Alice Nahon - Bloemlezing uit Vondelingskens
Alice Nahon



Uit haar bundel
''Vondelingskens"


VONDELINGSKENS

'k Vond z'in Vlaanderen, waar geen hand
Zegent d'idealen...;
Waar men, als een vreemde, bant
D'eigen zoete tale.

'k Vond ze, waar geen zachte stem
Door m'n zuchten streelde...;
'k Vond ze ver, heel ver van hem,
Ver van alle weelde.

In 't vertellen van wat wind...,
't Ritslen van de hagen...,
In de kijkers van een kind...,
't Scheem'ren van de dagen...

'k Vond z'in 't eigen stil gedacht...,
In wat bloemen-zegen...;
'k Vond ze, spelend langs de gracht
Van verlaten wegen...

Zoudt ge weelde vragen toch
Van die schaam'le dingskens...?
't Zijn geen rijke kind'ren..., och,
't Zijn maar vondelingskens...



UCHTEND-LIEFDE

Zilver zijn de wegen,
Zilver zijn de weiden,
Zilver van de peerlen-dauw,
Die de feeën schreiden.

Zingen doet de stilte...
Zingen psalm-akkoorden...
Zingend naar elkander gaan
Al ons liefdewoorden...

Zoenen doen ons zielen,
Zoenen ongebonden...
Zoenen, als de zonne-vrouw
Zoent de bloemen-monden.

Zalig zijn uw armen...
Zalig zijn uw oogen...
Zaal'ger dan d'oneindigheid
Onder zilver-logen...



GELOOF

Daar droomt iets in uw oogen,
Wen gij ten hemel ziet;
Daar zingt iets in uw zuchten,
Héél verre, van verdriet...

Daar sust iets in uw stemme,
Een troost, die 'k zelden vond
In woorden die gedijen
Uit menschelijken mond.

Daar juicht iets in uw vreugde
En, zoo ge wel eens schreit,
Dan lacht er door uw tranen
Zóóveel gelatenheid...

O Lieve, zeg me stille,
Is dàt soms verre schijn
Van de eindelooze weelde,
Héél dicht bij Hem te zijn?



O KIND'REN VAN MIJN DROOMEN

O kind'ren van mijn droomen,
  O bloemkens van mijn tuin,
Wat buigt ge droef en loome
  Uw teng're kopkens schuin...

Ge waart zo frisch te voren
  Als klokskens van de Mei,
O lievekens, geboren
  Uit droom en mijmerij...

En 'k heb u, stil-bewogen,
  Gevoed, bij nacht en dag,
Met regen van mijn oogen,
  Met zonne van mijn lach.

Ik wil u niet zien welken;
  Ge moet herleven nog.
O liefde..., warm die kelken,
  O zonne..., zoen ze toch,

En koester, lieve, goede
  Mijn zielekind'ren weêr;
Ik kan ze niet meer voeden:
  'k Heb geen illuzies meer.



   ROZENKNOP

              

'k Hoù niet van volbloeide roze,
Die heur hart heeft uitgezeid,
Die bij 't oop'nen
Van heur broze weelde,
D'éérste stervenstrane schreit.

'k Zie ze liever wachtend dragen,
Wat een knop niet openwoelt:
't Stil gesluimer
Van zó teêr verlangen,
Dat een and're roos het voelt...

Want, door elk geluk moet schreien,
Schemering van droefenis...
Als een liefde,
Die door bei geweten,
Nog onuitgesproken is...

Liefde, hou me lang verborgen
't Schroeien van uw pracht'gen gloed;
't Is de passie
van het zonne-zoenen,
Die een roze sterven doet...



ARMOE

'k Heb zoo'n honger naar een lied
In dit huis van eenzaam wezen,
Waar 'k nog in geen blik mocht lezen
Dat een mensch me geren ziet.

't Kloksken tikt melankoliek...,
't maakt me monotoon en kranke,
God, ik smacht naar dieper klanken,
'k Heb zoo'n honger naar muziek...

Ach..., En zoo 'k mezelve sus
Met een blom of een gebêken...
Ziet ge niet mijn lippen smeeken...
'k Heb zoo'n honger naar een kus!

Leven, dat ik lieven moet,
Leven... kunt ge zoo me laten
Zonder liefde... zonder haten...?
'k Heb zoo'n honger naar uw gloed.



EENVOUD

Ik voel m'n ziel verwant met kleine simpele dingen,
Die op ons wegen staan als bloemen van het veld...,
Verdoken in het gras, door weinigen geteld...,
Al dragen z'in hun kelk de zoetste zegeningen.

