SONNETTENKlinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten,Gij, kindren van de rustige gedachte! De ware vrijheid luistert naar de wetten: Hij stelt de wet, die úwe wetten achtte: Naar eigen hand de vrije taal te zetten, Is eedle kunst, geen grens, die haar ontkrachtte; Beperking moet vernuft en vinding wetten; Tot heerschen is, wie zich beheerscht, bij machte: De geest, in enge grenzen ingetogen, Schijnt krachtig als de popel op te schieten, En de aard, te boren en den blauwen hoogen: Een zee van liefde in droppen uit te gieten, Zacht, éen voor éen - ziedaar mijn heerlijk pogen... Sonnetten, klinkt! U dichten was genieten. HARMONIEDe maan blinkt door den zwarten bouwval henenEn laat haar zilver glijden langs de duin, Door de Ourthe omkabbeld en gekroond met puin: Getrotste grootheid in bemoste steenen. Hoe smelt het bruine licht in 't lichte bruin! ... Hoe ruischt de stroom! Het woud, in nacht verdwenen, Schijnt aan den nachtegaal het oor te leenen, En nijgt eerbiedig looverdos en kruin. En gij, Mathilde! uw lied rijst naar den hoogen ... De ziele der natuur in u gevaren, Uit zich door u in deze zalige uur! In elke star meen ik uw blik te ontwaren, En duizend starren tintlen in uw oogen ... Ik min Natuur in u, ú in Natuur! — Uit: 'Gedichten', Amsterdam (1901) AAN MATHILDEWanneer de moeder van het licht weer licht,En voor heur goud den zwarten mist doet wijken, Dan laat ze ' er stralen langs de bloemen strijken, En dankbaar doet elk bloemeke zijn plicht. Zoodra de bloem de lieve zon ziet prijken, Dan wolkt ze wierook op in wolken dicht, En geurenmoeder wordt het moederlicht... Ik moet, Mathilde, u aan de zon gelijken! Gij zijt de moeder van deez' liederkrans: Gij hebt dien met uw zonneblik geschapen In 't zwarte hart; zoo 't glanst, 't is door úw glans. Met uwe bloemen krans ik u de slapen, Uw eigen schepping leg ik om uw hoofd; Zoo zij uw naam voor eeuwiglijk geloofd! -
Hij ontmoette Mathilde Thomas in Laroche en werd verliefd op haar. op weergaloze wijze voorgedaan. ERATO *De purpren avond was in 't west verdwenenEn glanzend zilver droomde op donkere aarde, Toen is de blonde Muze mij verschenen... Mijn ziel werd vuur 'toen haar mijn oog ontwaarde. Geknield strekte ik mijn armen naar haar henen, - 'k Omhelsde louter lucht - ik viel aan 't weenen: Haar blik was eindloos-teêr, toen ze op mij staarde, - 'k Gevoelde een kus op 't voorhoofd, - ze openbaarde: "Een hooge liefde zal uw hart doordringen: Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden, Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen, En peinzend zult gij 't wederzien verbeiden, En naar een vrouw gedachte en smachten leiden, En mijmrend leven van herinneringen." - *Erato: Muze van het minnedicht; herdersdicht EERSTE AANBLIKEn peinzend zie 'k uw zeeblauwe ogen pralenwaarin de zachtheid kwijnt, de liefde droomt, en weet niet wat mij door mijne âren stroomt: ik zie naar u en kan niet ademhalen. Een gouden waterval van zonnestralen heeft nooit een schoner aangezicht bezoomd . . . 't Is of me een engel heeft verwellekoomd, die met een paradijs op aard kwam dalen. 'k Gevoel mij machtig tot u aangedreven en buiten mij. 