'Avondliedeke I', 'Avondliedeke II', 'Avondliedeke III' en 'Nachtwake'. |


|
Aan Guido Gezelle
Daar weet geen één de stille troost, Die door m'n kale kamer bloost, ‘t En is geen zonlicht van de Oost, ‘t En is geen lief dat kust en koost... Het is een oude beeltenis Van hem, die schoon van eenvoud is en prachtig droeg z'n droefenis... Gezelle... m'n goede Gezelle! Daar, op uw voorhoofd staat geprint Het lijden van een mensenkind, En wen m'n blik uw blikken vindt, Is ‘t of ge een verzeke begint... Een verzeke dat veel vergoedt, Een dichteke, dat dromen doet... Een liedeken voor Vlaanderen zoet, Gezelle... m'n Vlaamse Gezelle. Wanneer te sterven ging de zon, De schemering heur webbe spon, Wanneer de smart mij overwon En ik die smart niet dragen kon; Dan heb ik vaak me neergezet Dicht bij dat oud-verkleurd portret... Daar toeven was een schoon gebed, Gezelle... m'n heilige Gezelle. O geef me van uw eêl gezicht De ziel die in uw ogen ligt; De ziel, die lijk een blom naar ‘t licht, Naar God en Vlaandren stond gericht, en leer het, zanger, leer het mij Door levensvreugd en stervenstij Te dichten simpel zoals gij, Gezelle, m'n meester Gezelle. MISTDees dag is lijk een moede man,Die langs een strate, grijs en stil, Zijn droefenis niet kroppen kan Maar toch niet schreien wil. Over de mulle wegen zweeft Een waas van onverschilligheid... Vrouw, die zich zonder liefde geeft En heengaat zonder spijt. Daar zoeft wat zonne-lichternis Door 't miezerige mist-gordijn... Een ziel, die niet zo triestig is, Maar toch niet blij kan zijn. 'k Ben bang, dat ik eens zelve word Gelijk deez overtrokken dag; Een kind dat nimmer tegenmort, Maar nooit meer zingen mag. VERLANGEN![]() Ik zegen u, verlangen, Nu diep mijn blik begrijpt Hoe rozenknop door zonne tot roze rijpt. Dat leerde ik uit uw ogen: Die deden stil-spontaan Bloesems van jong begeren Wijd open gaan. Zó hebt ge, zonder woorden, Aan mij 't geheim verteld Hoe de ene mensenziele In de andere smelt. Want als ik, schoon van liefde, U lang in de ogen schouw, Voel ik mezelve worden van kind tot vrouw. M'n kleine goede daadM'n kleine simpel-goede daad, Wat hebt ge vaak een winterziel Met lenteblaän begroend, En vaak een groot verlies vergoed En menig over-trots gemoed Stil met zichzelf verzoend. Ge hebt, o kleine wonderheid, Zo dikwijls wat gescheiden was Weer innig saamgehecht, En menig mond, belust op haat, En menig streng en stuur gelaat In milder plooi gelegd. Mijn kleine simpel-goede daad, Voor mij die in mijn broos bestaan Geen grotere dromen mag, Wees gij voortaan mijn grote taak, Mijn stille vreugd...mijn enige wraak... Mijn doel van iedre dag. AVONDLIEDEKE IDes avonds worden mijn gepeinzen Een hofke van geheimenis... Waar bloemen naar het westen wijzen, Waar iedre vogel slapen is. Des avonds wordt de wereld kleener En dichter alle ver verleën... Die eenzaam zijn, worden alleener, En die beminnen méér bijeen. Des avonds weegt er op mijn zwijgen Die schone, menselijke pijn... De drang een innig woord te krijgen En zelf voor iemand lief te zijn. AVONDLIEDEKE IIDaar ligt erbarmen in de avond,een goedheid die geen grenzen weet; Wie 's avonds geeft zijn hert, zijn handen, Vergeet zo goed zijn eigen leed. Daar ligt vergiffenis in de avond..., O gij, die 'k 's morgens heb gehaat, Ik voel, dat gij ter schemer-ure, Weer schoon door mijn gedachten gaat. En liefde ligt er in de avond, Zoveel, dat ik de wrede man, Die 't schoonste van mijn droom ontwijdde Des avonds weer beminnen kan. AVONDLIEDEKE III't Is goed in 't eigen hert te kijken Nog even vóór het slapen gaan, Of ik van dageraad tot avond Geen enkel hert heb zeer gedaan Of ik geen ogen heb doen schreien, Geen weemoed op een wezen lei; Of ik aan liefdeloze mensen Een woordeke van liefde zei. En vind ik in het huis mijns herten, Dat ik één droefenis genas, Dat ik mijn armen heb gewonden Rondom één hoofd, dat eenzaam was...; Dan voel ik op mijn jonge lippen, Die goedheid lijk een avondzoen... 't Is goed in 't eigen hert te kijken En zó z'n ogen toe te doen. NACHTWAKEIk voel mijn ziel een klein gehuchtVan nachtelijke landen...: In 't simpel huizeke van mijn hart Staat nog een lamp te branden. Ik toeve bij heur koopren schijn Zo tussen waak en dromen, Lijk jonge vrouw heur liefste wacht, Die laat naar huis moet komen. Nochtans, 'k en wacht geen lieveling, 'k En wete geen beminde, Die, langs dit land van duisternis, Naar mij de weg zou vinden. 'k Wou, dat een moede zwerver kwam, Die dankbaar naar me lachte En 't huizeke van mijn herte nam, Om veilig te vernachten. De alkove staat voor hem bereid, De wassen keers ontstoken, Ik heb mijn sober avond-brood Voor hem in twee gebroken. En trage komt door mijn gedacht Een schoon gebed gerezen. Daar is maar éne rust op aard: Voor iemand goed te wezen. Maar alles blijft op 't ver gehucht Zo stil gelijk te voren...; Ik weet in 't huis van menig hert Brandt vaak de lamp verloren. ![]() |

Alice Nahon - Homepage
Bloemlezing van "haar dichtbundels"
Bloemlezing van "Vondelingskens"
Bloemlezing van "Maart-April"
Bloemlezing van "Schaduw"
Alice Nahon - Avondliedekens
Alice Nahon - Vondelingskens
Alice Nahon - Kinderen van de Soetewey
Alice Nahon - Schaduw
Alice Nahon - Maskers
Alice Nahon - Ogieve
Alice Nahon - Biografie
Alice Nahon - Bibliografie
Alice Nahon - Fotogalerie
Alice Nahon - Covers van haar bundels
Dead Poetesses Society
Vlaamse dichters
Nederlandse dichters dichters
Naar Dode-dichterssoos Nederlandse en Vlaamse dichters

Homepage
Poëzieweb-Poetryweb: pageviews since/sinds 21-03-2002:
Statist. Poëzieweb-Poetryweb:
© Gaston D'Haese: 01-02-2004.
Laatste wijziging 26-11-2009.
E-post:
webmaster