Naar "Muziekgedichten
van Paul van Ostaijen"

Terug naar "Dandy & Dichter"

Music Hall
Paul van Ostaijen
Paul van Ostaijen 
(1896 - 1928)
Dandy & Dichter
Journalist, essayist 
en kunstcriticus

MUSIC HALL

Affiches van Henri de Toulouse Lautrec

1
Gelijk een zwakke vrouw d'armoe van heur lijf verbergt Onder een ruisend froufrou van rokken en van kanten kleren Zo dommelt de Music-Hall z'n lusteloos begeren Weg in 't schijnen en 't kwijnen van veel rode en groene lichten. 2 Nu rinkelt schel De elektrieke bel En scheurt de vrede van den avond Tot een rinkelende wond Van bange blijheid. De mensen die voorbijgaan voelen Hoe, als 'n klamme, koele Drop, de tingeltangeltinteling Op hun ziel zinkt, Gelijk een regendrop op 't zinkevlak Van een platdak. De mensen aarzelen, kijken Even de neger aan Die op en neer moet gaan, Programma's reiken. Over de mensen deint 'n Zee van onzekerheid, En d'elektrieke globe schijnt Als 'n lichtbaken van blijheid. Schril gillen de sirenen: Komt naar de Music-Hall henen, Daar is er lachen, daar is er wenen, Schril gillen de sirenen. Onzeker gaan de mensen Ter Music-Hall; Onzeker staan de mensen In de zwarte zaal. 3 Maar Plotseling Bont en klaar Schijnen de lampen en stralen Over de zaal Hun schitterende, schetterende praal Terwijl 't orkest, Kranig en vast Naar 't einde rennend, Een razende dans inzet. Zo is de verlossing Uit d'onzekere stemming, Gouden verlichting Te allen kant. Kennissen drukken elkaar de hand, Damen knikken charmant, Een kaalhoofdige heer groet Met brede gebaren en zwaait de hoed. Haastig, Naarstig, Bedrijvig, IJverig Komen de kelners gegaan, Brengen verfrissingen aan. Helder klinken Rinkelingen Der glazen. Dan loopt over de zaal 't bevel Van een nerveuze schel, Het praten geheimzinnig vlucht, Langs een wachtensmoeë lucht. De toneellichten schijnen, d'Andre in de zaal verkwijnen. Het zwijgen wordt de éne stem Van dit één hart in zonderlinge klem Van angstig wachten. Als door een lichte zucht bewuifd Rilt de gordijn en schuift Terzijde in mooie, Zachte plooien. Tred na tred, Danseresjeswet, Tred na tred, Voetjes zet.
Henri de Toulouse Lautrec
Jane Avril
In licht op en neer Gaan, en wederkeer Van haar tullenkleed, Danst het danseresje, Music-Hall prinsesje, Dat zovele listen weet. Listen in 't glinsteren der ogen, Kohl bestreken, twee zwarte bogen, Die omkransen geheimenis en logen. Listen met de voeten, Eventjes de grond beraken moeten, Dan weer leven, leven In het even, Trillend, Rillend Zweven Van het tullenkleed. Een oude heer kijkt Scherp toe en ongeduldig. Zijn blik wijkt Van het toneel geen ogenblik.
Naar boven
INTERMEZZO VAN DE OUDE HEER EN 'T DANSERESJE
Henri de Toulouse-Lautrec (1864-1901) 
De Engelsman in de Moulin Rouge 
Olieverf en gouache op karton
33 3/4 x 26 duim (85.7 x 66 cm)
Metropolitan Museum of Art, NY
De oude heer: Danseresje, danseresje, Zoveel honderd in de maand, Word prinsesje, word prinsesje Tegen zoveel in de maand. Zoveel in de maand bespaard, Dikwels 'n cadeautje, O, m'n mooie vrouwtje, Is dat niet je liefde waard? En daarbij ik ben geen lastig heer, In de week kom ik maar zoveel keer, Nooit of nimmer meer, 'k Zou niet kunnen, de jaren doen me zeer. Het danseresje: Ouwe heer met senten, 'k Mag je lijen graag, 'k Zal nochtans u in het harte prenten Dat 'k ook andere vrijers vraag.
Nadat, Vier, vijfmaal Naar voren trad De danseres En van de zaal Haar tegenkwam Het handgeklap, Rap, rap, Dat zij ootmoedig buigend aannam, Gaan de lichten weer uit En de donkerte fluit Over de zaal Op eenmaal Z'n eenvoudig lied. Op het wit doek Staan, handelen, Gaan, wandelen Broeders van ons, O, broeders van mij, Angstig zij aan zij In de zaal Die is zwart als de dodenpraal Van de lui die sterven, Wanneer zij nooit moesten derven, Wat je met fatsoenlik geld Eerlik krijgt vergeld. Op het doek, o, broeders van mij, Is de haat en de liefde weer zij aan zij. De nijd Bestrijdt Handig en knap De vriendschap; De haat En heimelik verraad, Zo kwaad, Wil dat de liefde vergaat. Maar wees gerust, O, broeders van mij, Op goedheid's zege belust; Laat enkel gedurende een kort getij Haat en nijd zegevieren, Wreedheid, Jaloersheid de wereld bestieren; Het einde van de film bestaat Niet in de zege van het kwaad. Na lijden en smarten En 't der kwaden tarten, Zal herrijzen de goedheid hoog, Hoger dan de gaaivogel, die nooit Getroffen werd door 'n pijl uit Herakles' boog, Steeds van hoog z'n liederloosheid strooit. In 't eindeloos dagen deinen, Dagen van geluk en vrede, Zal naar voren treden De Lente en 't goede eeuwiglik omschijnen. De Lente is 'n feest van maagden, Die hun vreugd' niet dragen kunnen, Zich in de lucht versmoren gaan. Zo eindigt alles ten leste, - Op de film heeft 't goede steeds de resten, - Voor elk het beste. 'n Jongleur-ekwilibrist, Vrank en vrij, In zomerse kledij, Verschijnt voordat iemand 't gist. Bonte ballen dansen In de lege lucht, Bonte ballen kransen In een dolle vlucht. Groene hoepels komen, Wederkeren lome, Groene hoepels draaien In der lichten laaie. Rode fakkels draaien In een vuurge glans, Grote fakkels zwaaien In fantastendans. Vuurge fakkels gooien, Langs 's jongleurs gezicht, Vuurge fakkels strooien Duisternis en licht. 