VALAVOND
Nu is van Kalifornies goud de tijd;
De sterrevende zon vergaart
Haar krachten voor een verre vaart,
De laatste van die dag, ter aardewaart.
Daar heeft de zon een laatste maal
Haar stervensweeë gouden praal
Verzameld in een glazen tremportaal.
13 mei 1915
Uit "Diverse Verzen"
VERS
Ik heb in m'n hart 'n zonderlinge wezen
Dat een bizarre tango danst; herrezen,-
Ik weet niet hoe, zo vaag
is alles, - uit 'n aloude sarcofaag.
Terwijl het danst, hoor ik het zingen
Met bonte blijdschap over weemoedszwangre dingen.
Uit "Diverse Verzen"
AVOND
Ach, m'n ziel is louter klanken
In dit uur van louter kleuren;
Klanken, die omhoge ranken
In een dolle tuin van geuren.
Mei 1914
Uit "Diverse Verzen"
EEN LIED
Een vrouw die, een heideheuvel afdalend, kleine, paarse
heidebloemen strooit over het hoofd van de welbeminde
en lacht, zó zijt gij tot mij gekomen
zomerlik reëel, sterke
ziel van buiten, geworden tot mijn ziel;
kracht, die weer buitenwaarts gaat.
7 juli 1916
Uit "Ik en de Stad"
ZOMERREGENLIED
Regen, reiniging buiten mij,
reiniging van de straten, alle dezelfde,
minnaars die lang gewacht hebben naar dit overvloedig zoenen,
maar nu hun lichaam golven, bevrijd van dit zomerzwaar verlangen,
in de lange omhelzing van de knallende zoenen
Wit gewassen wegen,
straten na de omhelzing, in vreugde en berusting neergelegen,
bomen der boulevards, herauten van de levende zege,
klare klaroenen, roes van herlevend leven,
rein van reiniging.
Mensen die zich spoeden om de reine regen te ontvluchten
en toch zelfs binnen de koffiehuizen, deel
zijn van dit groots geheel
der reiniging.
Een handelsreiziger die ras
een koffiehuis binnen gevlucht was, voelt nu pas
de frisse damp, die stijgt uit zijn regenjas,
hem doordringen.
Als een poedel die uit het water rijst,
voorzichtig het riet ter zijde schuift,
rond zich een waaier van waterkorrels wuift,
duikt de trem op. Het snikkende sienjaal viert feest,
als onder zijn hijgen, zó betuigt het blije blaffen van het beest.
Rustig zware adem, ligt het land, onder de omarming.
een grijs kleed van een koningsdochter, zo is de slierende smoor,
maar de gordijn van de verre regen verbergt niets.
Damp van het land, lied van de aarde,
levend als geboren gaat de klaarte
uit de gulden gorgel van de leeuwerik. Land dat zich strelen laat
door de lange, slappe vingers van de geliefde.
Ritmus van de fijne regen,
stappen van een pygmeeën-leger, dat draaft naar zege;
stortregen, marsj van het heir der schone nederlagen,
opflakkerend leven. Losbrekend patos,
geweldig, overstelpend; moederzoenen voor het éne kind.
Dorpen omstrengeld in het begeren van de wind,
vergeten neergesmeten na het genot;
losse, zachtgestreelde korenhaardos
van de beminde. Eeuwig land, nooit genoeg bemind
en nooit genoeg genomen, voel hoe de wind uw lijf rein maakt van verlangen.
Vreedzaam-voldane volmaaktheid van de slagzoenen,
regenomhelzing,
rustig neergeleide berusting
onder het jonge, bange branden van de zon.
Regen: reiniging.
Wit gewassen straten, klaterende tremsporen,
witte wegen, lijnen van het spelend licht,
onbevlekt herboren.
Licht dat de koffiehuizen en de winkels binnenspoelt:
verwachte Heiland.
Over het land ging de regen, de godsgezant:
Johannes die de zielen zuiver zingen zou.
Zó regen: opperste reiniging in mij.
