
Uit 'Maart - April'
ZAADMAANDDaar stond een late zonnebloemTe sterven in de laatste zon; En niemand in de wereld, Die haar nog helpen kon. Een mensenhand gerimpeld En door geen werk vergroofd, Die sneed van 't mager halske Dat beu-gebogen hoofd. En op z'n smalle vingren Woog het van zaden zwaar. Ze hebben elkaar bekeken En hij werd bang van haar. En schouwend in zich zelve, Voelend z'n groot verval: "Zal ik zo prachtig wezen, Als God mij plukken zal?" BLARENLIEDWij, dorre en dode blaren,Wij komen stil gevloôn En vlechten door uw haren Een goud- en bronzen kroon. Daar, waar wij ritselend vielen, En strooiden herfst-gewaad, Daar sterft iets in uw zielen... Gij, die er over gaat. Wij leggen in uw ogen Traan van weemoedigheid; "De Zomer was een logen"; Zo zucht ge, wijl ge schreit. Neen, stervling, in uw klagen Treurt ge om ons dor geblaart; Ge denkt aan zonnedagen, Die gij vergeten waart. Gij weent omdat wij zingen Op droeve mijmertoon, Van half-vergane dingen, Te vroeg gestorven schoon. Wij suizen 't in de hagen, Wij fluistren 't vóór uw voet. Wij komen ritselend klagen, Dat àlles sterven moet. WEEMOEDUit de bloemen en de bomenStijgt een onbepaalde klacht 's Avonds, als ik zit te dromen En gedwee m'n weemoed wacht. En uit alle de gewesten Rijst een zang van droefenis Omdat ginds in 't rode Westen 't Zonnelicht aan 't sterven is... 'k Zit naar 't sparrenbos te staren, Waar die stralen stervend zijn; 'k Wou zo geern' wat glans vergaren Voor mijn droevig zielekijn. Maar ze daalt reeds in de bomen En haar stralen houdt ze bij, Z'heeft mijn blijheid meegenomen En wat weemoed liet ze mij. Stil, o stille... 'k Voel ze komen Milde weemoedsmelodij, Zachte, wondre weeldestromen Brengen mij gedichtjes bij. Stil, o stille, 'k hoor d'akkoorden Klagen door de schemering. 'k Voel geen tranen, 'k weet geen woorden, 'k Vind alleen herinnering. Dank, o zon, dat gij mijn zangen, Als g'in 't leven slapen gaat, Voor dees grauwe gasthuisgangen Mild en goed behouden laat. Dank, o weemoed, dat gij dromen Zendt door mijne droefenis, Wijl dees donkere dagen komen Wijl mijn zon gestorven is... IK DANK UIk dank U voor het goed onthaal,Dat was van weinig woorden, Gelijk àl goede dingen zijn, Die ooit ons hart bekoorden. Ik dank U voor het avondmaal. Der kindren klare wezen, Het warme huis, de liefde, en Wat nooit mijn deel mocht wezen, Maar wat vandaag op d'ouden droom En over dorre dagen, Een warme sneeuw van bloesem vlaagt, Lijk Mei op dorenhagen. ZO ZONG DE BLOEM IN DE VAASIk ben een bloem van 't veldWie vroeg mij mee ter stede Waar 'k nooit of nooit meer bidden zal 'Lijk ginder in het rustige dal Mijn simpele bloemgebeden. Ik sta hier in dees mooie vaas Zo triestig te verwelken Gij hebt mijn herte zeer gedaan. Ach mensen, zult gij nooit verstaan De taal van bloemenkelken. Ik ben een bloem van 't veld Voor mij geen tuin, geen snoeien. Geen krachtige vaas die mij omknelt Maar laat mij ginds, in 't vrije veld Bij d'andere bloemen bloeien. En ben ik uitgebloeid Ach, laat mij dààr verslensen En luister naar mijn laatste zang Ik ben zo bang, ik ben zo bang Te sterven bij de mensen. MAGNOLIADit is de tak met de bloem alleende andre bomen gaan al moe en zwaar van loof naar de aarde toe. Dit is de tak die ten hemel biedt In zuivre kelken van albast de witte wijn uit de donkere bast zó teerheid die uit droefnis wast. Hoe zal ik nobler gedenken U hoog-tere ziel sterk maar sereen dan bij deze mystieke brank de tak met de bloem alleen. Dat is de devote magnolia voorzichtig in uw handen geleid van koninklijke tulpeboom de prinselijke tederheid. IK DANK U VOOR DRIJ ROZENIk dank U voor drij rozenuit lieve hand gekregen drij rozen en... de tijd stond stil van prinselijke poze rond mij voorzichtig voor mijn leed toen toog hij weer gebarenbreed ik stak de rozen aan mijn kleed. En deed de wintermantel toe hij was te zwaar gekozen voor deze tedere levens en de kroon viel van de rozen. Toen ik de mantel opensloeg zie hoe mijn vreugd nog enkel droeg drij naakte harten goor en geel maar hoog en op een trotse steel lijk op de fiere stengel van mijn hals d'ellende schoon zijn kan. Zij groeten U nog vóór zij gaan in de lâ der souvenieren met de verrijkte glimlach van die nimmer 't zomeren vieren. Zij groeten U, die herten drij en dat van mij, en dat van mij verinnigd door gebroken gloor die roos die vroeg heur kroon verloor onder grof leed de logge pij die mantel veel te zwaar voor mij. HET HALSSNOERAch Here, de vrijheidklatergouden geschenk dat de liefste mij geeft als hij gaat. Ach Here, dat droef sieraad. Hij hangt het mij jublend over 't strenge kleed, en - ik lach met de lach die de mondhoeken slijt - neem Gij mij dat strassen lawijt van de fiere troon van de hals. Ach Here de vrijheid zo vals. Want hij hield mij zingend omhoog hij noemt mij 'n zonnige fee ik povere kind in zijn hand en hij zegt dat ik schoon ben ermee. En de tranen komen opeens vanuit mijn ogen omneer over zijn schaterend hoofd. Ach hart dat in liefde gelooft. Ach Here de vrijheid doet zeer. ONDER UW HANDENOnder uw handendie veilig' ogieve word ik weer de stille de zachte de lieve die vredig d'ogen kan laten varen over de herfst en de verloren jaren. Onder uw handen mij binnen halen in de kleine portiek van de zeer hoofse zalen waar ik hoor zingen dat vèr-ijle lied als ge mijn naam zegt of zacht naar mij ziet. Onder uw handen de droom herwinnen glimlachen en goed zijn herboren naar binnen nat schreien uw polsen van gesmolten trots en wonen en gaan slapen in die schone ogieve Gods. ![]() |