't Lijken zoveel sterren Van goedkoop allooi, Maar van ver en verre, Doet dat toch zo mooi. Dat wat ons betrouwen Aan 't toneel kan houen, Al waar 't slechts een stond, Is de schoonheid van dees avond. De lichten uitgedoofd, komt op het doek, Voor het publiek Nooit te vroeg, maar steeds te spa, Een film-komiek Uit 't verre Amerika. Zo gaat in kring Van wisseling, Verblijdenis En droefenis En smart en pijn, In liefde-zijn, Ook treurenis Om het gemis Van wat niet is. Maar op 't laatst van de dag Knalt als 'n overwinning Door de Music-Hall wijding Een grote schaterlach, Die scheurt de hijgende stemming Tot een groot geluk. Tot een groot geluk. Het geluk van de slet Die haar droef bestaan Voor 'n korte tijd heeft vandaan Gezet. Een ogenblik leeft zij buiten de zorgen, Van al datgene buiten de Music-Hall ligt, Zwart en hopeloos, Smart, zo troosteloos. Zij denkt niet op 'n slecht betaalde nacht, Op 't gasthuis, dat van verre loert en wacht, Gelijk de dood, De dood van hare mooiheid En de dood van de voordeelge Lentetijd. Voor een ogenblik heeft zij zich weg gedacht En de zege van goedheid verwacht. En zo heeft ook gedacht de jongeling, De man die kwam met z'n familiekring, De meisjes die in kinderlik vertrouwen Hun minnaar naast zich houen. Er is niet meer de ziel van deze of gene man, Niet meer de ziel van deze vrouw, Of gene, die haar man ontrouw Werd. In de Music-Hall is er slechts één hart, En één ziel. Eén kloppend hart, Eén levende ziel. Elk mens is 'n ander mens, En al de anderen zijn weer dees één mens, Die zich gelukkig weet, Omdat hij met de helden leed, En in z'n ziel - de ziel van allen, Hier verenigd ter Music-Hall, Voor goedheid streed, En blij was, wanneer Niet meer Overwinnen bleef lafaardij, Maar wel, niettegenstaande 'n laatste felle kneep, Voor recht bezweek Maar niet enkel de mensen Vormen dit ene wezen, Wel alles wat in de Music-Hall Aan bonte wemeling is herrezen. De lelike muurschilderijen Worden mooi, wijl zij bij het blije Wezen hoeven. En ook daarbij Moeten de goedkope glazen, En de koffiekoppen, de slechte koffie, De karaffen met water, de stropijlen, Het ratelen van de kino Door het algemene zwijgen, De lichten geel, groen en paars. Dat alles wordt hier mooi En goed, en innig, innig voor ons allen. Dat alles is vergroeid Met ons en één ziel bloeit In de Music-Hall, één ziel Die omvat het mensengekriel En al de blije dingen, Die van innigheid zingen En draaien van innigheid, als 'n spinnewiel. 4 O, m'n Music-Hall wieg m'op uw geluiden, Dat ik weer eens de ware wereld buiten Treed; dat ik weer eens wone In illuzie's hogere regionen. Dommel nu m'n eenzaam wezen heen In de ziel die een, hier alleen Kan leven; door haar eenheid De kompleetste innigheid. Dobber, dommel, deint In die eenheid, ziele mijn, Flikker, schitter, schijnt Als 'n kinolampe, zieleschijn. Kinofilm, jij zijt 't levensimbool. M'n leven draait in snelle farandool Als jij. M'n leven is 'n mozaiek Van schuld en boete, van liefde en haat, Van lijden en verblijden, van latent zijn en van strijden, Van hoop en wanhoop, van eerbied en van smaad. Van m'n leven blijft steeds mij 't dierbaarst 't Verleden Boven al, en slechts leef ik het Heden, Opdat het later weer mooi zou wezen, Wanneer het ligt in Verleden's zachte schijn. Daar liggen de enkele vrienden, Die ik lang geleden lief had, en ook Daar zijn de meisjes. Allen blijf ik welgezind Door m'n Verleden heen, want allen lijken me nu goed. O, enkel, enkel is voor mij vertroosting Wanneer 'k kan leven in herinnering En breken door m'n kleine levenskring Tot des Verleden's maangesching. Enkel nu en dan weet ik hoop En jij, kino, sterkt me voor 'n korte stonde In die hoop, zachte illuziestonde. 5 Als niet meer is de mens, Zelfs niet de wens Om uit de agonie te zijn, Als na 'n laatste harde strijden, De ziel van 't lichaam is gescheiden, Dan blijft de menselike huls Slechts 'n onnuttig tuig. Zo is zielloos de Music-Hall, Wanneer de mensen de zaal Verlaten hebben, plots, in een drang, Uit hun eenheid gedrongen. Als het volk buiten was, Hebben de kellners ras Opgeruimd het glas- Werk en de stoelen boven Op de tafels geschoven. Dan zijn de kellners verdwenen En de lichten, die voorhenen Zo vrolik de zaal doorschenen, Ook zijn uitgedoofd. De Dood, Zij werkt steeds onverdroten, Heeft de Music-Hall als 'n prooi omprangd En haar dood-stille adem over hem heen doen glijden. De ziel des Music-Hall's leeft langs de straten, Duizendvoudig in gebroken praten. De ziel is aan flarden gescheurd En heeft haar eenheid verbeurd. Toen de ziel even buiten de zaal was, Is zij stuk gevallen als zeer broos glas. Nu lopen weer al de mensen uitéén Alsof ze nooit één geweest waren, voorheen. Niet meer bij mekaar sluiten zij zich aan. Nu zijn er weer schamele mensen langs de baan: Arme mensen, die alleen en sjofel staan, Onzeker, verder gaan. Zo is gevallen Als teer porselein, Gebroken met 'n korte knallen En het doven van de kinoschijn, De ziel die even één was, Wijl zij haar blijheid op de kino las.