'k Was dood, ik ben herrezen en voel mij tussen zijn en niet-zijn zweven. Wat hebt gij, toveres, mij goed belezen! Aan u en aan uwe ogen hangt mijn leven: een diepe rust vervult geheel mijn wezen. BEKENTENISDe bron van warmte en licht was zacht gezonkenOp 't ver gebergte en tintte d'avondstond, In iedre vezel waarde weelde rond, Die met de koele dauw werd ingedronken: Wij doolden om: haar starende ogen blonken, Een blijde glimlach glinsterde om haar mond, 't Was, of me aan haar geheel een leven bond... Zij oogde naar de kim van purpervonken: Mathilde! ik heb u lief... Zo waar die kammen Te morgen weer in purper zullen vlammen, Wordt gij bemind. Gij zijt zo godlijk-schoon!... Zij deed als een, die iets op 't hart voelt branden - Toen sloot zij mij de lippen met de handen, En... bloosde de avondzon heur bleke koon? DIE LACHZooals wanneer opeens de zonneschijnDoor 't zwart der breede wolken heen komt breken, En schittert in de tranen, die er leken Van blad en bloem, als vloeiend kristallijn, Zóó, dat het weenen lachen schijnt te zijn: Zoo is, wat mij ontstemt, opeens geweken, Mathilde! ontsluit úw mond zich om te spreken, En doolt een glimlach om uw lippen, fijn: - Doch van den lach is glimlach dageraad, En klinkt uw lach, hoe drinken hem mijne ooren! De vreugde vaart door pols en vezel rond. - En met geloken oog zie 'k uw gelaat, Zoo zonnig: 'k meen uw zilvren lach te hooren, Wanneer ik roerloos wacht op de' uchtendstond... OCHTENDBEDEDe Nacht week in het woud; en bij haar vluchten,Heeft ze op struweel en bloem een dauwkristal Geweend, dat glinstert in de zon; en zuchten Luwt ze uit het woud langs berg en beemd en dal. En daar op ’t smalle pad in hooger luchten, Ontwaar ik haar, die wuift, mijn ziel, mijn al: Doch uit mijn hart rijst naar die hooger luchten De klacht: ,,hoe klein, hoe klein is mijn heelal!” Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud, En ’s hemels blauw is ’t blauw dier droomende oogen, Haar boezem is de berg en ’t golvend woud; O, zomer, zonneschijn en hemelbogen, Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt, Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen! KUPRIS IN 'T WOUD *Het woud, geworteld in de dorre blâren,Spreidt lommer met zijn loovers over 't mos, En zijner bronzen armen tempeltrots Wijdt honderd esmeralden zode-altaren: Om steen en stronken waaiert zich de varen, Zefier kust geuren uit de rozen los, En door het heilig, hemel-schragend bosch Schijnt wellust-ademend een god te waren: 't Is Kupris, wie de mirt en roze kransen, Wie maneschijn van leest en boezem licht, Wier lokkend oog in 't hart verlangen lacht, - En zeven duiven zwermen in heur glanzen, - De zode zwelt, waar zij heur schrede richt... Wee mij! ik zie Mathilde in Kupris' pracht!... * 'Kupris' is de bijnaam van Afrodite, de godin van de liefde en de vruchtbaarheid DE PURPREN AVONDDe purpren avond was in 't west verdwenenEn glanzend zilver droomde op donkere aarde, Toen is de blonde Muze mij verschenen ... Mijn ziel werd vuur, toen haar mijn oog ontwaarde. Geknield strekte ik mijn armen naar haar henen, 'k Omhelsde louter lucht - ik viel aan 't weenen: Haar blik was eindloos-teêr, toen ze op mij staarde, 'k Gevoelde een kus op 't voorhoofd, - ze openbaarde: 'Een hooge liefde zal uw hart doordringen: Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden, Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen, En peinzend zult gij 't wederzien verbeiden, En naar een vrouw gedachte en smachten leiden, En mijmrend leven van herinneringen.' DE BURCHT IN PUIN *De purpren scheemring houdt den burcht omvangen,- De glimvlieg glanst in 