Top 10
Liefdesgedichten

Vlaamse dichters

Nederlandse
dichters


Poêzie van Pol De Mont
Pol De Mont
Pol De Mont was eerst leraar.
Daarna werd hij enige tijd conservator 
van een museum.
Stichter van De Vlaamse Gids.
Beschuldigd van 'activisme' in 1919.
Verder was hij ook dichter, redacteur en auteur.
(°Wambeek 1857; †Berlijn 1931)

Ritornel I

En vraagt gij nu: ‘Wie leerde u rijmen, dichten ?’ -
Ik laat niet lang u op het antwoord wachten...
Uw ogen zijn het, die mijn geest verlichtten !

Toen ik voor d'eerste keer u, lief, ontmoette,
- een blauwe meidag was het, 's morgens vroege -
weet gij nog, hoe 'k u toen op rijm begroette ?

Snel plukte ik wat jasmijn en hagerozen
en reikte u die, en sprak: ‘o Maagd geprezen,
of ooit wel rozen als uw wangen blozen !’

Gij lachte luid met hagelwitte tanden,
liet mij mijn bloemen op uw boezem binden
en drukte mij - erkentlijk - warm de handen.

Toen voelde ik rijm bij rijm mijn mond ontglippen...
Waar ik het haalde, zal ik niet verklappen
! Nu rolde een heel rispetto van mijn lippen.

Sindsdien, mijn lief, o wonder boven wonder !
komt gij maar even, lichtjes als een vlinder,
voorbijgefladderd met een lach of zonder,

of als de slag der Arno slaat en klotst het
in mij...; mijn hart - gelijk een hamer bonst het,
en dichten moet ik, - klinkt het niet, zo botst het !


-ritornel => It. 'ritornello': refrein; het oude liedje (figuurlijk).
-rispetto (It.): respect, eerbied; Italiaanse versvorm.
-Arno: rivier in Toscane.


Ritornel II

Lach nu maar niet, omdat deez' liekens klein zijn ! -
Zij 't kelkje klein, het kan vol goeden wijn zijn,
zij 't roosje klein, van kleur en geur kan 't rein zijn.

Klein is de druif: geen mond, die 't sap niet luste !
Klein is de parel, schoon zij schatten kostte !
Klein is uw mond: wie, die niet graag hem kuste ?

Wel klein zijn uwer oogjes fonkelstarren.
Toch deden zij mijn ziel van liefde barnen:
mij volgt hun zoete klaarheid heinde en verre.

Een woord is klein en lichtlijk uit te spreken...
Gods ‘fiat’ deed den chaos vlammen braken,
een ‘neen’ van u kan mij het hart doen breken.


barnen: branden; in het barnen der gevaren, in het grootste gevaar.
Uit 'De Gids' (1891).



Nog op mijn lippen

Nog op mijn lippen gloeit,
door al mijn aadren schroeit
de kus, van uw lippen ontvangen...
Van zwoele moeheid hijgen nog
mijn longen, en reeds blaak ik toch
van nieuw en aldoor-nieuw verlangen.

Uw ogen zien mij aan...,
mijn ogen zien u aan...,
uw handen zoeken naar mijn handen...
Weer vlijt uw blonde hoofd zo teer
zich op mijn borst, en weer, wéér, wéér
mijn lippen op uw lippen branden.

Kan men dan dronken zijn
van zoenen als van wijn,
van zoenen, rood als rode bessen ?
0 wonneroes, zo godlik zoet !
0 vlammen in 't verjongde bloed !
0 dorst, die 'k, nooit gelest, wil lessen !


Uit 'Zomervlammen' (1922).

