
Ritornel IEn vraagt gij nu: ‘Wie leerde u rijmen, dichten ?’ -Ik laat niet lang u op het antwoord wachten... Uw ogen zijn het, die mijn geest verlichtten ! Toen ik voor d'eerste keer u, lief, ontmoette, - een blauwe meidag was het, 's morgens vroege - weet gij nog, hoe 'k u toen op rijm begroette ? Snel plukte ik wat jasmijn en hagerozen en reikte u die, en sprak: ‘o Maagd geprezen, of ooit wel rozen als uw wangen blozen !’ Gij lachte luid met hagelwitte tanden, liet mij mijn bloemen op uw boezem binden en drukte mij - erkentlijk - warm de handen. Toen voelde ik rijm bij rijm mijn mond ontglippen... Waar ik het haalde, zal ik niet verklappen ! Nu rolde een heel rispetto van mijn lippen. Sindsdien, mijn lief, o wonder boven wonder ! komt gij maar even, lichtjes als een vlinder, voorbijgefladderd met een lach of zonder, of als de slag der Arno slaat en klotst het in mij...; mijn hart - gelijk een hamer bonst het, en dichten moet ik, - klinkt het niet, zo botst het ! -ritornel => It. 'ritornello': refrein; het oude liedje (figuurlijk). -rispetto (It.): respect, eerbied; Italiaanse versvorm. -Arno: rivier in Toscane. Ritornel IILach nu maar niet, omdat deez' liekens klein zijn ! -Zij 't kelkje klein, het kan vol goeden wijn zijn, zij 't roosje klein, van kleur en geur kan 't rein zijn. Klein is de druif: geen mond, die 't sap niet luste ! Klein is de parel, schoon zij schatten kostte ! Klein is uw mond: wie, die niet graag hem kuste ? Wel klein zijn uwer oogjes fonkelstarren. Toch deden zij mijn ziel van liefde barnen: mij volgt hun zoete klaarheid heinde en verre. Een woord is klein en lichtlijk uit te spreken... Gods ‘fiat’ deed den chaos vlammen braken, een ‘neen’ van u kan mij het hart doen breken. barnen: branden; in het barnen der gevaren, in het grootste gevaar. Uit 'De Gids' (1891). Nog op mijn lippenNog op mijn lippen gloeit,door al mijn aadren schroeit de kus, van uw lippen ontvangen... Van zwoele moeheid hijgen nog mijn longen, en reeds blaak ik toch van nieuw en aldoor-nieuw verlangen. Uw ogen zien mij aan..., mijn ogen zien u aan..., uw handen zoeken naar mijn handen... Weer vlijt uw blonde hoofd zo teer zich op mijn borst, en weer, wéér, wéér mijn lippen op uw lippen branden. Kan men dan dronken zijn van zoenen als van wijn, van zoenen, rood als rode bessen ? 0 wonneroes, zo godlik zoet ! 0 vlammen in 't verjongde bloed ! 0 dorst, die 'k, nooit gelest, wil lessen ! Uit 'Zomervlammen' (1922).
O kom met mij in de lentenachtO kom met mij in de lentenacht !Kom dwalen over de bloemenwei - de roze sluimert, de sterre lacht, in stille dromen wasemt de hei. O kom met mij in de lentenacht ! Het leeft, en het hijgt en het mint daar al ! De leveren lispelen, het windje smacht, en donkere wegelen lokken door 't dal. O kom met mij in de lentenacht! De heuvel glimt in de maneschijn, - daar hellen ons hoofden te saam, zo zacht en gans de natuur zal ons eigen zijn. ![]() |

