Jacques Perk
Sonnetten (bloemlezing)


Idylle met Mathilde

Jacques Perk
Iris (gedicht)


Jacques Perk
Nagelaten gedichten


Jacques Perk
Serenade aan Mathilde


Sonnet van Mathilde Thomas
(met hertaling van Jacques Perk)

Jacques Perk

SONNETTEN

Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten,
Gij, kindren van de rustige gedachte!
De ware vrijheid luistert naar de wetten:
Hij stelt de wet, die we wetten achtte:

Naar eigen hand de vrije taal te zetten,
Is eedle kunst, geen grens, die haar ontkrachtte;
Beperking moet vernuft en vinding wetten;
Tot heerschen is, wie zich beheerscht, bij machte:

De geest, in enge grenzen ingetogen,
Schijnt krachtig als de popel op te schieten,
En de aard, te boren en den blauwen hoogen:

Een zee van liefde in droppen uit te gieten,
Zacht, en voor en - ziedaar mijn heerlijk pogen...
Sonnetten, klinkt! U dichten was genieten.

HARMONIE

De maan blinkt door den zwarten bouwval henen
En laat haar zilver glijden langs de duin,
Door de Ourthe omkabbeld en gekroond met puin:
Getrotste grootheid in bemoste steenen.

Hoe smelt het bruine licht in 't lichte bruin! ...
Hoe ruischt de stroom! Het woud, in nacht verdwenen,
Schijnt aan den nachtegaal het oor te leenen,
En nijgt eerbiedig looverdos en kruin.

En gij, Mathilde! uw lied rijst naar den hoogen ...
De ziele der natuur in u gevaren,
Uit zich door u in deze zalige uur!

In elke star meen ik uw blik te ontwaren,
En duizend starren tintlen in uw oogen ...
Ik min Natuur in u, in Natuur!

Uit: 'Gedichten', Amsterdam (1901)

AAN MATHILDE

Wanneer de moeder van het licht weer licht,
En voor heur goud den zwarten mist doet wijken,
Dan laat ze ' er stralen langs de bloemen strijken,
En dankbaar doet elk bloemeke zijn plicht.

Zoodra de bloem de lieve zon ziet prijken,
Dan wolkt ze wierook op in wolken dicht,
En geurenmoeder wordt het moederlicht...
Ik moet, Mathilde, u aan de zon gelijken!

Gij zijt de moeder van deez' liederkrans:
Gij hebt dien met uw zonneblik geschapen
In 't zwarte hart; zoo 't glanst, 't is door w glans.

Met uwe bloemen krans ik u de slapen,
Uw eigen schepping leg ik om uw hoofd;
Zoo zij uw naam voor eeuwiglijk geloofd! -

Hij ontmoette Mathilde Thomas in Laroche en werd verliefd
op haar. Jammer genoeg was zij verloofd met een graaf.
Perk idealiseert deze onbereikbare geliefde in zijn
gedichtenbundel 'Mathilde'.

Dante  (met Beatrice) en Petrarca  (met Laura) hadden
hem dit al op weergaloze wijze voorgedaan.


ERATO *

De purpren avond was in 't west verdwenen
En glanzend zilver droomde op donkere aarde,
Toen is de blonde Muze mij verschenen...
Mijn ziel werd vuur 'toen haar mijn oog ontwaarde.

Geknield strekte ik mijn armen naar haar henen, -
'k Omhelsde louter lucht - ik viel aan 't weenen:
Haar blik was eindloos-ter, toen ze op mij staarde, -
'k Gevoelde een kus op 't voorhoofd, - ze openbaarde:

"Een hooge liefde zal uw hart doordringen:
Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,
Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,

En peinzend zult gij 't wederzien verbeiden,
En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,
En mijmrend leven van herinneringen." -

*Erato: Muze van het minnedicht; herdersdicht

EERSTE AANBLIK

En peinzend zie 'k uw zeeblauwe ogen pralen
waarin de zachtheid kwijnt, de liefde droomt,
en weet niet wat mij door mijne ren stroomt:
ik zie naar u en kan niet ademhalen.

Een gouden waterval van zonnestralen
heeft nooit een schoner aangezicht bezoomd . . .
't Is of me een engel heeft verwellekoomd,
die met een paradijs op aard kwam dalen.

'k Gevoel mij machtig tot u aangedreven
en buiten mij. 'k Was dood, ik ben herrezen
en voel mij tussen zijn en niet-zijn zweven.

Wat hebt gij, toveres, mij goed belezen!
Aan u en aan uwe ogen hangt mijn leven:
een diepe rust vervult geheel mijn wezen.

