Johannes Andreas dèr Mouw

J.A. dèr Mouw
(1863-1919)
Nederlandse dichter.

Bloemlezing

'k Ben Brahman

Blauw, licht en stilte tot de horizont

Hij zit en kijkt

Door kelken van onwezenlijk kristal

'k Zend, imker, dikwijls mijn gedachtenschaar

't Is nacht. 'k Zit op de hei

Hij ligt er nog, de steen

Fossielen-atlas in diep bruin crayon

Dof violet is 't west en paarsig grijs

Het teerste, door schaamacht'ge scherts verzwegen

En nu 'k mijn mensenleed heb weggeschreid

't Aardoppervlak zie 'k als een schedelhuid

Doorschijnende halve bol van nevel

't Is of een hefboom draait om de aarde als as

Kent iemand dat gevoel

Zoals een zaadpluis door een spinragdraad

De knal van 't schot

Mijn perenboom

De avondtrein

Schilderij

Brünig

'k Ben Brahman

'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een'ge, dat ik kan:
'k gooi mijn vuil water weg en vul de kan;
maar 'k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.

Zij zegt, dat dat geen werk is voor een man.
En 'k voel me hulploos en vol zelfverwijt,
als zij mijn lang verwende onpraktischheid
verwent met wat ze toverde in de pan.

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt
tot feeërie van wereld, kunst en weten:

als zij me geeft mijn bordje havermout,
en 'k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,

dan voel ik éénzelfde adoratie branden
voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.


Uit Verzamelde werken — Brahman I
Amsterdam, 1947

Blauw, licht en stilte tot de horizont

Blauw, licht en stilte tot de horizont. -
Vroom luistert 't onbeweeglijk voorjaarsland
Naar gouden profetie, die, zon-gezant,
De wind herhaalt met nadruklijke mond.

Rustig-sterk stapt een zaaier, jong en blond,
Helblauwe streep tegen grijs-glinst'rend zand:
Beslist gebaar van zegenende hand
Sprenkelt nevelend stofgoud op de grond.

Ruisen, 'k hoor ruisen al het schuif'lend graan,
Ik zie, ik ruik, ik proef het heilig brood:

Phoenix iedere zonnekorr'l, zal groot
De wierookvlam van mijn devotie staan.

En plots'ling achter wazige ogen laait
Mijn dank voor hem, die mijn ekstazen zaait.


Uit bundel Brahman I

Hij zit en kijkt

Hij zit en kijkt, doezelig. Het water wast.
Vlak bij in 't zand, al nat, driedubb'le ringen.
In 't midden is een berg: de golven dringen
tegen de wal: ja, juist; een vesting was 't.

't Is aan 't verbrokk'len al, want telkens plast
een golf iets glad en stroomt door openingen;
en nauwlijks houden half zichtbare dingen,
een vlaggetje, een schopsteel, de resten vast.

Daar komt een hoge golf: zal 't hem gelukken,
die ene dunne wand omver te drukken?
Hij spoelt een gracht in, door die gleuven.- Nee,

hij staat nog recht. Kijk: dat papieren schuitje
raakt haast - toe! nog iets verder! - aan dat kluitje.
Iets schrikt hem op. Hij ziet de grote zee.

Door kelken van onwezenlijk kristal

Door kelken van onwezenlijk kristal
schijnt de ondergrond van tragisch-paars fluweel
Onzichtbaar is de lamp; langs ied're steel
hangt, smal en stil, een zonn'ge waterval.

Melkwegen welven; nevels, overal;
en sterrebeelden flikk'ren, puntig geel:
boven 't diep-werklijk paars tilt, irreëel,
iedere kelk, een spieg'lend niets, 't heelal.

Zo zie ik, fijngeslepen, diafaan,
boven 't verdriet dat doorschijnt, zwevend staan
't kristalwerk van mijn verzen, rein en koel:

tot wereldnevel van stemming vervloeid,
tot flikk'rende gedachte ineen gegloeid,
zie 'k overal eenzelfde Godsgevoel.

'k Zend, imker,
dikwijls mijn gedachtenschaar

'k Zend, imker, dikwijls mijn gedachtenschaar
uit zwermen, als de nacht te schitt'ren staat
van wereldbloemen, die ontluiken laat
de Grote Ziel, ontzaglijk visionair.

'k Ben vreemd in elke aanwezig en vergaar,
wat mij van eeuw'ge essentie tegenslaat:
zo geurt dan in mijn ziel, een honingraat,
de witte roos van Berenike's Haar.

