
AVONDLIEDEKE IDes avonds worden mijn gepeinzen Een hofke van geheimenis... Waar bloemen naar het westen wijzen, Waar iedre vogel slapen is. Des avonds wordt de wereld kleener En dichter alle ver verleên... Die eenzaam zijn, worden alleener, En die beminnen méér bijeen. Des avonds weegt er op mijn zwijgen Die schone, menselijke pijn... De drang een innig woord te krijgen En zelf voor iemand lief te zijn. AVONDLIEDEKE IIDaar ligt erbarmen in de avond, een goedheid die geen grenzen weet; Wie 's avonds geeft zijn hert, zijn handen, Vergeet zo goed zijn eigen leed. Daar ligt vergiffenis in de avond,... O gij, die 'k 's morgens heb gehaat, Ik voel, dat gij ter schemer-ure, Weer schoon door mijn gedachten gaat. En liefde ligt er in de avond, Zooveel, dat ik de wrede man, Die 't schoonste van mijn droom ontwijdde Des avonds weer beminnen kan. AVONDLIEDEKE III't Is goed in 't eigen hert te kijken Nog even vóór het slapen gaan, Of ik van dageraad tot avond Geen enkel hert heb zeer gedaan Of ik geen ogen heb doen schreien, Geen weemoed op een wezen lei; Of ik aan liefdelooze menschen Een woordeke van liefde zei. En vind ik in het huis mijns herten, Dat ik één droefenis genas, Dat ik mijn armen heb gewonden Rondom één hoofd, dat eenzaam was...; Dan voel ik op mijn jonge lippen, Die goedheid lijk een avondzoen... 't Is goed in 't eigen hert te kijken En zóó z'n oogen toe te doen. De Nederlandsche boekhandel, Antwerpen (1941). A.W. Sijthoff's uitgeversmaatschappij, Leiden. Zeventiende druk, pag. 27 & 28. ![]() |

