Omer Karel De Laey

Herfst


Winter


Verhangen


De koetse


Latijn


De bedelaar


Hitte


De doedelzak


De speleman


Zwaar


Einde



Herfst


De zonne zinkt, de dag vervalt; 
de boomen worden bloot, 
en langs de velden sleept de mist 
den sluier van de dood. 

'n Bende kraaien vliegt om mij, 
en breekt met haar gekras 
de boezemwonden open, die 
de zomerlucht genas. 

De wind verschudt het gele loof; 
de klaarte ligt versmacht 
in 't purperblauwe bosch versmelt 
en duikelt in den nacht. 

Intusschen voelt de ziel, alleen 
de pijn van 't leven nog, 
en buldert haren oorlogskreet: 
de wereld is bedrog. 

En dan, gelukkig hij, die met 
den blaai der menschen spot, 
de ellende van z'n eigen kent 
en ruste zoekt bij God.


blaai: ijdel gedoe?!
blaaimaker: druktemaker




Winter

 
't Is winter en de zonne steekt
met moeite, haren kop
nog boven de oudste perelaars
van onze lochting op.

De koude bijt geweldig al
de droge lovers af
en delft 'n nieuwe brokke van
't verleden weg in 't graf.

En z verlicht, herneemt de mens
de koude weg, die leidt
vanuit de kinderwiege naar
het land der eeuwigheid.

't Verleden, 't zij het kleine weze,
kleine weze of groot,
veroudert en vergeet in mij
en eindigt met de dood.

't Is winter en de doden - ook
de doden - slapen zacht,
in de ongestoorde stilte van
de blauwe sterrennacht.


lochting (locht=(open)lucht): 1) hof  2) tuin



Verhangen


s Nuchtens, over winter, hangt een
schuwe schooier in de top
van een eike, langs een wegel,
witgeijzeld, aan een strop.

Zijn gerokken lijf, in vodden,
wiegelt met een doof gezucht
van de takken, lijk de slinger
van een uurwerk, door de lucht. 

Diepe, met de randen voor zijn
ogen, zit een vette hoed,
en er leken uit zijn neuze-
gaten zwarte druppels bloed.

Over t veld, in wilde snakken,
loopt de scherpe wind en vaart,
huilend lijk een brakke, door de
stoppels van zijn roste baard.

Uit de hemel, grauw lijk asse,
met een aardig moordgeschreeuw
draait een kraaie, rond de eike,
nerewaarts, tot in de sneeuw.

En ze vlucht, omdat de schooier
zijn bebloede tong uitsteekt
naar de zon, die lijk een gouden
penning, door het oosten breekt.


s Nuchtens: 's ochtends



De koetse


t Was maneklaar. Een ouderwetse 
koetse, s avonds late, 
verwikkelde, in de verte,
langs de witgevrozen strate. 

Den boever zat, tot over de oren 
in zijn winterklakke 
van ottersvel, en kapte naar 
zijn peerden met de djakke. 

Hij horkte, half in slape, naar 
het schraal gepiep van de assen, 
en hoorde te allen kante 
hese schapershonden bassen. 

Uit t grauwe noorden blies 
de scherpe wind, en beet bij snakken 
de rostgedroogde lovers 
van de magere eikentakken.  

Er zat, gewiegeld in de toppen 
van een reke tronken, 
een uil, verdrietig lijk 
n krijsend spinnewiel te ronken.   

De koetse vloog. Ze dobberde 
op de knuisten van de bane. 
De boever geeuwde en keek omhoge, 
naar de koopren mane.


boever: boerenknecht, knecht, hondenras
   (bouvier, koehond)
djakke: zweep
reke: rij
tronk: afgeknotte boomstam, geknotte boom
knuist: vuist




Latijn


Dijks was 'n student, die bitter
weinig geestvermogens had,
maar, benevens sterke vuisten,
'n fameuze maag bezat.