BEKENTENIS

De bron van warmte en licht was zacht gezonken
Op 't ver gebergte en tintte d'avondstond,
In iedre vezel waarde weelde rond,
Die met de koele dauw werd ingedronken:

Wij doolden om: haar starende ogen blonken,
Een blijde glimlach glinsterde om haar mond,
't Was, of me aan haar geheel een leven bond...
Zij oogde naar de kim van purpervonken:

Mathilde! ik heb u lief... Zo waar die kammen
Te morgen weer in purper zullen vlammen,
Wordt gij bemind. Gij zijt zo godlijk-schoon!...

Zij deed als een, die iets op 't hart voelt branden -
Toen sloot zij mij de lippen met de handen,
En... bloosde de avondzon heur bleke koon?

DIE LACH

Zooals wanneer opeens de zonneschijn
Door 't zwart der breede wolken heen komt breken,
En schittert in de tranen, die er leken
Van blad en bloem, als vloeiend kristallijn,

Z, dat het weenen lachen schijnt te zijn:
Zoo is, wat mij ontstemt, opeens geweken,
Mathilde! ontsluit w mond zich om te spreken,
En doolt een glimlach om uw lippen, fijn: -

Doch van den lach is glimlach dageraad,
En klinkt uw lach, hoe drinken hem mijne ooren!
De vreugde vaart door pols en vezel rond. -

En met geloken oog zie 'k uw gelaat,
Zoo zonnig: 'k meen uw zilvren lach te hooren,
Wanneer ik roerloos wacht op de' uchtendstond...

OCHTENDBEDE

De Nacht week in het woud; en bij haar vluchten,
Heeft ze op struweel en bloem een dauwkristal
Geweend, dat glinstert in de zon; en zuchten
Luwt ze uit het woud langs berg en beemd en dal.

En daar op t smalle pad in hooger luchten,
Ontwaar ik haar, die wuift, mijn ziel, mijn al:
Doch uit mijn hart rijst naar die hooger luchten
De klacht: ,,hoe klein, hoe klein is mijn heelal!

Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud,
En s hemels blauw is t blauw dier droomende oogen,
Haar boezem is de berg en t golvend woud;

O, zomer, zonneschijn en hemelbogen,
Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt,
Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!

KUPRIS IN 'T WOUD *

Het woud, geworteld in de dorre blren,
Spreidt lommer met zijn loovers over 't mos,
En zijner bronzen armen tempeltrots
Wijdt honderd esmeralden zode-altaren:

Om steen en stronken waaiert zich de varen,
Zefier kust geuren uit de rozen los,
En door het heilig, hemel-schragend bosch
Schijnt wellust-ademend een god te waren:

't Is Kupris, wie de mirt en roze kransen,
Wie maneschijn van leest en boezem licht,
Wier lokkend oog in 't hart verlangen lacht, -

En zeven duiven zwermen in heur glanzen, -
De zode zwelt, waar zij heur schrede richt...
Wee mij! ik zie Mathilde in Kupris' pracht!...

* 'Kupris' is de bijnaam van Afrodite, de godin
van de liefde en de vruchtbaarheid


DE PURPREN AVOND

De purpren avond was in 't west verdwenen
En glanzend zilver droomde op donkere aarde,
Toen is de blonde Muze mij verschenen ...
Mijn ziel werd vuur, toen haar mijn oog ontwaarde.

Geknield strekte ik mijn armen naar haar henen,
'k Omhelsde louter lucht - ik viel aan 't weenen:
Haar blik was eindloos-ter, toen ze op mij staarde,
'k Gevoelde een kus op 't voorhoofd, - ze openbaarde:

'Een hooge liefde zal uw hart doordringen:
Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,
Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,

En peinzend zult gij 't wederzien verbeiden,
En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,
En mijmrend leven van herinneringen.'

DE BURCHT IN PUIN *

De purpren scheemring houdt den burcht omvangen,
- De glimvlieg glanst in 't mos der muur en blauwt, -
En met een gloed van liefde op rozewangen,
Schenkt zij den scheidenskus aan 't puin, dat grauwt. -

De krekel sjirpt van weelderig verlangen,
En de echo van het puin, die 't antwoord bauwt,
Noodt den geliefde met die schrille zangen,
Die aanzweeft op een wiek van rossig goud:

En waar, voor eeuwen, ridderzangen klonken,
Staart n de star der liefde 't zwijgen aan,
En droevig zendt ze uit schemerblauw heur lonken:

En weemoed fluistert zacht door de espenblan ...
De zwerver treurt, in mijmerij verzonken,
Dat het verleden is voorbijgegaan ...

*De burcht in La Roche?!?

NACHT

't Is zomer-nacht. De glinsterende stoeten
Der starren wijken rndom, eindloos-diep; -
't Was, of de stilte plechtig tot mij riep:
'Bid! op de starren rusten Godes voeten!'....