Ballerinen

Als een vlucht van mooie duiven, pauwestaarten, blank van veren, Strijkend op een mollig grasperk, zacht, met zacht geroekedoe, Als een golf van schuim, aanzwellend met een ruisen als van kleren, Borlend, ziedend, bruisend, spattend, schitterblank naar d’oever toe, Zó de zwerm der ballerinen, als zij, bij ’t gejoel der snaren, In een licht wolk van tul de schermen komen uitgevaren. Eérst een schomlen, traag, schoorvoetend, met heel teder handbewegen, Dán een zweven, hangen, schuiven langs de planken, vederlicht; Straks, een plotsling ópwaartwillen, of zij eensklaps vleugels kregen, Hoog opzwaaiend blanke handen en met stralend aangezicht… Nu, als zomervlinders, flidderfladderend rond rijpe rozen, Zwenken zij, elkaar omarmend, grillig buitlend twee aan twee, Of zij glijden, glibberen, gletsen, hakend naar het zoete kozen, Met vooruitgestoken lippen, nippensvaardig, zoenensreê. Somstijds, breed en breder slaan de armen uit, als waterminnen, Buitlend op de rug der golven, ’t mondje zoenend elke baar, Schijnen, wen haar jurkjes flappen óp en neer als grote vinnen, Ze om te dartlen, als dolfijnen, speelziek wentlend, schaar bij schaar. O die rappe, gladde benen! O die gladde, rappe tonen! Sneller, lichter dan de lichtste en snelste tonen huplen zij… Op ’t arpeggio van de vedel tekenen zij, die tovertonen, Arabesken, - glijdend, glibberend, gletsend…als een zucht…voorbij…

Een augustus-avond

De volle maan sneeuwt over 't land krijtwitte stralen.... Leg thans uw handjen in mijn hand, kom samen dwalen. Langs 't beekje loopt het liefste pad: het loover suist er, 't water spat en blinkt in 't duister.... Sta even stil..., een enklen stond! - Ik zoen uw oogen, wangen, mond..., maar wilt gij spreken, - fluister, fluister! Wat ligt de vijver maagdlijk blank in 't maangeschemel! Daar, onder de iepen, wacht de bank... Daar is... de hemel! Kom, op mijn boezem, in mijn arm, kom rusten, slapen, zacht en warm in 't schemerduister, o Zalig plekje! Zaliger stond... Kom, kus mij oogen, wangen, mond..., maar wilt gij spreken, - fluister, fluister! O! De avondlucht is éen gegons van tor en mugge... De starren reegnen boven ons: geen keert terugge. Zéo vlieden de uren, éen voor éen... met lief en leed, gelach, geween, in 't eeuwig duister! o Reik me uw lippen... Toef geen stond... Ik zoen uw oogen, wangen, mond... Maar wilt gij spreken, - fluister, fluister! In avonddauw en starrenschijn, uit voller kelen, zit nog een enkel, arm vogellijn zoet, zoet te kweelen. En 't liedje, dat die vogel zingt, 't is of 't mijn eigen ziel ontspringt in 't lauwe duister! 'k Leef heel eene eeuw in éenen stond.... o Zoen mij, zoen mij wang en mond, maar wilt gij spreken, - fluister, fluister! o Hart, wat zijt gij arm en bloot, zie! 'k wilde weenen... o Hart! wat zijt gij ruim en groot! In u vereenen in éenen stond zich kwaad en goed, en liefde en haat, en zonnegloed en nachtlijk duister, ja, 't heil van 't gansche wereldrond... Lief, kus mij, kus mij wang en mond..., maar wilt gij spreken, - fluister, fluister!

O kom met mij in de lentenacht


O kom met mij in de lentenacht !
Kom dwalen over de bloemenwei -
de roze sluimert, de sterre lacht,
in stille dromen wasemt de hei.

O kom met mij in de lentenacht !
Het leeft, en het hijgt en het mint daar al !
De leveren lispelen, het windje smacht,
en donkere wegelen lokken door 't dal.

O kom met mij in de lentenacht!
De heuvel glimt in de maneschijn, -
daar hellen ons hoofden te saam, zo zacht
en gans de natuur zal ons eigen zijn.





Pol De Mont - Aan mijn Pajottenland


Vlaamse dichters


Nederlandse dichters


Paul van Ostaijen  (home)


Gedichten vertaald in het Nederlands



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 26-05-2004.
Laatste wijziging: 03-01-2016.

E-mail: webmaster