Winter Verhangen De koetse Latijn De bedelaar Hitte De doedelzak De speleman Zwaar Einde |

HerfstDe zonne zinkt, de dag vervalt; de boomen worden bloot, en langs de velden sleept de mist den sluier van de dood. 'n Bende kraaien vliegt om mij, en breekt met haar gekras de boezemwonden open, die de zomerlucht genas. De wind verschudt het gele loof; de klaarte ligt versmacht in 't purperblauwe bosch versmelt en duikelt in den nacht. Intusschen voelt de ziel, alleen de pijn van 't leven nog, en buldert haren oorlogskreet: de wereld is bedrog. En dan, gelukkig hij, die met den blaai der menschen spot, de ellende van z'n eigen kent en ruste zoekt bij God. blaai: ijdel gedoe?! blaaimaker: druktemaker ![]() Winter't Is winter en de zonne steekt met moeite, haren kop nog boven de oudste perelaars van onze lochting op. De koude bijt geweldig al de droge lovers af en delft 'n nieuwe brokke van 't verleden weg in 't graf. En zó verlicht, herneemt de mens de koude weg, die leidt vanuit de kinderwiege naar het land der eeuwigheid. 't Verleden, 't zij het kleine weze, kleine weze of groot, veroudert en vergeet in mij en eindigt met de dood. 't Is winter en de doden - ook de doden - slapen zacht, in de ongestoorde stilte van de blauwe sterrennacht. lochting (locht=(open)lucht): 1) hof 2) tuin ![]() Verhangen’s Nuchtens, over winter, hangt een schuwe schooier in de top van een eike, langs een wegel, witgeijzeld, aan een strop. Zijn gerokken lijf, in vodden, wiegelt met een doof gezucht van de takken, lijk de slinger van een uurwerk, door de lucht. Diepe, met de randen voor zijn ogen, zit een vette hoed, en er leken uit zijn neuze- gaten zwarte druppels bloed. Over ’t veld, in wilde snakken, loopt de scherpe wind en vaart, huilend lijk een brakke, door de stoppels van zijn roste baard. Uit de hemel, grauw lijk asse, met een aardig moordgeschreeuw draait een kraaie, rond de eike, nerewaarts, tot in de sneeuw. En ze vlucht, omdat de schooier zijn bebloede tong uitsteekt naar de zon, die lijk een gouden penning, door het oosten breekt. ’s Nuchtens: 's ochtends ![]() De koetse’t Was maneklaar. Een ouderwet- se koetse, ’s avonds late, verwikkelde, in de verte, langs de witgevrozen strate. Den boever zat, tot over de o- ren in zijn winterklakke van ottersvel, en kapte naar zijn peerden met de djakke. Hij horkte, half in slape, naar het schraal gepiep van de assen, en hoorde te allen kante he- se schapershonden bassen. Uit ’t grauwe noorden blies de scher- pe wind, en beet bij snakken de rostgedroogde lovers van de magere eikentakken. Er zat, gewiegeld in de top- pen van een reke tronken, een uil, verdrietig lijk ’n krij- send spinnewiel te ronken. De koetse vloog. Ze dobberde op de knuisten van de bane. De boever geeuwde en keek omho- ge, naar de koopren mane. boever: boerenknecht, knecht, hondenras (bouvier, koehond) djakke: zweep reke: rij tronk: afgeknotte boomstam, geknotte boom knuist: vuist ![]() LatijnDijks was 'n student, die bitter weinig geestvermogens had, maar, benevens sterke vuisten, 'n fameuze maag bezat. Enige onder Dijks gezellen, ook studenten in Latijn, noemden hem, hierover, porcus, of - in 't Vlaemsch gesproken - zwijn. 'k Zou mij wreken, bloedig wreken, hadde ik niet onthouden dat, zeide Dijks gelaten, omnis comparatio claudicat. Dit bewijst, hoe door de kennis van drie woordekens Latijn, de geringste geesten zelve, philosophen kunnen zijn. omnis comparatio claudicat: elke vergelijking gaat mank ![]() De bedelaarVoor de kerke, met ‘n langen paternoster, in z'n hand, is ‘n blinde bedelaar ge- zeten, op ‘n hoopje zand. Z'n gekrulde grijze lokken vlotten, lijk gezwingeld vlas, uit z'n mutse neder, op den krage van z'n winterjas. Langs hem ligt ‘n waterhond te slapen, die van tijd tot tijd, wakker schiet, en met z'n witte tanden naar de vlooien bijt. De oogen van den blinde, in hunne diepe holten, hangen stil en verdoofd, gelijk de glazen van ‘n natbedoomden bril. Halve dagen blijft hij daar ge- zeten lijk ‘n wassen beeld, en hij luistert naar den wind, die met z'n grijze lokken speelt. En de