt al voor je klaar.’
Toen gingen ze onder de rozelaar...

Brabant ca. 1374.
© Hertaling van Lepus

Link naar 'Beatrijs' in het Diets (KB).

middeleeuwen

De dichter van de onlangs (2008) ontdekte 'Mechelse boekenrol'
gebruikte zijn erotische verzen als glijmiddel
voor zijn maatschappijkritiek. Hij nam de geestelijke
en wereldlijke overheid op de korrel...
Een fragment:

Men bliester met basunen seer Die lijster dede wel mengehen keer Met wel vrolijken sanghe Inder meestersen omghanghe Eer die pape mijn vrouw bescreet Was sijn klerc al daer ghereet Ende greep een nonne bider mou Bi gode si hads cleynen rou...
Ze bliezen hard op bazuinen De lijster was druk aan het struinen En was met vrolijk gezang Met zijn meesteres aan de gang Toen de paap mijn vrouw beschreed Was zijn klerk al met haar gereed En greep een non bij de mouw Bij god zij had weinig berouw...

Mechelen ca. 1325 - © Hertaling Lepus

P.S. In de Mechelse stadsrekeningen zijn ook
een vierhonderdtal verzen opgedoken van 'Jonathas
& Rosafiere', een ridderroman met miraculeuze
wendingen, waarin o.a. incest en verwijzingen
naar de kruistochten aan bod komen.
(2e helft van de 14e eeuw)

separator

LIED VAN HEER HALEWIJN

Detail - Het hoofd van Halewijn


Heer Halewyn zong een liedekijn,
Al die dat hoorde wou bi hem zijn.

En dat vernam een koningskind,
Die was zoo schoon en zoo bemind.

Zi ging voor haren vader staen:
'Och vader, mag ik naer Halewijn gaen?'

'Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet!'

Zy ging voor hare moeder staen:
'Och moeder, mag ik naer Halewyn gaen?'

'Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet!'

Zy ging voor hare zuster staen:
'Och zuster, mag ik naer Halewyn gaen?'

'Och neen, gy zuster, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet!'

Zy ging voor haren broeder staen:
'Och broeder, mag ik naer Halewyn gaen?'

''t Is my al eens, waer dat gy gaet,
Als gy uw eer maer wel bewaert
En gy uw kroon naer rechten draegt!'

Toen is zy op haer kamer gegaen
En deed haer beste kleeren aen.

Wat deed zy aen haere lyve?
Een hemdeken fynder als zyde

Wat deed zy aen? Haer schoon korslyf:
Van gouden banden stond het styf.

Wat deed zy aen? Haren rooden rok:
Van steke tot steke een gouden knop.

Wat deed zy aen? Haren keirle:
Van steke tot steke een peirle.

Wat deed zy aen haer schoon blond hair?
Een krone van goud en die woog zwaer.

Zy ging al in haer vaders stal
En koos daer 't besten ros van al.

Zy zette zich schrylings op het ros:
Zingend en klingend reed zy door het bosch.

Als zy te midden 't bosch mogt zyn,
Daer vond zy myn heer Halewyn.

Hy bond syn peerd aen eenen boom,
De joncvrouw was vol anxt en schroom.

'Gegroet', sei hy, 'gy schoone maegd,
Gegroet', sei hy, 'bruyn oogen claer,
Comt, zit hier neer, onbindt u hair.'

Soo menich hair dat si onbondt,
Soo menich traentjen haer ontron.

Zy reden met malkander voort
En onderweg viel menig woord.

Zy kwamen al aen een galgenveld;
Daer hing zoo menig vrouwenbeeld.

Alsdan heeft hy tot haer gezeid:
'Mits gy de schoonste maget zyt,
Zoo kiest uw dood! het is noch tyd.'

'Wel, als ik dan hier kiezen zal,
Zoo kieze ik dan het zweerd voor al.

Maer trekt eerst uit uw opperst kleed.
Want maegdenbloed dat spreidt zoo breed,
Zoo 't u bespreide, het ware my leed.'

Eer dat zyn kleed getogen was,
Zyn hoofd lag voor zyn voeten ras;
Zyn tong nog deze woorden sprak:

'Gaet ginder in het koren
En blaest daer op mynen horen,
Dat al myn vrienden het hooren!'

'Al in het koren en gaen ik niet,
Op uwen horen en blaes ik niet..'

'Gaet ginder onder de galge
En haelt daer een pot met zalve
En strykt dat aen myn rooden hals!'