Mijn liefde leidt hun halfbewuste zwerm
naar sterreperken langs de Melkwegberm,
mijn pauwoog, mijn mystische nachtkapel:

zij dragen naar hun huis de heil'ge vracht,
en kneden uit mijn woorden, wit en zacht,
mijn verzen samen, cel naast sterlichtcel.

't Is nacht. 'k Zit op de hei

't Is nacht. 'k Zit op de hei. Nergens geluid.
Over me staat, als transparant kristal
rondom een oude berggod in zijn hal
een halve bol van stilte, die me omsluit:

'k hoor, hoe heel ver een lang gillende fluit
een tunnel boort; mijn berg kraakt overal.
Een blaf, ginds, hakt een gat; en recht en smal
knapt een spleet open, tot mijn oor hem stuit.

'k Hoor 't levend bloed, dat in mijn slapen gonst -
Neen: 't is het hart van de aarde: het trilt, het bonst,
of 't niet de god uit zijn verdoving wekt.

Om goed te luistren, doe ik de ogen dicht,
maar 'k word gehinderd nu door 't sterrelicht,
dat tikkelend door fijne gaatjes lekt.

Hij ligt er nog, de steen

Hij ligt er nog, de steen: een jaar geleden
heb 'k zelf hem daar gelegd; en ik herken
heel goed de plek, vlak naast die scheve den,
waar 't zandpad, wit, loopt naar de hei beneden.

'k Dacht: "Wat 'k doe, lijkt op wat farao's deden;
eenzelfde ontzetting vroeg in mij en hen:
alles vergaat: ben ik niet, die ik ben,
en was en blijven zal in eeuwigheden?

Ik was gaan liggen, 't hoofd dicht bij de steen;
en die, in 't langzaam dieper donker, scheen
een monument, egyptisch oud en groot.

Een kleine ster erboven. 'k Dacht: "Zijn licht
vertrok, toen 't graf van Ramses werd gesticht."
En 'k voelde duidelijk: 'k was zijn tijdgenoot

Fossielen-atlas in diep bruin crayon

Fossielen-atlas in diep bruin crayon,
Opengeslagen, bol twee platen, ligt
't Sneeuwberglandschap in winteravondlicht
Onder mij, blauw in schaduw, rood in zon:

Steeklige ruggegraat van mastodon
Houdt ginds zijn drakekop omhoog gericht;
Ribben, dijbeendren met monstrig gewricht,
In scherp reliëf staan ze op 't blauwgrijs karton.

Kraaien, die de avondwind planeren doet,
Drijven, als op een bladzij vlokjes roet
Uit 't rode licht, dat dooft en paarsig rookt.

't Wordt nacht. - Iets ver in 't rijzend donker gromt. -
't Waggelt. - En plotsling deze ontzetting komt:
Zwitserland dreunt; de ontzaglijke oertijd spookt!

Dof violet is 't west en paarsig grijs

Dof violet is 't west en paarsig grijs.
Nog wandel 'k door het zwaar berijpte gras,
En hoor naast me op de vaart het fijn gekras
Van schaatsen over 't hol rinkelend ijs:

Ik heb 't gevoel, of 'k op 't bevroren glas
Cirk'lend, zwevend, zwenkend op kunst'ge wijs,
Met 't buigend bovenlichaam daal en rijs:
't Is in mijn rug, of 'k zelf op schaatsen was.

Zo hoop 'k dat, langs wiens geest mijn verzen glijen,
Alleen, in paren, of in lange rijen,
Schomm'lend op maat en rijm van hollands staal,

Dat hij de wind, die mij droeg, zelf hoort waaien,
En 't fijn slieren en 't heerlijk brede zwaaien
Voelt van zijn eigen stemming in mijn taal.

Het teerste,
door schaamacht'ge scherts verzwegen

Het teerste, door schaamacht'ge scherts verzwegen,
Het diepste, dat in half ontveinsde daad
Zich buiten waagt, half bang dat 't zich verraadt,
Half hopend, trots in enen en verlegen;

't Heiligste, dat langs laat begrepen wegen
Mijn ziel opvoerde tot haar hoogste staat,
Had ik aan sterke herinn'ring's gouden draad
Tot diadeem voor één aaneengeregen

En al het mooiste uit vroege jongensjaren,
Mijn sterren en muziek en verzen, waren
Op vreemde wijs vervlochten in mijn schat:

Mijn laatste liefde, vromer nog dan de eerste,
Gaf 't mooiste en 't heiligste, het diepste en 't teerste -
Onwerklijk was, die 'k 't meest heb liefgehad.

En nu 'k mijn mensenleed heb weggeschreid

En nu 'k mijn mensenleed heb weggeschreid,
En weer, en weer, en weer - nu 'leer ik rijzen
Uit slik van werelddwarrel met gepeizen',
En 'k zie, 't was alles hoogste Werklijkheid.

