
MASKERS![]() De mensen doen hun maskers af, ze kijken vreemd elkander aan verwonderd dat ze naast elkaar lijk vreemden staan. Nochtans ze stonden zij aan zij in zelfde strijd voor zelfde brood; Sleepten zij niet dezelfde sleur van zorg en nood? Viel niet dezelfde klacht en scherts van uit hun bitter-blije mond? Was 't niet of men de hele dag elkaar verstond? ![]() De mensen gaan zover vaneen wanneer de schemering is nabij; ze worden er niet triestig om of ook niet blij. Ze speelden immers maar een spel waarin de ziel geen teken gaf; ze deden enkel met elkaar wat lief, wat laf. En met een gauw-vergeten groet een scheiding zonder lach of leed, gaat ieder naar zijn eigen huis dat stilte heet.
Daar zijn er die te dromen gaan ![]()
De mensen doen hun masker af, ![]() |