Als klederen pas gekomen uit een nieuw-wasserij
zie ik de mensen gaan over de straat; want geen doel
heeft de regen dan dit: de wereld voor te bereiden,
te reinigen voor de zonnekomst.
Ik die weet, -- heilig weten van Gods genade, --
stap levend blij door regen, door de straten
en langs de huizen, die zich baden laten
als ik in het heilige bad der reiniging.
Grootse wandeling: bewuste, uiterlike ritmus
der stille handeling van het innerlike denken.
Ritmus van mijn Ik, opgelost in het alomvattende ritmus van de elementen.
Wandeling, rit door regen,
regen, zelf rit door der getijden zegen.
Lust van te gaan en de regensruppels sterven te voelen
in het koele van mijn regenjas.
Nieuwe werkelikheid: zachte regen die mij omvat;
stortvlaag, die mij opneemt, verder draagt in zich;
frisheid van mijn handen en van mijn gelaat;
onwerkelike werkelikheid, zó onverwacht,
maar zelf wachtend op wat zij voorbereidt. Loutering.
Want zoals de waters van de regen wegspoelen,
na de reiniging, hun taak volbracht,
zo lopen de straten, slechts met het éne doel,
op en naar een groot plein,
dat onbewust van wat voorbij is,
en blank reeds, onbewust ook van zijn huidige schoonheid,
te midden zongeplas
te rusten lig.
Zware adem. Rust. Bevrediging.
Ik sta midden van het plein,
zó als het plein te midden van der straten kruising ademt,
en ben dit alles nu. Rust.
Denken dat zich een ogenblik vergenoegt te zijn
de gedachteloosheid van 't enige genieten.
Over zó'n strijd onthutst, ligt de zon enkel te kijken
te midden van het verslagen leger der wolken.
1-15 september 1917
Uit Het Sienjaal
VINCENT VAN GOGH
I.
Profeet van Paturâges en zuiderzonminnaar,
maar meer dan dit: diepbewogen dichter
die de zware dingen van buiten licht schiep,
herschiep als de kompleet blauwe lucht, --
herder die het onvruchtbare gebeuren
van buiten, naar het grote centrum dreef, de oasis, de keure
van frisheid... In ons zelve hebben wij de Jordaan;
allen die nog Godsvreemd en belâan
met de erfzonde zijn, --
de dubbele machteloosheid van het naar buiten kijken
en de loutering, dit is de permanente zege in ons:
patos en tragiek,
dit het innerlike, daarom het heilige 'veni, vidi, vici', --
al die machteloze vreemdelingen van buiten,
al de gebeurtenissen
zullen wij godskinderen verfrissen
door het heiligmakende water van onze Jordaan.
Kunst is de alles overstelpende liefde
en de alomvattende.
Als de zoon van tobias die ter genezing van zijn vader
uittoog naar een ver land, en daar de vis
haalde met de kieuwen uit het water:
de ogen van zijn vader het licht schonk.
Kunst is de liefde in elke daad.
Kwintessens. En het volledige liefde zijn.
En dit is liefde als Vincent deed:
de talenten die hij kreeg, tot de waanzin, tot het leed
dat vreugde wordt, levend maken.
Niet het zijn of niet te zijn is de levensopgaaf,
maar het misterie van het zijn vult alles.
Het eigen zijn. Dat over alles te leggen.
Wordt eigen zijn van de omgeving.
Alles te vervormen, te martelen, te doden
tot schoonheid.
Je zelf dood rekenen voor de wet, om de wet van je zelf te verbreden.
Abstraksie van je zelf, want deze kosmiese liefde vult gans je zelf:
Bron van den aardbal.
Vincent. Zo is hij.
Hij is niets en hij is alles.
Als de priester: meester en dienaar.
En de wijn die eenvoudig perelt in de kelk
is plots onder de adem van liefde, bloed geworden.
Levende drank.
II
Meer dan uw werk. Dit is het grote,
het oneindige. Het venster
op de ganse wereld.
Ook alles wat in de verte schijnt
strekt zich daarbinnen deinend uit.
Een venster is alles.