't mos der muur en blauwt, - En met een gloed van liefde op rozewangen, Schenkt zij den scheidenskus aan 't puin, dat grauwt. - De krekel sjirpt van weelderig verlangen, En de echo van het puin, die 't antwoord bauwt, Noodt den geliefde met die schrille zangen, Die aanzweeft op een wiek van rossig goud: En waar, voor eeuwen, ridderzangen klonken, Staart nú de star der liefde 't zwijgen aan, En droevig zendt ze uit schemerblauw heur lonken: En weemoed fluistert zacht door de espenblaên ... De zwerver treurt, in mijmerij verzonken, Dat het verleden is voorbijgegaan ... *De burcht in La Roche?!? NACHT't Is zomer-nacht. De glinsterende stoetenDer starren wijken róndom, eindloos-diep; - 't Was, of de stilte plechtig tot mij riep: 'Bid! op de starren rusten Godes voeten!'.... Ik weet, ik weet niet, wie de wereld schiep, Of ze is geschapen, of we aanbidden moeten, Wat wij als Leven, Ziel of God begroeten, - Of eeuwig slapen zal, wat eeuwig sliep! Daar tjuikt de nachtegaal zijn teder lied, Tevreden, dat hij 't klagend lied mag zingen, Waarom hij zingt, dat weet de zanger niet; Wat rusten kan, voelt zich de rust doordringen, Ook ik. Ik weet niet, wat ik denken moet, Doch voel het: wie tevreden is, is goed. KALLIOPE *En driewerf kruiste ik de armen, driewerf druktelk niets, en niet de blonde Muze er in, En tot mij sprak de stralende godin, Toen zij ten kus zich naar mijn voorhoofd bukte: "Ik zond de vrouw tot u, die u verrukte... Ik zeide u 't aan: gij mindet met een min, Zóo vol aanbidding, zóo vol vromen zin, Dat ze u aan al, wat haar niet was, ontrukte. Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar! Ge aanzaagt... ge aanbadt - u trok, wat is verheven: U daagde een schoonheids-ideaal in haar. Toen zaagt ge weêr, naar wat ge aanbadt, gedreven: Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar; 't Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!" * Kalliope is de muze van het epos en de elegie DEINÈ THEOS *Met weekblauwe ogen zag de oneindigheidDes hemels naar den donzen rozenglans, Waar Zij in daagde: een breed-gewiekte krans Van zielen had zich onder haar gereid. Een geur van zomer-bloesems begeleidt Den zang der zonnen - duiven - die heur trans Doorglóren in eerbied'gen rondedans Om Haar, wier glimlach sferen groept en scheidt; 'Schoonheid, o, Gij, Wier naam geheiligd zij, Uw wil geschiede; kóme Uw heerschappij; Naast U aanbidde de aard' geen andren god ! Wie eenmaal U aanschouwt, leefde genoeg: Zo hem de dood in dezen stond versloeg.... Wat nood? Hij heeft genoten 't hoogst genot!' * Deinè Theos: Geduchte Godin LIEFDEHet vurig hart des jonglings, haast nog kind,Gevoelt een rijke en ongekende weelde Wanneer hij zachtheid, liefde, schoonheid vindt, Zoals die nooit het jong gemoed nog streelde. Hij ziet de jonkvrouw, de met schoon bedeelde... En die geen zege wil, zij overwint. Hij mint het Schone... en liefde is ingebeelde, Als hij de 'liefde' van de vrouw bemint. - Mathilde! ik vond de liefde in elke vrouw, Ik heb van 't schone in allen haast gevonden, En velen liefgehad te goeder trouw, Maar die geliefden, allen saamverbonden, Bezitten niet, wat ik in ú aanschouw, Die meer bekoort, dan zij tezamen konden. ![]() |