winter, die de koude grimmig uit het oosten zendt, rimpelt ‘t grauwe vel van z'n ver- droogden kop, lijk perkament. Uit "Van te Lande" (1903) ![]() Hitte't Staat in 't uutgestrekte Bloite, 's zomers, reuzeldikte, van gers en groene, verder zelve, of dat ne minsche kiken kan. Diepe, in 't diepste van de ruumte, hangt de julizonne en bit ip de weideground, dat hi er, zuuveruut van opensplit. Noirderwaarts, in 't blouwe van den hemel, is 't verhitte zand van de dunen, bezig met te weemlen lik entwa da' brandt. Tusschen koeien, die daa' luuzig, liggen op de nakte ground, floddert er 'n grouwe bende, dounkergrouwe spreeuwen round. En ik zitte, lik versmoird, in die geruste zee van groen, bachten 'n geborsten wuulge - voi de koelte - niets te doen. Bloite: naam van een bepaald gebied ? luuzig: lui versmoird: versmacht wuulge: wilg Uit "Landelijk leven" (1977) Bloemlezing van Herwig Verleyen ![]() De DoedelzakDoor het dorp, in de achternoene, stapte er traag, op z'n gemak lijk de pelgrims, ‘n bohemer met ‘n leedren doedelzak. Puntig lijk ‘n pullemutse en scheef gestuikt, van zijds z'n kop, stond ‘n vilten hoedje, met ‘n bundel hanepluimen op. Bij den gevel van de kerke bleef hij stille staan, en blies in den dikken doedelzak, die spande, lijk ‘n trommelvlies. Door ‘n mager houten pijpe kroop ‘n schravelig gefluit, dat, van verre, trok op ‘t schrepend kwaken van den hagepuid. Al de menschen, langs de strate, keken aardig naar ‘t gezwel van den uitgepuilden zak, in vuilgepooteld kalvervel. En ‘n bende schuwgeworden koeien liepen, op de vlucht, door ‘n meersch, met hunne steerten, lijk trompetten, in de lucht. schravelig: armtierig schrepend: schrapend; een schurend krassend geluid voortbrengen puid: kikvors meersch (meers): laaggelegen weide of moeras ![]() De speleman's Avonds op de markt en in de zoelte, met 'n volle kan gerstebier, bezijds z'n voeten, zat 'n vreemde speleman. En hij vlocht z'n vlugge vingers door het spannig snarenspel, dat z'n gulden harpe bromde, lijk 'n zwarte kerkebel. Lustig zong hij, en z'n kele zwolg en zwol in 't groen gestraal van de volle mane, lijk de gorgel van 'n nachtegaal. Rond hem, op de lippen van de mensen, speelde 'n blij gelach, en de jongens klepten hun san- dalen mee, op mateslag. 't Lied was ten einde, en z'n harpe trilde stervend uit en zweeg. Dorstig greep hij naar de kan en, smekkend trage, dronk ze leeg. Uit "Het Werk van Omer K. De Laey". Uitgeverij Lannoo, Tielt (1941-1942). ![]() ZwaarVoor een lange voermanswagen, volgeladen met kareel, wordt een hooggebouwde hengst gespannen in zijn sterk gareel. De oude voerknecht trekt geweldig met de toom en schreeuwt het uit. 't Kloeke beest spant al zijn spieren, zet zijn poten achteruit; en het snokt uit al zijn kracht en witte schuim komt op zijn mond, maar de wagen roert niet, blijft lijk vastgenageld aan de grond. De oude knecht, vol razernije, grijpt de djakke en met getier van een duivel, slaat hij rond de buik van 't machtig dier. 't Peerd schudt waaiend met zijn manen trekt en snuift en grinnikt, wringt met zijn poten dat een vuurvonk uit de harde stenen springt. En dan rolt de wagen, raatlend lijk de donder, deur de straat, wijl de ruwe knecht gedurig vloekend met de djakke slaat. kareel: vierkantig gebakken steen ![]() EindeVóór de slachterij gebonden, met 'n scheve achterpoot staat een houtemager voermans- peerd te wachten naar de dood. In z'n tandeloze muile zit 'n koorde, voor gebijt, die tot diep in 't rode vlees van z'n gekwetste lippen snijdt. Nevens z'n verwarde manen hangt 'n puilend kliergezwel, en 'n leger zwarte vliegen bijten door z'n schurftig vel. Hoge langs de blauwe hemel, vaart de zomerzon, en brandt, dat de loden hitte wemelt boven 't gloeiend stratezand. De oude beeste lijdt geduldig. Uit het slachtkot springt 'n knecht en slaat z'n klinkend mes in heure borst, tot aan de hecht. Lijk 'n korenschelf, die kantelt, valt het peerd ineen, en wroet, met z'n lange tonge, stervend, in 'n plas van zand en bloed. Uit "Omer Karel de Laey - Landelijk leven". Vlaamse Pockets (1977). ![]()
![]() |