De ganse wereld ligt binnen éeeen venster.
Men zal dan van uw werk houden,
wanneer het beurtelings met de geslachten
bloem, steen of eik zal geweest zijn.
Heel jong, -- nauwliks had ik je herkend, -- heb ik gevraagd:
'Vader, die kiezel is zo schoon,
hoor je zijn schoonheid onder de trage tred van mijn laarzen?
Maar zie deze ronde schijf in de zon.'
Door wouden gaan. Pijnboomnaalden vallen
als vingers van de bomen.
Vingers zijn verlangen van lange, lome
lust. In de boomgaard hangen kersen,
aan lange, stramme takken,
vruchten die zich saampersen
als kinderlippen. Niet tastbare gloed
waarin zij bloeden als een zinnelike boetedoening.
'Maar alle schoonheid, mijn zoon, is in de brand
van je ogen. Ogen zijn steeds blauw als de zeestrandrand.
III
Leed als de golven van de oceaan
die baren witte blaân
van bloesems. Leed als van blaren aan
de bomen. Bomen die kruinen worden,
kruinen: der bergen wit gehelmde horden.
Het arme leed wanneer het wordt ontzaggelik
in het dragen aller leed,
wordt scheppend leven weer.
Wie al de noodbaren in zich stort,
tot een fontein van helder water wordt hij weer.
Wie leed als landen torst
draagt in zijn flank de vruchtbarheid
van honderdduizend zielen.
IV
DE STEM VAN VINCENT
Laat ons de blaren
van alle leed vergaren.
De aarde, ook vermoeid,
heeft nooit dode
blaren gedragen.
De aarde wondt
om, in de driedagestond,
te laten herrijzen
onder de loodzware kus van de liefde.
En is die kus weerom licht leed,
leed, dat alles is, -- Ik ben Die is, --
o, laat deze zoen niet verloren gaan
want elke zoen is gloên van goed.
Nooit wassen dode vruchten
aan de bomen.
De pijnen snikken eeuwig
en laten hun lange tranen als vingers vallen.
Weet dit, mijn zoon: wanneer alle leed leven wordt,
houdt op het leven leed te zijn.
V
Kristus, Verlosser. Het Kruis
vergaarde al het leed.
Toen wierp hij weg het huis
van zijn leed.
Drie dagen en de schildwacht schrok.
De kunst is groot.
Een kruis van leed...
dan valt het huis
maar alles blijft.
En telkens woont
't woord onder ons
dat ons beloont, --
nieuw.
De weg van de Verlosser,
de weg van het leed:
een hoogvlakte van geluk.
27-30 oktober 1917
Uit Het Sienjaal
DE APPEL
Toen mijn ogen de ronde vrucht hadden bekeken
en toen zij hadden begrepen de appel zó-als hij werkelik aanwezig was,
toen zeide mij die vrucht: er is iets in de vaak verlaten boomgaard
van wat voorbij is, dat nu eerst als goddelik schoon te begrijpen is,
omdat geen herleven aan deze herinnering nog verbonden is.
Maar sterker omlijnde zich het beeld,
toen ik de appel in mijn handen voelde,
want zij herinnerden zich ook éénzelfde frisse koelte,
en verder: dit moet wel zijn heugenis van geluk.
Doch eerst toen mijn tanden de ronde wonde
in de appel hadden gevonden,
heeft zich het beeld
tot handeling bezield.
O de geurende boomgaard en de rust van de beesten,
de morgenmist die wijkt langs alle zijden
en twee dreumesen, die even te huiveren staan.
Maar dan de rit door de natte weide, naar de appelboom,
waar van de rijke vracht, een vrucht viel, loom,
ter aarde. Dan het strelen van de appel
in de kelk van de twee kleine dreumeshanden
en dan in de vrucht de tanden,
en in de mond overvloed van het nazomerse geluk.
Zenuwleed van de tanden, maar vergeten in een nieuw bezit van de vrucht;
verbreding van de wonde.