'k Vind schoonheid overal; maar dat wat zachte perelt
Van uit uw moeën mond, die luttel woorden vindt:
"Goênavond..., lieveke, goênacht..., m'n zielekind."
Dat maakt me zaal'ger dan de weelde van de wereld.

Zóó groeit in m'n gedacht een vrede, niet te noemen;
M'n ziel, in schoonheidshuis, niet één mysterie vindt;
Want àl wat schoonheid is, met simpelheid begint...
En 'k noeme Liefde, 't zaad van alle schoonheidsbloemen.



REGENDAG

Grijs gewelf met grauwe vegen,
   Koepel van ons huis,
Waarom stort ge uwe tranen tegen
   't venster van m'n kluis?

Ziet ge niet in bei m'n oogen
   Tranen die ik schrei?
Waarom zonder mededoogen
   Stort ge er de uwe bij?

Tranen lekken langs m'n wangen
   Om m'n eigen wee...
Zingen dan uw weemoedzangen,
   Droppels, met me mee?

Tranen lekken langs de ramen
   Van m'n kamerkijn...
Dropp'len droef, we schreien samen
   Om wat zonneschijn...



NAJAARSVENSTERKE

Tussen ‘t naakte, rood geraamte
Van een wilde wijngaardrank,
Hing een scheefgezakte venster
In de gevel, blauwig blank.

Op den grauw arduinen rijchel
Hier en daar vergroend van mos,
lagen enk'le wingerdblâren,
Dronken van d'oktoberblos.

Onder ‘t venster, waar het muurke
Door de tijd gebersten was,
Stonden triestig te verdrogen,
Uitgeblomde dahlia's.

Een verneuteld vrouwke schikte
‘t Wit en rood geblokt gordijn;
‘t Was..., alsof heur rimpels zegden:
"‘t Zal ‘ne kwaaie Winter zijn..."



DE KINDEREN VAN DE SOETEWEY

Ze trekken ter schole ten halleveracht,
- Het dorpje ligt ver van ‘t gehucht, -
Om ‘t even, of liefelijk ‘t zonneke lacht,
voor wind noch voor regen beducht.
Met blauw-baaien rokskens,
De blinkende blokskens
Van ‘s Zaterdag vers gevernist,
Zoo trekken ze zwijgend
De koppekens nijgend,
Door regen, door sneeuw of door mist;
Dan spreken die boerengespeelkens geen woord,
De grooteren trekken de kleineren voort.
"Klikkerdeklakker", zoo kloefren de rijen
Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseiën.

Op grootmoeders neusdoek, met kopspeld gehecht
En kleurig met bloemen bestikt,
De stroogele haren, heel stevig gevlecht,
Met vuurroode lintjes getrikt;
Bol-roode gezichtjes
En oogen als lichtjes,
De handekens frisch en gezond;
Hoe lief en hoe gekjes
Die boerene bekjes
Met koffierandekens rond;
Zoo stappen ze fier en als waren ze rijk!
Hun neusdoekje sleept met z'n tippen door ‘t slijk,
"Klikkerdeklakker", zo kloefren de rijen
Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseiën.

Des Zomers dan lopen de jongens voorop;
Ze knabblen aan raap of aan pee.
De meiskens die zeggen hun lessen luidop,
De kleintjes die zeggen ze mee.
Soms doen ze hun blokjes
En lichtgrijze sokjes
Aan ‘t oude kapelleken uit,
Dan klinkt langs de wegen
Het joelen u tegen
En ‘t plif-pleffend voetjes-geluid...
Maar zien ze in het deurgat hun moederke staan
Gauw schieten ze sokjes en blokjes weer aan.
"Klikkerdeklakker"... zo kloefren de rijën
Op blokskens voorbij langs de grauwe kasseiën.





Alice Nahon - Homepage

Bloemlezing van "haar dichtbundels"

Bloemlezing van "Uit zachte vooizekens"

Bloemlezing van "Maart-April"

Bloemlezing van "Schaduw"

Alice Nahon - Maskers

Alice Nahon - Ogieve

Alice Nahon - Shadow

Alice Nahon - Biografie

Alice Nahon - Bibliografie

Alice Nahon - Fotogalerie

Alice Nahon - Covers van haar bundels

Dead Poetesses Society

Vlaamse dichters

Nederlandse dichters dichters

Naar Dode-dichterssoos  Nederlandse en Vlaamse dichters


Homepage



 Statist. Poëzieweb     © Gaston D'Haese: 27-06-2004.
Laatste wijziging: 17-01-2012.   E-post: webmaster