Idylle met Mathilde![]() Als jonge twintiger maakte Jacques Perk enkele reizen naar de Ardennen (o.a. met zijn ouders en later ook met Willem Kloos). In juli 1879 logeerde de jonge dichter in het Hotel des Ardennes. Hij sloot zich aan bij een groep natuurvrienden, die de omgeving van La Roche verkenden. Ook het twintigjarige nichtje van de natuurgids, Mathilde Thomas, maakte deel uit van het internationaal gezelschap. Jacques Perk werd smoorverliefd op de frivole blondine en probeerde haar te veroveren. Hij viste uiteindelijk achter het net, want Mathilde was al verloofd. Voor het sjansende meisje was het niet meer dan een oppervlakkig avontuurtje, want volgens haar neef vond zij Perk 'ennuyeux, blondasse, fadasse et collant'. De idylle van Jacques Perk en de mooie Walin duurde slechts enkele weken. Toch inspireerden deze hopeloze liefde en de prachtige natuur in de omgeving van La Roche de dweperige dichter tot het schrijven van honderden sonnetten. Ik ben geboren uit zonnegloren En een zucht van de ziedende zee, Die omhoog is gestegen, op wieken van regen, Gezwollen van wanhoop en wee: Mijn gewaad is doorweven met parels, die beven, Als dauw aan de roos, die ontlook, Wen de dagbruid zich baadt en voor 't schuchter gelaat Een waaier van vlammen ontplook. Met tranen in 't oog uit de diepte omhoog, Buig ik ten kus naar beneden: Mijn lichtende haren befloersen de baren En mijn tranen lachen tevreden: Want diep in zee, splijt de bedding in twee Als mijn kus de golven doet gloren... En de aarde is gekloofd en het lokkige hoofd Van Zefier doemt lachend naar voren. Hij lacht... en zijn zucht jaagt, mij arme, in de lucht, En een boog van tintlende kleuren Is mijn spoor, als ik wijk naar het droomerig rijk, Waar ik eenzaam om Zefier kan treuren. Hij mint me als ik hem..., maar zijn lach, zijn stem, Zijn kus... is een zucht: wij zwerven Omhoog, omlaag; wij willen gestaâg, Maar wij kunnen nòch kussen, nòch sterven. - De sterveling ziet mijn aanschijn niet, Als ik uitschrei, hoog boven de wolken, En de regenvlagen met ritselend klagen Mijn onsterflijken weedom vertolken. Dan drenkt mijn smart het dorstende hart Van de bloem, die smacht naar mijn leed, En met dankenden blik naar mij opziet, als ik Van weedom het weenen vergeet. En dán verschijn ik door 't nevelgordijn, Dat mijn Zefier verscheurt, als hij vliegt - Somber gekromd... tot de zonneschijn komt En op 't rag mijner wieken zich wiegt. Dan zegt op aarde, wie mij ontwaarde: "De goudene Iris lacht!" ... En stil oversprei ik de vale vallei Met een gloed van zonnig smaragd. - Mijn handen rusten op de uiterste kusten Der aarde, als, in roerloos peinzen, - Eén bonte gedachte - ik mijn liefde verwachte... Die mij achter de zon zal doen deinzen. 'k Zie 's nachts door mijn armen de sterren zwermen En het donzige wolkengewemel, En de maan, die mij haat en zich koestert en baadt In den zilveren lach van den hemel. - Mijn pauwepronk... is de dos, dien mij schonk De zon, om den sterfling te sparen, Wien mijn lichtlooze blik zou bleken van schrik En mijn droeve gestalte vervaren. Nu omspan ik den trans met mijne armen van glans, Tot mij lokt Zefier's wapprend gewaad, Der lonkende zon mij verlaat. - Ik ben geboren uit zonnegloren En een vochtige zucht van de zee, Die omhoog is gestegen, op wieken van regen, Gezwollen van 't wereldsche wee. - Mij is gemeenzaam, wie even eenzaam Het leven verlangende slijt, En die in tranen zijn vreugde zag tanen... Doch liefelijk lacht, als hij lijdt! ![]()
Het was zijn derde en laatste vlam -Joanna Blancke- die hem inspireerde tot 'Iris'. ![]() |