Diepbezielde boomgaard,
alle liefde tot een bom saamgebalde passionante,
alvorens de zwarte dood
zijn schroeven zet op de keel van het leven:
bleker wordt de uiterste blankheid van al wat is.
Jubellied van rijpheid. Liefde van de Aarde
om 't onbewust naar-liefde-grijpen van de kinderen;
kinderen zullen u liefhebben wanneer zij zullen vergaard hebben
de appels van vele jaren.
Wanneer zij dan een nieuwe vrucht zullen strelen,
zullen zij dit ogenblik met zoveel liefde bedelen,
als zij vroeger zelf bedeeld werden door de appel, want
de liefde is een grote mond die zoenen wil.
En de hap in de appel zal hun mond maken als de mond van het kind,
huiverend door de frisheid van de vrucht
en sterk nu om de vroegere kou, in de niet vergeten najaarswind.
10 oktober 1917
Uit Het Sienjaal
WIEGELIEDJE VOOR DE GELIEFDE
Dat trage zich toevouwen je oogleden,
te dragen het loom fluweel van onze nacht.
Onze dag is geweest als bange blanke vazen, die waren blij
de bloemen van ons liefdespel te scharen rei aan rei.
Nu zal je slapem, mijn teergeliefde kind,
want morgen moet je de ogen openen: 'n zeer fris blad dat beeft in morgenwind.
Nu zal je slapen, mijn zachte kind, in de kuil van je haren;
straks is het dag, dan moeten wij weer tuilen lezen gaan
Morgen zal er uit het Oosten 'n koning komen, met nieuwe bruidskleren voor ons beiden;
hem zullen wij, arm in arm, als kinderen in het woud, verbeiden.
Knijp nu je ogen dicht, mijn luie luipaard
en strek je heupen naar je lust. Ach du... du.
29 april 1918
Uit Het Sienjaal
LIED VOOR MEZELF
Mijn Heer, mijn schip is op de zee.
Ik vraag U niet: laat kalm zijn de baren nu;
wie klaagt, draagt hij niet met zich mee
bestendig een poel die eens zich sluiten zal over zijn hoofd?
Mijn schip zal niet liggen blijven aan de ree,
te luisteren naar het spelemeien van der tijen eb' en vloed,
niet onder morose zegenrege', noch onder zonnevree,
mijn schip moet in de storm mee op zee.
Ik heb betrouwen in mijn boot, doch de baren slaan zo hoog,
reeds over de voorsteven, reeds over de achtersteven.
Als weer de zee vol vrede en rust is, zal dan het wrak van mijn boot
niet mededrijven naar de ree?
Ik ben een koen kind dat niets weet van de kloof
die ligt tussen dood en leven.
Kan een boot, mijn Heer, vergaan
die niets draagt dan het licht gewicht van mijne blauwe ziel?
En zo mijn boot nochtans vergaat, mijn Heer,
kan ik dan zondigen nog?
Neen... neen... Al de stemmen zingen mij: Ga mee op zee,
met de baren van Kristus, met de baren van de Loreley.
18 mei 1918
Uit Het Sienjaal
VERLANGEN
Meenge mooie meid heeft door de domme, lange nacht,
naar het naakte bijzijn van de minnaar smartelik getracht,
zij heeft in de grote leegte van haar wit bed, de peluw gekust,
als wilde ze zijn matte hoofd in rust gesust.
Haar hoofd was ongerust te midden van de wilde haregeur,
haar armen grepen, bang begeren, om 't onzekere genot
dat zich niet bieden wou, als een wrang gebod
aan haar verlangen, door de nacht, - 'n weerstandloze deur. -
Haar vingren koesterden de naaktheid van het eigen lijf en rilden;
het eigen lijf dat onvoldaan bleef en vermoeid, onder het geheim
van deze koestering; de nacht, als één levende adem, trilde.
Haar adem ging opgelost in de nachtelike adem,
haar verlangen tot de eindelike slaap gesmacht.
Meenge mooie meid door de zware, zwoele nacht.
