Iphone and smartphone optimized content

Piet Paaltjens - Aan Rika
Piet Paaltjens

Aan Rika

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die de trein
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg om mij,
Het eindloos levenspad met fletse lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom hebt gij van dat blonde haar,
Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zo voorbijgesneld,
En niet, als 'n weerlicht, 't rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder hels geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?

Aan Betsy

Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos In hartverovrend achtelooze houding lag Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch Langzaam doordwaalden. 't Was een vreeslijk heete dag. Gij hieldt mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog Van 't lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok Door 't dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok. Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk, wat Voor smaak wel 't lot had, dat het aan een veldflesch schonk, Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had. O, ware 't noodlot niet alleen behept met koud Verstand maar ook met warm gevoel, - uw poezle hand Had plots de flesch, zoodra ze leeg was, door het woud Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand. Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust, Dat de inhoud nog al koppig was, - 't was witte port, - En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust. - Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort.

Aan Jacoba

In uw groote bruine blikken Schuilt een wondre toovermacht. Nu eens troosten zij mij zacht; Dan weer doen ze mij verschrikken. Praat ik rustig met u over Iets van algemeen gewicht, Vriendlijk straalt dan uw gezicht, Als de maan door lenteloover. Maar nauw waag ik het te kikken Van mijn hard poëtenlot, Of meedoogelooze spot Vuurspuwt uit uw donkre blikken. Is het dan zoo iets bespotlijks, Steeds te plassen in een zee Van het onverklaarbaarst wee? Is dat niet iets gruwzaam-godlijks? Hoe? Reeds fonklen weer uw blikken? Enge, och, genade! Ik zweer: 'k Spreek nooit van mijn lijden weer! Stom hoop ik mij dood te snikken.

Uit 'Tijgerlelies' (1851-1853)

Piet Paaltjens was het pseudoniem van de Nederlandse dichter
en predikant François Haverschmidt
(Leeuwarden, 14 februari 1835 – Schiedam, 19 januari 1894).
Zijn bekendste bundel is 'Snikken en grimlachjes' uit 1867.
Het overlijden van zijn echtgenote in 1891 was één van
de aanleidingen om zelfmoord te plegen door verhanging.



Nederlandse dichters


Vlaamse dichters


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002
© Gaston D'Haese: 08-08-2013.
Laatste wijziging: 07-01-2016.

E-post: webmaster