
|
SCHADUWIk heb de liefde liefgehad;daarom wellicht heeft zij me niet bemind. Zo doet de mooie minnaar met een zeer verliefde kind. Ik heb de zon te lief gehad en beu van beedlen aan de deuren van de dagen ben ik geworden als een varenblad dat liever in de lommer leeft dan zon te dragen. En daarom bouwt mijn kommer aan een huis waar lamp- en zonnelicht getemperd zijn voor de ogen en waar de soobre lijn van een gelaat en waar de vrede van een vriendschap staat lijk schaduw van een boom over mijn hoofd gebogen. MOLME BOOMWie zal 't u aanziendie leproos van voet diep met uw wortels in verrotting wroet dat gij nog 's avonds klimt langs weke bladertrappen en boven uw mizerie met de sterren staat te klappen? Wie zal 't u aanzien, uitgestoten mens, die op uw schande wankeldoolt tot leste grens terwijl ons onbarmhartigheid uw zondemantel zoomt dat gij langs drassen weg van witte heirbaan droomt? Wie zal 't u aanzien? God en enklen maar. Ach, wisten al de mensen van elkaar 't geheim beluik van 's harten loense wijken waarin de trappen staan die naar Gods liefde reiken. MASKERS![]() De mensen doen hun maskers af, ze kijken vreemd elkander aan verwonderd dat ze naast elkaar lijk vreemden staan. Nochtans ze stonden zij aan zij in zelfde strijd voor zelfde brood; Sleepten zij niet dezelfde sleur van zorg en nood? Viel niet dezelfde klacht en scherts van uit hun bitter-blije mond? Was 't niet of men de hele dag elkaar verstond? ![]() De mensen gaan zover vaneen wanneer de schemering is nabij; ze worden er niet triestig om of ook niet blij. Ze speelden immers maar een spel waarin de ziel geen teken gaf; ze deden enkel met elkaar wat lief, wat laf. En met een gauw-vergeten groet een scheiding zonder lach of leed, gaat ieder naar zijn eigen huis dat stilte heet. ![]() Daar zijn er die te dromen gaan langs paden mul van schemering, naar 't land dat 's avonds schoner wordt, herinnering. En velen worden stil-devoot om rein profiel van lief gelaat dat in de voorhal van hun ziel gebeeldhouwd staat. Ik weet er ook die sprakeloos en moede van d'ondankbre strijd de avond danken om zijn uur van eenzaamheid. ![]() De mensen doen hun masker af, hun mooie-spelen moe-gedaan, och arme, zij die levenslang gemaskerd gaan. Gemaskerd door hun eigen trots, vergulde lach of kranke lust. Zij krijgen van geen enkle dag wat avondrust. Ze gaan, 'lijk zwervers, altijd door langs dageraad en avondrood; ze vinden nergens 't eigen huis dan in de dood. Uitgeverij: De Nederlandsche Boekhandel, 1928. ![]() |