6 juni 1916
Uit Ik en de Stad
MEISJE
Wanneer zal dan die heimelike pijn,
die niemand weet of weten zal, ten einde zijn?,
Wanneer zal ik me moeten verbergen, zeer timied,
en schuchter doen, omdat een man mijn naaktheid ziet?
En wanneer zullen beter sterkre handen
m'n schouders omvatten en mijn lijf strelen,
als ik, 's avonds, van verlangen moe,
alvorens slapen gaan, wel doe.
(Dan ben ik naakt en mijn naaktheid wiegel
ik vóór de zacht-belichte spiegel, --
de elektriese lamp is gehuld in een zijde-bloedrode bloem.)
Ik wacht en voel 't immense van mijn leed,
wijl ik slechts vaag weet mijn leven inkompleet.
26 mei 1916
Uit "Ik en de Stad"
NIEUWE LIEFDE
Daar gaat mijn nieuwe liefde waar noordwaarts der stad
de straten saamlopen op dokken, stroom, kanalen en stapelhuizen
en zich weer in eindeloze dokken splitsen en verbreden, 't land in.
Alles is nieuw nu, door deze zomer; de onbekende straten
dragen namen van rivieren en van landen, ook van steden;
alles is zó tastbaar wezenlik, spijts het vaag suggestieve van die namerij.
Rijpt nu zang om het geluk dat lacht uit de stapelhuizen,
speelt over de blinkende rails van de spoorweg,
de ijzeren bruggen en de elevators. Mijn nieuw geluk brandt.
O als de zon zinkt, zet een laatste maal de stalen wil in rood
en blakert op de rode, kubies-gestapelde bakstenen!
O het verlangen van die rode stenen te breken uit de rode huls,
te spatten hun leven, gelijk een zot geweld, tot aan de zon,
die hun leven schonk, in gek begeren van het laaiend lijf.
De laatste omarming van de minnaars voor de dagelikse dood.
Ik omhels het geluk dat me verlost uit het tingeltangelleven
en uit de paar half-schuine etablissementen, -- een paar danseressen,
een danser-diseur, een klein, arm orkest en een familjaire waardin,--
waar mijn leven te zieltogen lag.
De zon brandt, de zon breekt, de zon barst.
Overal is geluk; in deze rode trem die voorbij snort
de brug af, geluk dat zich weerspiegelt in de ogen van mijn welbeminde.
En 's avonds zegepraalt het geluk in de hoog-ijl-gele globes,
boven de spoorweg en aan het station; het geluk klingelt
uit een danszaal en verovert de ganse straat.
Het geluk is tussen de lippen van dit kind en de gepletterde kers,
gelijk het is tussen de kerselippen van mijn lief
en van uw lief, o jonge man die ginds gaat, o broeder, mijn gelijke.
Het geluk is een dwaze maagd die zich laat zoenen
door elke, sterke, jonge man.
Juli 1916
Uit Ik en de Stad
KOFFIEHUIS
Razend. Gedwarrel van stemmen, tot één geraas vergroeid.
Hoge klarinetklanken. Saxofoon-geluiden en wat rest
daar tussen: geweldig koperen orkest.
De buffetjuffrouw dromend. Heimwee of verlangen?
Alles is hier een open raadsel. De oplossing echter vindt geen.
Zacht autoritair de waard. Symbool van toekomst en verleen.
En 't eeuwig spel van spelers schijn en wezen,
vast het gelaat, niet te doorlezen;
behoedzaam defensief , maar de sterkte van hen die niet vrezen.
Solidariteit der spel-geruchten,
van de tragies-ernstige domino's, fatum-zwart
tot der biljartballen rood-wit luchtig vluchten.
Geblaseerde rasta's; daarnaast huiselike dikbuiken,-
alles weerom schijn, - dames die eeuwig goedig toeluiken:
allen Babelbouwers van dezelfde gebazel-innigheid.
Gebannen is de innigheid uit de straat,
achtervolgde faun, binnen de koffiehuizen gedreven.
De zwakke muren zijn de sterke dam tussen dood en leven.