Zo wil ik dan, genezen voor altijd,
Mij zalig om mijn grootste droefheid prijzen,
Die aan 't verganklijk Ik het Zelf kwam wijzen
In vergezicht op de een'ge Wezenheid.

Geen stilte is zo diep, als die volgt op tranen;
En, weggevlucht voor lach, komt dichterbij
De schuwe wijsheid van vred'ge brahmanen:

Schijnbaar gescheiden lijdt, die sloeg, in mij.
En 't is, als hoorde ik Iets zichzelf vermanen:
'Mijn liefde was ikzelf'. - Zo werd ik vrij.

't Aardoppervlak zie 'k als een schedelhuid

't Aardoppervlak zie 'k als een schedelhuid:
zweetstralen, sijplen stinkende rivieren,
waarlangs vuil-groenig roos en schimmel tieren;
gebergten schurft steken er boven uit;

mens-luizen, in hun nesten meest op buit
rondkrauwelend, zie 'k landlijke blijdschap vieren,
verpletterd soms, als 't trekken van wat spieren
de rotsen storten doet, schurftkluit na kluit.

De hemel lijkt een broeierige pet,
aan gele knoop, die doorschijnt, in vervoering
om 't mooie weer jolig scheef opgezet;

en smullend van de zweetdamp, loom en vet
en week en wit hangen in stille ontroering
de wolkenteken aan de blauwe voering.

Doorschijnende halve bol van nevel

Doorschijnende halve bol van nevel, ligt
Over het kerkplein, ied're lamp een maan,
't Elektrisch violet; schaduwloos gaan
De mensen, zwart het lijf, vreemd wit 't gezicht;

De toren als een vinger opgericht
Uit lage schemering van mensenwaan,
Teruggetrokken en afwijzend, staan
De middeleeuwen naast 't elektrisch licht.

Zoekende lopen de gedachten rond
Op 't eng bewustzijnsplein, en keren om,
Elk de eigen weg, of zij de waarheid vond;

En ontzaggelijk rijst op de achtergrond
Van ied're ziel afkeurend, wachtend, stom,
Het angstig donk're blok van 't Christendom

't Is of een hefboom draait
om de aarde als as

't Is of een hefboom draait om de aarde als as:
Hij draagt in 't west en 't oost doorzicht'ge schalen,
In de een blauwgroen gebergte van opalen,
In de and're een enk'le bol van chrysopras:

't Lijkt of 't een wedstrijd van juwelen was,
Wie 't zwaarst en kostbaarst de and're omhoog zal halen;
Of moet veeleer onwillig de ene dalen,
Nu de ander rijst, lichtbel in vlies van glas?

Als eens voor mij, weifelend, staat te zweven
De ontzaglijke balans van dood en leven,
Een schaal met 't Ik, een schaal vol wereldschijn,

Dan zal, naar 'k hoop, zinkt weg in nacht en zwijgen
Mijn klinkend, licht heelal, almachtig stijgen
Het gouden weten van mijn Brahmanzijn.

Kent iemand dat gevoel

Kent iemand dat gevoel: 't is geen verdriet,
't Is geen geluk, geen menging van die beiden;
't Hangt over je, om je, als wolken over heiden,
Stil, hoog, licht, ernstig; ze bewegen niet.

Je voelt je kind en oud; je denken ziet
Door alles, wat scheen je van God te scheiden.
't Is, of een punt tot cirkel gaat verwijden;
't Is, of een cirkel punt wordt en verschiet.

Je denkt: Nooit was het anders; tot mijn Wezen
Ben 'k al zo lang van sterflijkheid genezen.
Je weet : Niets kan mij deren: ik ben Hij.

Tot zekerheid je twijfel opgeheven,
Zo hang je als eeuwig boven je eigen leven:
Je bent de wolken en je bent de hei.

Zoals een zaadpluis door een spinragdraad

Zoals een zaadpluis door een spinragdraad,
De glinst'rende door 't glinst'rende gevangen,
Een korte poos stil trillende blijft hangen,
En dan langs lucht'ge helling opwaarts gaat,

Zo kleeft de mensenziel zich vol verlangen
Aan ijle broosheid van geluk, en haat
De vlaag van 't lot, die stuk het spinsel slaat
En voort haar jaagt tot nooit vermoede gangen.

De hemel schreit haar, angstig weggestormd,
Diep met zich mee naar 't smartlijk aardse donker;

En straalloos ligt en nietig en misvormd,
Wat zalig glansde in zilv'ren stergeflonker.

