Bloemlezing:

'Guido Gezelle',


'Mist',


'Verlangen',


'M'n kleine goede daad',


 'Avondliedeke I',


'Avondliedeke II',


'Avondliedeke III'


en 'Nachtwake'.

Alice Nahon - 'Op Zachte Vooizekens'
Alice Nahon



Uit 'Op zachte vooizekens'



  Aan Guido Gezelle

Daar weet geen n de stille troost,
Die door m'n kale kamer bloost,
t En is geen zonlicht van de Oost,
t En is geen lief dat kust en koost...
Het is een oude beeltenis
Van hem, die schoon van eenvoud is
en prachtig droeg z'n droefenis...
Gezelle... m'n goede Gezelle!

Daar, op uw voorhoofd staat geprint
Het lijden van een mensenkind,
En wen m'n blik uw blikken vindt,
Is t of ge een verzeke begint...
Een verzeke dat veel vergoedt,
Een dichteke, dat dromen doet...
Een liedeken voor Vlaanderen zoet,
Gezelle... m'n Vlaamse Gezelle.

Wanneer te sterven ging de zon,
De schemering heur webbe spon,
Wanneer de smart mij overwon
En ik die smart niet dragen kon;
Dan heb ik vaak me neergezet
Dicht bij dat oud-verkleurd portret...
Daar toeven was een schoon gebed,
Gezelle... m'n heilige Gezelle.

O geef me van uw el gezicht
De ziel die in uw ogen ligt;
De ziel, die lijk een blom naar t licht,
Naar God en Vlaandren stond gericht,
en leer het, zanger, leer het mij
Door levensvreugd en stervenstij
Te dichten simpel zoals gij,
Gezelle, m'n meester Gezelle.




  MIST

Dees dag is lijk een moede man,
Die langs een strate, grijs en stil,
Zijn droefenis niet kroppen kan
Maar toch niet schreien wil.

Over de mulle wegen zweeft
Een waas van onverschilligheid...
Vrouw, die zich zonder liefde geeft
En heengaat zonder spijt.

Daar zoeft wat zonne-lichternis
Door 't miezerige mist-gordijn...
Een ziel, die niet zo triestig is,
Maar toch niet blij kan zijn.

'k Ben bang, dat ik eens zelve word
Gelijk deez overtrokken dag;
Een kind dat nimmer tegenmort,
Maar nooit meer zingen mag.




 VERLANGEN

       

Ik zegen u, verlangen,
Nu diep mijn blik begrijpt
Hoe rozenknop door zonne
tot roze rijpt.

Dat leerde ik uit uw ogen:
Die deden stil-spontaan
Bloesems van jong begeren
Wijd open gaan.

Z hebt ge, zonder woorden,
Aan mij 't geheim verteld
Hoe de ene mensenziele
In de andere smelt.

Want als ik, schoon van liefde,
U lang in de ogen schouw,
Voel ik mezelve worden
van kind tot vrouw.




 M'n kleine goede daad

M'n kleine simpel-goede daad,
Wat hebt ge vaak een winterziel
Met lenteblan begroend,
En vaak een groot verlies vergoed
En menig over-trots gemoed
Stil met zichzelf verzoend.

Ge hebt, o kleine wonderheid,
Zo dikwijls wat gescheiden was
Weer innig saamgehecht,
En menig mond, belust op haat,
En menig streng en stuur gelaat
In milder plooi gelegd.

Mijn kleine simpel-goede daad,
Voor mij die in mijn broos bestaan
Geen grotere dromen mag,
Wees gij voortaan mijn grote taak,
Mijn stille vreugd...mijn enige wraak...
Mijn doel van iedre dag.




 AVONDLIEDEKE I

Des avonds worden mijn gepeinzen
Een hofke van geheimenis...
Waar bloemen naar het westen wijzen,
Waar iedre vogel slapen is.
Des avonds wordt de wereld kleener
En dichter alle ver verlen...
Die eenzaam zijn, worden alleener,
En die beminnen mr bijeen.

Des avonds weegt er op mijn zwijgen
Die schone, menselijke pijn...
De drang een innig woord te krijgen
En zelf voor iemand lief te zijn.




 AVONDLIEDEKE II

Daar ligt erbarmen in de avond,
een goedheid die geen grenzen weet;
Wie 's avonds geeft zijn hert, zijn handen,
Vergeet zo goed zijn eigen leed.

Daar ligt vergiffenis in de avond...,
O gij, die 'k 's morgens heb gehaat,
Ik voel, dat gij ter schemer-ure,
Weer schoon door mijn gedachten gaat.

En liefde ligt er in de avond,
Zoveel, dat ik de wrede man,
Die 't schoonste van mijn droom ontwijdde
Des avonds weer beminnen kan.




 AVONDLIEDEKE III

't Is goed in 't eigen hert te kijken
Nog even vr het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan

Of ik geen ogen heb doen schreien,
Geen weemoed op een wezen lei;
Of ik aan liefdeloze mensen
Een woordeke van liefde zei.

En vind ik in het huis mijns herten,
Dat ik n droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden
Rondom n hoofd, dat eenzaam was...;

Dan voel ik op mijn jonge lippen,
Die goedheid lijk een avondzoen...
't Is goed in 't eigen hert te kijken
En z z'n ogen toe te doen.




 NACHTWAKE

Ik voel mijn ziel een klein gehucht
Van nachtelijke landen:...
In 't simpel huizeke van mijn hart
Staat nog een lamp te branden.

Ik toeve bij heur koopren schijn
Zo tusschen waak en droomen,
Lijk 'n jonge vrouw heur liefste wacht,
Die laat naar huis moet komen.

Nochtans, 'k en wacht geen lieveling,
'k En wete geen beminde,
Die, langs dit land van duisternis,
Naar mij den weg zou vinden.

'k Wou, dat een moede zwerver kwam,
Die dankbaar naar me lachte
En 't huizeke van mijn herte nam,
Om veilig te vernachten.

De alkove staat voor hem bereid,
De wassen keers ontstoken,
Ik heb mijn sober avond-brood
Voor hem in twee gebroken.

En trage komt door mijn gedacht
Een schoon gebed gerezen.
Daar is maar ne rust op aard:
Voor iemand goed te wezen.

Maar alles blijft op 't ver gehucht
Zo stil gelijk te voren...
Ik weet in 't huis van menig hert
Brandt vaak de lamp verloren.




Alice Nahon - Homepage


Bloemlezing van "haar dichtbundels"


Bloemlezing van "Vondelingskens"


Bloemlezing van "Maart-April"


Bloemlezing van "Schaduw"


Alice Nahon - Avondliedekens


Alice Nahon - Vondelingskens


Alice Nahon - Kinderen van de Soetewey


Alice Nahon - Schaduw


Alice Nahon - Maskers


Alice Nahon - Ogieve


Alice Nahon - Biografie


Alice Nahon - Bibliografie


Alice Nahon - Fotogalerie


Alice Nahon - Covers van haar bundels


Dead Poetesses Society


Vlaamse dichters


Nederlandse dichters



Homepage


Pageviews sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 01-02-2004.
Laatste wijziging 25-01-2016.

E-post: webmaster