Bij 't even openen der deur, klinkt wat daarbuiten is, de trem,
of 't geroep van een venter, als een onheimelike stem:
heel even. Dan herneemt 't orkest zijn razende galop.
14 - 21 januari 1917
Uit Ik en de Stad
ELSE LASKER-SCHÜLER
Dauwkorrels vingen mijn handen als ogen
en mij zoende de klare ziel.
Witte straten, massal leger dat naar de rustplaats,
-o, Ik centrum van de wereld, - marsjeert.
Woorden zijn wegvallende gordijnen:
o ontwaken van de schone prinses en het zwemmen
van haar ogen in het onvatbare water.
Uw verzen zijn als sterren die de onmetelikheid van de hemel beduiden.
Blauw: papier van de magiërster: mijn onschuld.
De wereld is boordevol goedheid,
doch een nieuwe drup doet de kelk niet overvloeien.
Dat is het stille goede wonder. Het diepe wonder van de werkelikheid.
Uit Ik en de Stad
GOLGOTHA
Indien de waarheid daar is,
waar mijn broeder ze mij toonde,
wijlen mijn broeder Pieter-Floris; --
(hij was student in de teologie
aan een rooms-katoliek seminarie)--
indien het Godszoon is die ging ter Golgotha
en zijn goddelike droefenis
was de menselike bevrijdenis,
dan is het vlaamse volk Gods uitverkoren
volk, omdat het ging als de goddelike vrucht uit Davids' huis geboren
zijn steile Golgotha, gekruisigd
werd en in de dood behuizigd.
Maar God was in zijn zoon de goddelikheid
van de herrijzenis;
zó zal ook God zijn in onze strijd
tot de bevrijdenis.
Juni 1916
Uit Het Sienjaal
ZAAITIJD
Bij het geval Dr. Paul van der Meulen
Uit Limburg! Land van mijn moeder; land gevallen uit 'n Sint-Niklaasdroom!
Langs de oostelike oever van zijn stroom
lopen de hollandse dorpen en kasteeltorentjes topwaarts
en begroeten hun vlaamse broertjes van d'overzij.
Wonder dat langs d'ene zij, geen herder met een schalmei
zijn kudde verlustigt, en hij zelfs zijn spelewijs volgt
in de glooiing van de heuvels.
Maar de dorpen langs de overzijde liggen nog te rusten.
Eens zal er nochtans van al die daltorentjes klinken
meer dan het pastoralen van een schalmei.
Eens zullen zij beter begroeten dan met een zwak goededag.
Broer, sta op, klep de metten,
want er waait een wijde wind van opstanding!
Uw woord, zoon uit het land van mijn moeder,
heeft langs d'oorlogsstroom van ons moegemarteld land
heugenis gevonden in het hart van elke broeder.
Het woord is vlees geworden, nu van het oosten naar het westen.
Limburg was Nazareth
en de IJzerstreek het bloedige Bethleëm, waar de vrucht geboren werd.
Priester als mijn broer.
Geen priester met het ijle woord en de lege gebaren,
maar wiens woorden niet golven de baren
van troost in de woning van de zielsgebalde smart;
niet als zij die mondig prevelen het goede woord
maar hartsonmondig zijn.
Ik weet, ik weet, gij hebt als hij, mijn broer,
geluisterd naar het woord: Werp weg de schijn,
en volg mij dan.
Zo deedt gij en hebt uw meester gevolgd
van loopgraaf tot loopgraaf.
Daar valt het zaad op de goede grond, ongeschonden en gaaf,
en wast de boom.
Op de weg naar Damaskus
heeft ons beider beschermheilige, de kerkvader Paulus,
de stem van zijn meester vernomen, een noodkreet,
die om liefde riep: Paulus, breek het leed! breek het leed!
Langs de bloedweg Damaskus van ons geslacht
toont hij de weg, en het licht langs die heirbaan
is zo overstelpend, dat wij niet anders kunnen
dan de staf nemen en gaan.
En gaan. In de Maas-vallei klinkt luider een klok.
7 juli 1916
Uit Het Sienjaal
|