De wijze tijd houdt wacht; en 't godlijk zaad
Ontkiemt tot kunst, tot wetenschap, tot daad.

De knal van 't schot

Lang rolt, een bol van klank, de knal van 't schot,
bonzend van wand tot wand, 't gebergte rond:
het dier, door 't vals onzichtbare gewond,
kruipt, om de rand, in scheef verlichte grot;

en pijnlijk trekt hij met verbrijzeld bot,
hinkend, een smal rood streepje over de grond;
diep, ver van 't bos, waar hij zijn voedsel vond,
daar gaat hij dood in 't donker; en verrot

Hem, die vol toekomst zwerft door wildernis
van jong gevoel, treft soms, die zeker is
van 't goed gemikte woord, in tere plek:

voor 't ongeluk, dat in zijn leven viel,
vlucht hij naar 't ondergrondse van zijn ziel,
en kan niet meer naar boven; en wordt gek.

Mijn perenboom

'k Zat, jong, graag in mijn perenboom te deinen:
In de afgeknotte top had ik een plank
Getimmerd, en gevlochten, rank door rank,
Klimop tot rugleun en veil'ge gordijnen.

Mijn zomerzon zag 'k in mijn tuinen schijnen,
Zelf in groen licht op wiegelende bank;
Een open schoolraam galmde in zeur'ge klank
Van kale en korte Karels en Pepijnen.

Zo, daadloos, boven 't leven, kijk ik toe:
Mijn wereld ligt in de avondzon; 't wordt laat.
Mij zelf en and'ren heb ik ondergaan.

'K lach om wie zegt, dat ik mijn plicht niet doe;
En, wachtend, schommel ik op rijm en maat:
Nooit heb ik zo, als nu, mijn plicht gedaan.

Nog hoorbaar, heel heel ver,
is de avondtrein

Nog hoorbaar, heel heel ver, is de avondtrein -
Blauw naast groen korenveld een boer aan 't werk.
Hei. Boven bosch de toren van een kerk.
Rust, overal; 't diepst op de spoorweglijn.

'T is of de vijf telegraafdraden zijn
Een notenbalk; de sleutel - ginds, die berk;
De noten zwaluwen, zwart op 't rode zwerk;
De vlaggetjes hun staarten, lang en fijn.

En Mendelssohnsche melodieën zingen
Op 't beukenpodium de gietelingen;
De nachtegaal vangt zijn nocturnes aan:

Dat hij bij 't hoogtepunt van zijn gezangen
Goed uit zal halen, komt herinn'rend hangen,
Als scheef point-d'orgue, 't boogje van de maan.

Uit: Verzamelde werken — Brahman I
(Amsterdam, 1947)


Schilderij

’k Hoor, hoe met gouden lijst de schilderij
onhoorbaar zegt, terwijl ik sta te kijken:
‘Ik hang in ’t niets, zelf niets dan schijn van eiken,
van weiden en van wolken, zee en hei;

Brahmans gedachte heeft bereikt in mij,
wat in uw werklijkheid hij wou bereiken.
Met kosmisch Zelfgevoel zal ’k u verrijken;
zink door mijn schijn in ’t Wezen en word vrij.’

Maar ’t panorama – ergernis voor wijding
geeft mij zijn sluwe en spokige misleiding:
’t liegt mij de straat op, wrev’lig en beklemd,

waar, diep genot om eerlijkheid verscherpend,
rumoerig klikkend, knallend, klinglend, snerpend,
het leven rent en motort, fietst en tramt.

Uit: Volledig dichtwerk,
G.A. van Oorschot, Amsterdam.


Brünig

Augusrusnacht. - Aan d' overkant van 't dal
Bruist uit onzicht'bre sneeuw een waterval.

In schaduw ligt de weg. Over de stammen
Sprenkelt de koele maan zijn blauwe vlammen.

Ergens in struiken zweeft krekelgesjirp.
Door 't donker zagend met zijn zaagje scherp.

Ontzaglijk zwenkt, angstwekkend hoog en wijd
De Groote Beer zijn gouden majesteit.

En ijv'rig zingt klein krekeitje zijn lied:
't Leven is kort, en daarom slaapt hij niet.

En rusteloos orgelt de waterval:
Geen duizend eeuwen en zijn berg is dal.

Onhoorbare secondenwijzer, gaat
De Groote Beer langs blauwe wijzerplaat.

En in één oogenblik, dat zoo verglijdt,
Beleeft de geest de stilstaand' eeuwigheid.


Uit: Verzamelde werken — Nagelaten gedichten
(Amsterdam, 1947)

Naar boven

Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 25-06-2002.
Laatste wijziging 26-09-2017.

E-mail: webmaster