
VONDELINGSKENS'k Vond z'in Vlaanderen, waar geen handZegent d'idealen...; Waar men, als een vreemde, bant D'eigen zoete tale. 'k Vond ze, waar geen zachte stem Door m'n zuchten streelde...; 'k Vond ze ver, heel ver van hem, Ver van alle weelde. In 't vertellen van wat wind..., 't Rits'len van de hagen..., In de kijkers van een kind..., 't Scheem'ren van de dagen... 'k Vond z'in 't eigen stil gedacht..., In wat bloemen-zegen...; 'k Vond ze, spelend langs de gracht Van verlaten wegen... Zoudt ge weelde vragen toch Van die schaam'le dingskens...? 't Zijn geen rijke kind'ren..., och, 't Zijn maar vondelingskens... UCHTENDLIEFDEZilver zijn de wegen,Zilver zijn de weiden, Zilver van de peerlen-dauw, Die de feeën schreiden. Zingen doet de stilte... Zingen psalm-akkoorden... Zingend naar elkander gaan Al ons liefdewoorden... Zoenen doen ons zielen, Zoenen ongebonden... Zoenen, als de zonne-vrouw Zoent de bloemen-monden. Zalig zijn uw armen... Zalig zijn uw ogen... Zaal'ger dan d'oneindigheid Onder zilver-logen... GELOOFDaar droomt iets in uw ogen, Wen gij ten hemel ziet; Daar zingt iets in uw zuchten, Héél verre, van verdriet... Daar sust iets in uw stemme, Een troost, die 'k zelden vond In woorden die gedijen Uit menselijke mond. Daar juicht iets in uw vreugde En, zo ge wel eens schreit, Dan lacht er door uw tranen Zóveel gelatenheid... O Lieve, zeg me stille, Is dàt soms verre schijn Van de eindeloze weelde, Héél dicht bij Hem te zijn? ROZENKNOP![]() 'k Hoù niet van volbloeide roze, Die heur hart heeft uitgezeid, Die bij 't oop'nen Van heur broze weelde, D'éérste stervenstrane schreit. 'k Zie ze liever wachtend dragen, Wat een knop niet openwoelt: 't Stil gesluimer Van zó teêr verlangen, Dat een and're roos het voelt... Want, door elk geluk moet schreien, Schemering van droefenis... Als een liefde, Die door bei geweten, Nog onuitgesproken is... Liefde, hou me lang verborgen 't Schroeien van uw pracht'ge gloed; 't Is de passie van het zonne-zoenen, Die een roze sterven doet... ARMOE'k Heb zo'n honger naar een lied In dit huis van eenzaam wezen, Waar 'k nog in geen blik mocht lezen Dat een mens me gaarne ziet. 't Kloksken tikt melacholiek... 't maakt me monotoon en kranke, God, ik smacht naar dieper klanken, 'k Heb zo'n honger naar muziek... Ach... en zo'k mezelve sus Met een blom of een gebeken... Ziet ge niet mijn lippen smeken... 'k Heb zo'n honger naar een kus! Leven, dat ik lieven moet, Leven... kunt ge zó me laten Zonder liefde... zonder haten? 'k Heb zo'n honger naar uw gloed. STERVENS-PIJNDaar hangt wat adem van m'n zielOp iedere weg, in ied're bloem; Daar blijft een beetje van mijn hart In al de namen, die 'k vernoem. En 'k voel m'n ogen stil verwant Aan ieders wee..., aan elks verblijen... Gij, die me lieven hebt geleerd, God, leer me scheien. M'n God, ik kàn..., ik kàn nog niet; Daar woont in mij geen stervensrust! M'n ziel is nog niet uitgezeid, M'n mond heeft niet genoeg gekust... Zie, in m'n kijkers fonk'len nog Te lang verkropte, jonge lusten... Gij, die me hunk'ren hebt geleerd, God, leer me rusten... Onder m'n voeten reuz'len stil Verdroogd' en bruin' oktoberblaân; Neem Gij m'n handen, God, ik kàn, Ik durf er haast niet overgaan... M'n zwier'ge tred is niet gewend Te trappen op illusie-scherven... Gij, die me "leven" hebt geleerd, God, leer me sterven. EENVOUDIk voel m'n ziel verwant met kleine simpele dingen, Die op ons wegen staan als bloemen van het veld..., Verdoken in het gras, door weinigen geteld..., Al dragen z'in hun kelk de zoetste zegeningen. 