Ik weet, ik weet niet, wie de wereld schiep,
Of ze is geschapen, of we aanbidden moeten,
Wat wij als Leven, Ziel of God begroeten, -
Of eeuwig slapen zal, wat eeuwig sliep!

Daar tjuikt de nachtegaal zijn teder lied,
Tevreden, dat hij 't klagend lied mag zingen,
Waarom hij zingt, dat weet de zanger niet;

Wat rusten kan, voelt zich de rust doordringen,
Ook ik. Ik weet niet, wat ik denken moet,
Doch voel het: wie tevreden is, is goed.

KALLIOPE *

En driewerf kruiste ik de armen, driewerf drukte
lk niets, en niet de blonde Muze er in,
En tot mij sprak de stralende godin,
Toen zij ten kus zich naar mijn voorhoofd bukte:

"Ik zond de vrouw tot u, die u verrukte...
Ik zeide u 't aan: gij mindet met een min,
Zo vol aanbidding, zo vol vromen zin,
Dat ze u aan al, wat haar niet was, ontrukte.

Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!
Ge aanzaagt... ge aanbadt - u trok, wat is verheven:
U daagde een schoonheids-ideaal in haar.

Toen zaagt ge wer, naar wat ge aanbadt, gedreven:
Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;
't Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!"

* Kalliope is de muze van het epos en de elegie

DEIN THEOS *

Met weekblauwe ogen zag de oneindigheid
Des hemels naar den donzen rozenglans,
Waar Zij in daagde: een breed-gewiekte krans
Van zielen had zich onder haar gereid.

Een geur van zomer-bloesems begeleidt
Den zang der zonnen - duiven - die heur trans
Doorglren in eerbied'gen rondedans
Om Haar, wier glimlach sferen groept en scheidt;

'Schoonheid, o, Gij, Wier naam geheiligd zij,
Uw wil geschiede; kme Uw heerschappij;
Naast U aanbidde de aard' geen andren god !

Wie eenmaal U aanschouwt, leefde genoeg:
Zo hem de dood in dezen stond versloeg....
Wat nood? Hij heeft genoten 't hoogst genot!'

* Dein Theos: Geduchte Godin

LIEFDE

Het vurig hart des jonglings, haast nog kind,
Gevoelt een rijke en ongekende weelde
Wanneer hij zachtheid, liefde, schoonheid vindt,
Zoals die nooit het jong gemoed nog streelde.

Hij ziet de jonkvrouw, de met schoon bedeelde...
En die geen zege wil, zij overwint.
Hij mint het Schone... en liefde is ingebeelde,
Als hij de 'liefde' van de vrouw bemint. -

Mathilde! ik vond de liefde in elke vrouw,
Ik heb van 't schone in allen haast gevonden,
En velen liefgehad te goeder trouw,

Maar die geliefden, allen saamverbonden,
Bezitten niet, wat ik in aanschouw,
Die meer bekoort, dan zij tezamen konden.

Idylle met Mathilde

Gedichten van Jacques Perk

Als jonge twintiger maakte Jacques Perk enkele reizen naar de Ardennen. 
Eerst met zijn ouders en later ook met Willem Kloos. Met deze laatste 
had hij een woelige homoseksuele relatie. De veeleisende Kloos maakte 
zich echter zo onmogelijk, dat hij niet werd toegelaten bij zijn doodzieke 
(ex)vriend. Hij heeft dus geen afscheid kunnen nemen van Jacques Perk. 
Na diens dood nam hij wel de taak op zich om de literaire nalatenschap 
vanPerk te publiceren. Tot aan zijn eigen dood bleef Kloos een vurige 
pleitbezorger van de pozie van de jonggestorven dichter.
Op een andere Ardennenreis (in juli 1879) verbleef Jacques Perk in het Hotel des Ardennes. Hij sloot zich aan bij een groep natuurvrienden, die de omgeving van La Roche verkenden. Ook het twintigjarige nichtje van de natuurgids, Mathilde Thomas, maakte deel uit van het internationaal gezelschap. De jonge dichter werd smoorverliefd op de frivole blondine en probeerde haar te veroveren. Hij viste uiteindelijk achter het net, want Mathilde was al verloofd. Voor het sjansende meisje was het niet meer dan een oppervlakkig avontuurtje, want volgens haar neef vond zij Perk 'ennuyeux, blondasse, fadasse et collant'. De idylle van Jacques Perk en de mooie Walin duurde slechts enkele weken. Toch inspireerden deze hopeloze liefde en de prachtige natuur in de omgeving van La Roche de dweperige dichter tot het schrijven van honderden sonnetten.
Gaston D'Haese De burcht in La Roche-en-Ardenne