Enige onder Dijks gezellen,
ook studenten in Latijn,
noemden hem, hierover, porcus,
of - in 't Vlaemsch gesproken - zwijn.

'k Zou mij wreken, bloedig wreken,
hadde ik niet onthouden dat,
zeide Dijks gelaten, omnis
comparatio claudicat.

Dit bewijst, hoe door de kennis
van drie woordekens Latijn,
de geringste geesten zelve,
philosophen kunnen zijn.


omnis comparatio claudicat: elke vergelijking
   gaat mank




De bedelaar


Voor de kerke, met n langen
paternoster, in z'n hand,
is n blinde bedelaar ge-
zeten, op n hoopje zand.

Z'n gekrulde grijze lokken
vlotten, lijk gezwingeld vlas,
uit z'n mutse neder, op den
krage van z'n winterjas.

Langs hem ligt n waterhond te
slapen, die van tijd tot tijd,
wakker schiet, en met z'n witte
tanden naar de vlooien bijt.

De oogen van den blinde, in hunne
diepe holten, hangen stil
en verdoofd, gelijk de glazen
van n natbedoomden bril.

Halve dagen blijft hij daar ge-
zeten lijk n wassen beeld,
en hij luistert naar den wind, die
met z'n grijze lokken speelt.

En de winter, die de koude
grimmig uit het oosten zendt,
rimpelt t grauwe vel van z'n ver-
droogden kop, lijk perkament.


Uit "Van te Lande" (1903)



Hitte


't Staat in 't uutgestrekte Bloite, 
's zomers, reuzeldikte, van 
gers en groene, verder zelve, of 
dat ne minsche kiken kan. 

Diepe, in 't diepste van de ruumte, 
hangt de julizonne en bit 
ip de weideground, dat hi er, 
zuuveruut van opensplit. 

Noirderwaarts, in 't blouwe van den 
hemel, is 't verhitte zand 
van de dunen, bezig met te 
weemlen lik entwa da' brandt. 

Tusschen koeien, die daa' luuzig, 
liggen op de nakte ground, 
floddert er 'n grouwe bende, 
dounkergrouwe spreeuwen round. 

En ik zitte, lik versmoird, in 
die geruste zee van groen, 
bachten 'n geborsten wuulge 
- voi de koelte - niets te doen.


Bloite: naam van een bepaald gebied ? Kouter ?
Kouter is afgeleid van het Latijnse cultura
en betekent bewerkt land. In Vlaanderen
en Brabant is kouter de naam van de akkers.
luuzig: lui
versmoird: versmacht
wuulge: wilg
Uit "Landelijk leven" (1977)
Bloemlezing van Herwig Verleyen




De Doedelzak


Door het dorp, in de achternoene,
stapte er traag, op z'n gemak
lijk de pelgrims, n bohemer
met n leedren doedelzak.

Puntig lijk n pullemutse en
scheef gestuikt, van zijds z'n kop,
stond n vilten hoedje, met n
bundel hanepluimen op.

Bij den gevel van de kerke
bleef hij stille staan, en blies
in den dikken doedelzak, die
spande, lijk n trommelvlies.

Door n mager houten pijpe
kroop n schravelig gefluit,
dat, van verre, trok op t schrepend
kwaken van den hagepuid.

Al de menschen, langs de strate,
keken aardig naar t gezwel
van den uitgepuilden zak, in
vuilgepooteld kalvervel.

En n bende schuwgeworden
koeien liepen, op de vlucht,
door n meersch, met hunne steerten,
lijk trompetten, in de lucht.


schravelig: armtierig
schrepend: schrapend; een schurend krassend geluid
   voortbrengen
puid: kikvors
meersch (meers): laaggelegen weide of moeras




De speleman


's Avonds op de markt en in de
zoelte, met 'n volle kan
gerstebier, bezijds z'n voeten,
zat 'n vreemde speleman.

