PoŽzie in de Middeleeuwen

Vlaamse dichters

Gruuthuse-handschrift

Jan Moritoen - Gedichten
Jan Moritoen


EGIDIUS WAER BESTU BLEVEN

Egidius, waer bestu bleven ?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven.

Dat was gheselscap goet ende fijn,
Het sceen teen moeste ghestorven sijn.
Nu bestu in den troon verheven
Claerre dan der zonnen scijn,
Alle vruecht es di ghegheven.

Egidius, waer bestu bleven ?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors de doot, du liets mi tleven.

Nu bidt vor mi: ic moet nog sneven
Ende in de weerelt liden pijn.
Verware mijn stede di beneven:
Ic moet noch zinghen een liedekijn.
Nochtan moet emmer ghestorven sijn.

Egidius, waer bestu bleven ?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven.



Pagina uit het Gruuthuse-handschrift (fragment)
Egidiuslied met streepjesnotaties (=middeleeuwse notenbalk)

EGIDIUS

Egidius, waar ben je gebleven?
Ik mis je, mijn vriend.
Je koos de dood, je liet mij 't leven.

De vriendschap was goed en fijn,
maar de dood moest bij jou zijn.
Nu ben jij op de troon verheven
omstraald door zonneschijn.
Alle vreugde is jou gegeven.

Egidius, waar ben je gebleven?
Ik mis je, mijn vriend.
Je koos de dood, je liet mij 't leven.

Bid nu voor mij: ik moet nog sneven
in de wereld met zijn pijn.
Bewaar een plaats om bij jou te zijn:
ik moet hier nog zingen een koraal,
maar sterven moeten we allemaal.

Egidius, waar ben je gebleven?
Ik mis je, mijn vriend.
Je koos de dood, je liet mij 't leven.

© Hertaling van Lepus

In het Gruuthuse-handschrift staat nog een tweede Egidiuslied,
namelijk 'O cranc onseker broosch engien':

O cranc onseker broosch engien

O cranc onseker broosch engien
Snee of glas als dijn nature
Niet en sech dit sal ghescien
Want dune hebs morghen tijt no vre
Waer vintstu eenighe creature
Die ghedure
Ieghen de doot die commen moet
Al eist so datti hier ghebuere
Dijns weinschens cuere
De doot die werpt di onder voet

O vroylic herte solazelic bloet
Egidius di sal men claghen
Ende rauwe draghen
Tallen daghen
Ende dijns ghewaghen
So wie dijns plaghen
Hem maechs wanhaghen
Datti de doot so vrouch bestoet
Maer wat god wille elc neimt vor goet


Nemmermeer sone wanic zien
Dijnre vroylicheit parture
Musike ende alle melodien
Minnestu met herten pure
Nu bestu doot elc vroylic truere
O avonture
Du slachts der hebben ende der vloet
Du gheifs hem tzoet die staen na tzure
Entu best stuere
Hem die van aerde minnen tzoet

O vroylic herte solazelic bloet
Egidius di sal men claghen
Ende rauwe draghen
Tallen daghen
Ende dijns ghewaghen
So wie dijns plaghen
Hem maechs wanhaghen
Datti de doot so vrouch bestoet
Maer wat god wille elc neimt vor goet


Wie sulre nu dijnre vruechden plien
Egidius stervelike guere
Menich edel musisien
Prees dinen voys ende dijn tenuere
Nu bidt vor ons want du best vuere
In schemels duere
Dat ons god neme in sijn behoet
Ende dat hier elc also labuere
Eer therte scuere
Dat wij ontgaen der hellen gloet

O vroylic herte solazelic bloet
Egidius di sal men claghen
Ende rauwe draghen
Tallen daghen
Ende dijns ghewaghen
So wie dijns plaghen
Hem maechs wanhaghen
Datti de doot so vrouch bestoet
Maer wat god wille elc neimt vor goet


De Brugse dichter Jan Moritoen overleed eind 1416 of begin
1417. Hij behoorde tot het gilde van de bontverwerkende
lamwerkers. Op latere leeftijd werd hij schepen (=wethouder)
in het Brugse stadsbestuur.
In het Egidiuslied spreekt hij zijn overleden vriend en rivaal
in de liefde lyrisch toe.
Egidius en Jan Moritoen waren namelijk beiden verliefd
op Mergriete. Na Egidius' dood trad zij in het klooster en liet
zo de liefde van Jan Moritoen onbeantwoord.

P.s.  Uit het tweede Egidiuslied blijkt, dat Egidius
een gewaardeerd zanger en musicus was.
Egidius (Lat.): 'Gillis' in het Nederlands en 'Gilles' in het Frans.





Gruuthuse-handschrift


Naar Bakermat



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 25-06-2005.
Laatste wijziging: 06-02-2016.


E-mail: webmaster