Van Jacques Perk werden gn gedichten gepubliceerd tijdens zijn kortstondige leven. Een jaar na zijn dood verscheen zijn eerste dichtbundel. De inleiding van Willem Kloos bij de postuum uitgegeven 'Gedichten' (1882) van Jacques Perk wordt beschouwd als het manifest van 'De tachtigers'. Kenmerkend is de volgende versregel uit een sonnet van Perk:

Schoonheid, o gij, wier naam geheiligd zij.
Hij gaf het sonnet een nieuw elan. Het individualisme overwint in zijn pozie. Met Perk begon dan ook de opgang van 'De Tachtigers', die de 'domineespozie' bestreden. Zijn bundel Mathilde en zijn gedicht Iris gaven een nieuwe impuls aan de Nederlandse pozie. Het werk van Perk werd benvloed door de Duitse (o.a.Goethe, Heine) en de Engelse romantiek. Van Perks laatste gedicht, Iris, zijn maar liefst zeven staten bewaard gebleven. De eerste versie, een beduimeld handschrift met verbeteringen, wordt hieronder afgebeeld.

IRIS

Perk
Ik ben geboren uit zonnegloren
En een zucht van de ziedende zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van wanhoop en wee:
Mijn gewaad is doorweven met parels, die beven,
Als dauw aan de roos, die ontlook,
Wen de dagbruid zich baadt en voor 't schuchter gelaat
Een waaier van vlammen ontplook.

Met tranen in 't oog uit de diepte omhoog,
Buig ik ten kus naar beneden:
Mijn lichtende haren befloersen de baren
En mijn tranen lachen tevreden:
Want diep in zee, splijt de bedding in twee
Als mijn kus de golven doet gloren...
En de aarde is gekloofd en het lokkige hoofd
Van Zefier doemt lachend naar voren.
Hij lacht... en zijn zucht jaagt, mij arme, in de lucht,
En een boog van tintlende kleuren
Is mijn spoor, als ik wijk naar het droomerig rijk,
Waar ik eenzaam om Zefier kan treuren.
Hij mint me als ik hem..., maar zijn lach, zijn stem,
Zijn kus... is een zucht: wij zwerven
Omhoog, omlaag; wij willen gestag,
Maar wij kunnen nch kussen, nch sterven. -
De sterveling ziet mijn aanschijn niet,
Als ik uitschrei, hoog boven de wolken,
En de regenvlagen met ritselend klagen
Mijn onsterflijken weedom vertolken.
Dan drenkt mijn smart het dorstende hart
Van de bloem, die smacht naar mijn leed,
En met dankenden blik naar mij opziet, als ik
Van weedom het weenen vergeet.
En dn verschijn ik door 't nevelgordijn,
Dat mijn Zefier verscheurt, als hij vliegt -
Somber gekromd... tot de zonneschijn komt
En op 't rag mijner wieken zich wiegt.
Dan zegt op aarde, wie mij ontwaarde:
"De goudene Iris lacht!" ...
En stil oversprei ik de vale vallei
Met een gloed van zonnig smaragd. -

Mijn handen rusten op de uiterste kusten
Der aarde, als, in roerloos peinzen,
- En bonte gedachte - ik mijn liefde verwachte...
Die mij achter de zon zal doen deinzen.
'k Zie 's nachts door mijn armen de sterren zwermen
En het donzige wolkengewemel,
En de maan, die mij haat en zich koestert en baadt
In den zilveren lach van den hemel. -
Mijn pauwepronk... is de dos, dien mij schonk
De zon, om den sterfling te sparen,
Wien mijn lichtlooze blik zou bleken van schrik
En mijn droeve gestalte vervaren.
Nu omspan ik den trans met mijne armen van glans,
Tot mij lokt Zefier's wapprend gewaad,
Der lonkende zon mij verlaat. -

Ik ben geboren uit zonnegloren
En een vochtige zucht van de zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van 't wereldsche wee. -
Mij is gemeenzaam, wie even eenzaam
Het leven verlangende slijt,
En die in tranen zijn vreugde zag tanen...
Doch liefelijk lacht, als hij lijdt!

Het was zijn derde en laatste vlam -Joanna Blancke- die hem inspireerde
tot 'Iris'. Het is een gedicht over de onbereikbaarheid van de geliefde.
Telkens als Zefier (de westenwind) Iris (de regenboog) wil aanraken
of kussen, verdwijnt zij. Beiden zijn in de ban van een kosmisch spel
van aantrekking en ontwijking.
De vorm, de inhoud en de metrische structuur van het gedicht doen
denken aan 
'The Cloud' van Shelley.


Naar boven

Jacques Perk
Serenade aan Mathilde


Jacques Perk
Nagelaten gedichten


Sonnet van Mathilde Thomas
in het Frans
(met hertaling van Jacques Perk)


De tachtigers


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 01-11-2002.
Laatste wijziging 18-09-2017.

E-mail: webmaster