En hij vlocht z'n vlugge vingers
door het spannig snarenspel,
dat z'n gulden harpe bromde,
lijk 'n zwarte kerkebel.

Lustig zong hij, en z'n kele
zwolg en zwol in 't groen gestraal
van de volle mane, lijk de 
gorgel van 'n nachtegaal.

Rond hem, op de lippen van de 
mensen, speelde 'n blij gelach,
en de jongens klepten hun san-
dalen mee, op mateslag.

't Lied was ten einde, en z'n harpe
trilde stervend uit en zweeg.
Dorstig greep hij naar de kan en,
smekkend trage, dronk ze leeg.


Uit "Het Werk van Omer K. De Laey".
Uitgeverij Lannoo, Tielt (1941-1942).




Zwaar


Voor een lange voermanswagen,
  volgeladen met kareel,
  wordt een hooggebouwde hengst gespannen
  in zijn sterk gareel.
 
De oude voerknecht trekt geweldig
  met de toom en schreeuwt het uit.
  't Kloeke beest spant al zijn spieren,
  zet zijn poten achteruit;
 
en het snokt uit al zijn kracht en
  witte schuim komt op zijn mond,
  maar de wagen roert niet, blijft lijk
  vastgenageld aan de grond.
 
De oude knecht, vol razernije,
  grijpt de djakke en met getier
  van een duivel, slaat hij rond de
  buik van 't machtig dier.
 
't Peerd schudt waaiend met zijn manen
  trekt en snuift en grinnikt, wringt
  met zijn poten dat een vuurvonk
  uit de harde stenen springt.
 
En dan rolt de wagen, raatlend
  lijk de donder, deur de straat,
  wijl de ruwe knecht gedurig
  vloekend met de djakke slaat.


kareel: vierkantig gebakken steen



Einde


Vr de slachterij gebonden,
met 'n scheve achterpoot
staat een houtemager voermans-
peerd te wachten naar de dood.

In z'n tandeloze muile
zit 'n koorde, voor gebijt,
die tot diep in 't rode vlees van
z'n gekwetste lippen snijdt.

Nevens z'n verwarde manen
hangt 'n puilend kliergezwel,
en 'n leger zwarte vliegen
bijten door z'n schurftig vel.

Hoge langs de blauwe hemel,
vaart de zomerzon, en brandt,
dat de loden hitte wemelt
boven 't gloeiend stratezand.

De oude beeste lijdt geduldig.
Uit het slachtkot springt 'n knecht
en slaat z'n klinkend mes in
heure borst, tot aan de hecht.

Lijk 'n korenschelf, die kantelt,
valt het peerd ineen, en wroet,
met z'n lange tonge, stervend,
in 'n plas van zand en bloed.


Uit "Omer Karel de Laey - Landelijk leven".
Vlaamse Pockets (1977).



Bibliografie:

- Ook verzen (1902, pozie) - Van te lande (1903, pozie) - Flandria illustrata (1905, pozie) - Falco (1905, toneel) - Bespiegelingen (1907, pozie) - Hardenburg (1907, toneel) Na zijn dood uitgegeven: - Het werk van Omer K. De Laey (deel I, 1911) - Het werk van Omer K. De Laey (deel II, 1912) - Dierensprookjes (1912, met herdrukken in 1923 en 1937) - Het werk van Omer K. De Laey (1942-1943), licht gewijzigde heruitgave - Keurbladzijden (1947), ingeleid en samengesteld door L. Carelsen - Landelijk leven (1977), bloemlezing, verzameld en ingeleid door Herwig Verleyen

Omer Karel de Laey  (1876-1909)

separator


Naar boven!


Guido Gezelle - Gedichten


Vlaamse dichters


Nederlandse dichters


Naar Dode-dichterssoos



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

 © Gaston D'Haese: 23-12-2011.
Laatste wijziging: 06-01-2016.


E-mail: webmaster