
BloemlezingDinska BronskaDe telefoon-paal De doods-gedachte Doods-gebed De muziek Biografie |
Dinska BronskaUit een oud dorp- kameelbruin als de steppe - uit Plocka, kwam Dinska Bronska. Haar hoofddoek was pruisisch-blauw en heur haar vlas-geel; ook waren haar ogen blauw als fjord-water. Zij rook naar knoflook en spar, zij droeg laarzen en ging zeer zwaar en gauw. In het hotel 'Lapland' zat zij bij een tafel aan het straat-raam: zij schreef 'n brief. Een haarlok viel laag op haar rode kaak en zij stak haar tong uit, want zij schreef moeilijk die brief en daaronder 'Dinska Bronska', haar naam. Ze stak ook de penstok in haar mond en zocht met haar ogen langs het plafond. Op het papier waren 'n inktvlek en groot gestrompel van letters: zij kocht het voor vijf centiem in de kruidenierszaak over het hotel. Er was 'n beetje inkt aan haar kaak. ![]() O Dinska Bronska gij vertrekt naar Canada: de verroeste stoomboot wacht langs de kaai. Gij laast op een almanach der 'Red Star Line' dat Canada groter appels, o, hoger en geler koren heeft dan Plocka. Het moet in Canada veel beter zijn! O Dinska Bronska, met uw zeer dikke vingers: gij schrijft zo moeilijk die brief. Uw ogen zoeken vliegen op het plafond. 'Moj Boze!' Er zit 'n tranen-veeg, o zo verdrietig, van uw blauwe ogen naar uw mond. O, Dinska Bronska! ![]()
De telefoon-paal![]() Langs het eenzaam spoor de telefoon-paal. Hij gonst. Er is geen ander geluid langs het eindeloos spoor. Een wolk drijft hoog over hem en is onverschillig. Het landschap 'gaat zijn gang'... Toch gonst de telefoon-paal dag en nacht, onder de hemel. Het is een verlaten pijn, een onophoudelijke klacht... Als wij hem horen: ons hart breekt, in zelfpijn verloren. We weten dat over de ganse wereld de telefoon-paal klaagt, alsof ons eigen smart aan zijn draden knaagt. ![]()
De doods-gedachteDe doods-gedachte is een bitter kruiddat in elks leven wast en in de afzondering wordt geplukt. De mens steekt het in een knoopsgat van zijn jas. Of hij rechtop gaat of zijn hoofd bukt steeds stijgt de wrange geur en hangt altijd in de aandachtige neus. Als hij één ogenblik zijn gelaat betast dan voelt hij het doodshoofd achter zijn vlees en wordt die schrik een last. Wat baat de bloei van een thee-roos bij de geur van dit bitter kruid? Elk andere bloem is broos en bladert uit. Alleen de doods-gedachte bloeit onsterfelijk in het knoopsgat van een zwarte jas en op het wit satijn der bruid. ![]()
Doods-gebedHeer, als ik sterfop een december-dag, in het ziek laken dat ruikt, en mijn gezicht: geel als een raap, mijn baard verwoest door het zweet, terwijl mijn hand vol angst in het kussen pluikt, Heer, houd dan voor mij, arm schaap, houd uw barmhartigheid gereed. Want gedurig was ik lui en dom, onkuis hoovaardig en zot, ik was gulzig aan bier- en wijnpot en mijn tanden bruin van de pijp. Heer, als ik sterf en mijn voeten zijn koud als glas, de kaars druipt op mijn hand en de dokter zegt: "‘t Is gedaan," als bij de kamer-wand de priester bidt: "Heer, laat hem gaan", dat ik dan bidde: "Heer, neem mij in ontferming aan." ![]()
De muziekToen de vraag-krullen der cellos tragerbewogen en het hoofd van de violist afstierf - laag en lager - op het gevoelig lichaam der viool, toen kwam er rust, - en in dat zwijgend ogenblik waart Gij, o God, noch vrede, noch geluk, maar verrukkelijke pijn, verschrikkelijke lust. ![]() |
Biografie
Karel Van den Oever werd geboren te Antwerpen (19 november 1879), maar had Friese roots. ![]() |