'k Vind schoonheid overal; maar dat wat zachte perelt Van uit uw moeë mond, die luttel woorden vindt: "Goênavond..., lieveke, goênacht..., m'n zielekind." Dat maakt me zaal'ger dan de weelde van de wereld. Zó groeit in m'n gedacht een vrede, niet te noemen; M'n ziel, in schoonheidshuis, niet één mysterie vindt; Want àl wat schoonheid is, met simpelheid begint... En 'k noeme Liefde, 't zaad van alle schoonheidsbloemen. REGENDAGGrijs gewelf met grauwe vegen, Koepel van ons huis, Waarom stort ge uwe tranen tegen 't Venster van m'n kluis? Ziet ge niet in bei m'n ogen Tranen die ik schrei? Waarom zonder mededogen Stort ge er de uwe bij? Tranen lekken langs m'n wangen Om m'n eigen wee... Zingen dan uw weemoedzangen, Droppels, met me mee? Tranen lekken langs de ramen Van m'n kamerkijn... Dropplen droef, we schreien samen Om wat zonneschijn... NAJAARSVENSTERKETussen ‘t naakte, rood geraamte Van een wilde wijngaardrank, Hing een scheefgezakte venster In de gevel, blauwig blank. Op de grauw arduinen rijchel Hier en daar vergroend van mos, lagen enk'le wingerdblâren, Dronken van d'oktoberblos. Onder ‘t venster, waar het muurke Door de tijd gebersten was, Stonden triestig te verdrogen, Uitgeblomde dahlia's. Een verneuteld vrouwke schikte ‘t Wit en rood geblokt gordijn; ‘t Was... alsof heur rimpels zegden: "‘t Zal ‘ne kwaaie winter zijn..." DE KINDEREN VAN DE SOETEWEYZe trekken ter schole ten halleveracht, - Het dorpje ligt ver van ‘t gehucht, - Om ‘t even, of liefelijk ‘t zonneke lacht, voor wind noch voor regen beducht. Met blauw-baaien rokskens, De blinkende blokskens Van ‘s zaterdag vers gevernist, Zo trekken ze zwijgend De koppekens nijgend, Door regen, door sneeuw of door mist; Dan spreken die boerengespeelkens geen woord, De groten trekken de kleineren voort. "Klikkerdeklakker", zo kloefren de rijen Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseien. Op grootmoeders neusdoek, met kopspeld gehecht En kleurig met bloemen bestikt, De strogele haren, heel stevig gevlecht, Met vuurrode lintjes getrikt; Bol-rode gezichtjes En ogen als lichtjes, De handekens fris en gezond; Hoe lief en hoe gekjes Die boerene bekjes Met koffierandekens rond; Zo stappen ze fier en als waren ze rijk! Hun neusdoekje sleept met z'n tippen door ‘t slijk, "Klikkerdeklakker", zo kloefren de rijen Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseien. Des zomers dan lopen de jongens voorop; Ze knabblen aan raap of aan pee. De meiskens die leren hun lessen luidop, De kleintjes die zeggen ze mee. Soms doen ze hun blokjes En lichtgrijze sokjes Aan ‘t oude kapelleken uit, Dan klinkt langs de wegen Het joelen u tegen En ‘t plif-pleffend voetjes-geluid... Maar zien ze in het deurgat hun moederke staan Gauw schieten ze sokjes en blokjes weer aan. "Klikkerdeklakker"... zo kloefren de rijen Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseien. VERGIFFENISIk wil u schoon vergevenOmdat ik wonder-schoon bemin; Vergiffenis in liefde Weet ende noch begin. Ik wil u schoon vergeven Omdat ik bij mijzelve weet De zwakheid van m'n herte, De diepte van uw leed. Ik wil u schoon vergeven, Omdat ik in mijn groot gemis, U toch niet meer kan schenken Dan wat vergiffenis. ![]() |