'Al onder de galge en gaen ik niet,
Uwen rooden hals en strijk ik niet,
Moordenaers raed en doen ik niet.'

Zy nam het hoofd al by het haer,
En waschtet in een bronne klaer.

Zy zette haer schrylings op het ros,
Zingend en klingend reed zy doort bosch.

En als zy was ter halver baen,
Kwam Halewyns moeder daer gegaen:
'Schoon maegd, zaegt gy myn zoon niet gaen?'

'Uw zoon heer Halewyn is gaen jagen,
G'en ziet hem weer uw levens dagen.

Uw zoon heer Halewyn is dood
Ik heb zijn hoofd in mynen schoot
Van bloed is myne voorschoot rood.'

Toen ze aen haers vaders poorte kwam,
Zy blaesde den horen als een man.

En als de vader dit vernam,
't Verheugde hem dat zy weder kwam.

Daer wierd gehouden een banket,
Het hoofd werd op de tafel gezet.

Anonymus (ca. 1400)

Ik was in mijn hoofkijn om kruud gegaan

Ik was in mijn hoofkijn om kruud gegaan,
Ik en vand er niet dan distel ende doorn staan.

Den distel ende den doorn die wierp ik uut,
Ik zoude gaarne planten ander kruud.

Nu heb ik een gevonden, die gaarden kan;
Hi wil die zorge gaarne nemen an.

Een boom was hoog gewassen in korten tijd,
Dien vond ik uter aarden gebrengen niet.

Dat hinder van den bome merkte hi waal,
Hi toog ‘m uter aarden altemaal.

Nu moet ik hem wezen onderdaan,
Oft hi en wil dat gaarden niet bestaan.

Mijn hoofken moet ik wiên tot alre tijd,
Nochtans en kan ik ‘s klaar gehouden niet.

Hierin zo moet ik zaaien leliënzaad,
Dit moet ik vroeg beginnen in der dageraad.

Als hi daarop laat dauwen, die minre mijn,
Zo zal dit zaaiken schier bekleven zijn.

Die leliën ziet hi gaarne, die minre mijn,
Als zi te rechte bloeien ende zuver zijn.

Als die rode rozen daaronder staan,
Zo laat hij zinen zoete dauw daarover gaan.

Als hi daarop laat schinen der zonnen schijn,
Zo verbliden alle die krachten der zielen mijn.

Jezus is zijn name, die minre mijn!
Ik wil hem eeuwelijk dienen en zijn eigen zijn.

Zijn min heeft mi gegeven zo hogen moed,
Dat ik niet meer en achte dit aardse goed.


Zuster Bertken (1427-1514)

In de 15e eeuw deed de renaissance zijn intrede.
Eerst in Italië en zowat een eeuw later ook in de Nederlanden.
Het gedicht van Zuster Bertken baadt echter nog duidelijk
in een middeleeuwse sfeer.


hoofkijn: tuintje
die wierp ik uut: die verwijderde ik; die wiedde ik
gaarden: tuinieren
boom: symbool voor het kwade (zonde)
bestaan: doen
leliënzaad: symbool voor zuiverheid
bekleven zijn: kiemen; wortel vormen
minre: minnaar
rode rozen: symbool voor hartstochtelijke liefde
min (minne): liefde; hier de liefde voor God




separator



Rederijkerskamer

-De rederijkerskamers ontstonden in Noord-Frankrijk in de loop van de dertiende en veertiende eeuw. In de vijftiende eeuw vestigden zij zich in Vlaanderen, Brabant en enkele decennia later ook in Zeeland. De literaire kwaliteit van hun werken was meestal middelmatig. Toch ontstonden er in hun kringen soms interessante lyrische stukken, zoals het allegorische
"Den Spyeghel der Salicheyt van Elckerlyc"

en het mirakelspel
"Mariken van Nieumeghen".


separator



-Een van de belangrijkste perkamenten manuscripten
uit de XVe eeuw is 'Het Gruuthuse-handschrift'.
Het Gruuthuse-handschrift bevat berijmde gebeden,
liederen en gedichten.
Het krijgt dan ook een aparte plaats op deze website.



Egidiuslied uit Het Gruuthuse-handschrift

separator



Anonieme liefdesgedichten uit de Middeleeuwen


Gruuthuse-handschrift


Twee Conincskinderen


Naar 'Bakermat'



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 09-06-2002.
Laatste wijziging 03-01-2016.


E-post: webmaster