Naar boven

JUFFER LOLA

       Voor Charlotte V.
Juffer Lola, dit is waar, Danst met stappen, Rappe, Ranke, Op het klanken Van een lustige gitaar. Kleine, Fijne Sirkeldansen Vormen kransen Rond, rond, Over het tapijt Zó bont. Juffer Lola rookt sigaretten, Kleppert met de kastanjetten, Lonkt en lacht Zoetjes zacht, Weet haar passen Wel te passen, Meet Zó goed En netjes Al de tredjes Die zij zetten moet, Een voor een; Danst…alleen. Juffer Lola doet naar nieuwe wetten Klepperen de kastanjetten, Die begeleiden Al de zongewijde Liedjes die zij zingt. Spaans bloed Stromen moet, En de kastanjetten Zetten Snel Moed bij het duel. Zonderlinge Dingen Klinken Uit dees’ zang In mijn hart zó lang… Bij het eindigen van de dans Werpt juffer Lola kusjes met de hand, Juffer Lola, zeer charmant.

Uit de bundel Music-Hall



Affiche van H. de Toulouse Lautrec

Naar boven


Dandy & Dichter (home)

Vlaamse dichters

Nederlandse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 18-09-2003.
Laatste wijziging: 06-05-2017.

E-post: webmaster

Statist. "Dandy & Dichter"

Statist. "Poëzieweb - Poetryweb"