Jacques Perk


(1859 - 1881)

Nagelaten Verzen - Uit de Mathilde-Cyclus

De grijsaard op den berg

Nog had de nacht haar wieken niet ontvouwd, Toen duister boven stroom en delling zweefde. - Daar zit een man, die honderd jaar doorleefde, En oogt op 't mijm'rend, zinkend avond-goud.... - Hier heb ik 't eindelooze heir aanschouwd, Dat op n wenk ten dood, ten oorlog streefde En zong in de avondstond, waar 't zwerk van beefde... Dwaas wie op de eeuwigheid der kracht vertrouwt! Gij zaagt hen gaan en duizenden niet keeren: Waar bleven zij, wien 't vallen is gebeurd? Laat, grijze, dit me uw wijze lippen leeren! - Hij schudde 't hoofd als een, wiens ziele treurt, Dat ze op haar vragen antwoord moet ontberen.... En 'k heb een traan in 't peinzend oog bespeurd. -
Machtige aandrift
Neen, groenend woud en duizend zangers-keelen; Neen, lachend meir, waaruit de lisschen doemen! Neen, rozen, die de nachtegalen roemen! - Ik kan niet, lokkend loover der abeelen! Gij wilt me uw zoetste vreugden mededeelen, En wellicht zult gij mij ondankbaar noemen.... Mij trekt, mij trekt de schoonste bloem der bloemen, Mathilde's beeld komt ziel en zinnen streelen! Zij, die, waar 'k eenzaam was, was aan mijn' zijde, Die altijd om mij henen scheen te zweven En 't lage deed ontvlin ten allen tijde, Die mij doet zien wat schoon is en verheven, De vrouwe, die ik ziel en zangen wijde, Haar moet ik werzien... kostte 't ook mijn leven! -
Herdenking
Indien ge een ander waart, heeft zij beleden, Voorwaar! ik had mij anders dan gedragen, Maar toen u de eerste maal mijn oogen zagen, Moest ik met vriendschap reeds u tegentreden. Ik hoor dien lach en zilv'ren woorden heden; Hen kende ik twintig jaar in luttel dagen... De borst zwelt, bij 't herdenken, van behagen Dat liefde en schoonheid mij haar minnen deden. Zij heeft gevoeld hoe anders ik beminde Dan honderd, die zich smeekend voor haar bogen; Mijn eerbied eerde ze als een welgezinde. Thans zal ik weder haar aanschouwen mogen, En tot de stond, dat ik haar wedervinde, Zweeft ze als een star, die leidt, voor biddende oogen.
Geoloog en Letterkundige
Laroche, 't lichaam van die lieve spin, Die wijd en zijd de groene pootjes strekt, Weeft jaar op jaar u in haar weefsel in: Gelukkig 't stadje, dat u tot zich trekt. Want het bezit de forsche manne-min, Die door den mensch en de aarde wordt gewekt, De min eens mans, die met gelijken zin Der menschen aard en de aardeschors ontdekt. Wanneer ik later aan u denken zal, Dan zie ik schoone gaven zonder tal: Een man, die alles aan zichzelf ontleent, Een man, die heel een wereld heeft gezien En heel een geestenwereld bovendien, En 't al in zich tot n gedicht vereent.
Liedje voor Mathilde
Uit den hoogen hemel daalt Zachte, zoele zomernacht, 't Landschap door de maan bestraald Glanst van vrede en zomer-pracht. Op Laroches bouw-val blinkend Ligt een hemel uitgespreid Van het licht der maan, die, zinkend, Beeld is der droef-geestigheid. Zoo Mathilde, zijt ook gij. Mijmerzieke zomernacht! Als Laroche schijnt gij mij Even lieflijk schoon en zacht. God, Dien gij bemint, Mathilde, Schonk me u in dit heilge land, Toen Hij, dat ik aanbad, wilde, En heeft dit in u geplant. Straks zoo mijn herinnering Waart op dit geliefd verlen, Dan omhelst zij iedre kling, Dan omhelst zij u meteen! Dan omhelst... o blos van weelde! Stijgt gij mij naar 't aangezicht... Gij, Mathilde! die hem teelde Zeg, bemin ik u wellicht? -
Den heere Kaarle Bontems,
Hoofdredacteur der Nouvelles

Zoo gaarne was ik aan uw stouten vloed gebleven, Verrukkelijke Maas! met rots en roos bezoomd, Maar 't hart bij u, wordt gij mij vn het hart gedreven, Dat menig zoeten droom heeft aan uw boord gedroomd. Vaarwel! mijn ziel blijft op u vol herinnring zweven, Gelouterd door uw schoon, en door uw schoon beschroomd En voor mijn zielsoog zal hij naast u blijven leven, Mijn vaderlijke vriend, die ridders naderkoomt. Bontems, die man van kracht, die man van eigen denken Die 't onbekrompen hart voor ieder openlegt, En gul met menschenmin, nooit menschenmin zal krenken. Gij man der daad! gun mij dat ik u vriend mag heeten: Ons beider ziel is aan n ideaal gehecht: Vergeet mij zoo gij wilt, ik zal u niet vergeten. Anseremmes lez Dinant, 12 Juli 1894.
Aandenken
(Uit het Fransch van Mathilde.)
Vaarwel! de zomer vliedt; wij zien den winter komen Vaarwel! geheel een week is als n dag vergaan... De Toekomst zal uw beeld mij weven door mij droomen: Ach bleef het mijn voor u bestaan! Zoo dikwijls ver van u zal ik met liefde denken Aan de uren al te snel versmolten met het Niet: Herfst-bloemen die de dauw in de uchtenstond zal drenken, Terwijl geen avondrood haar ziet. Wanneer in 't schemeruur, van zulk een zoet verleden U de echo toeklinkt en een traan uit de oogen leekt, Dan fluistert gij wellicht (en luistert naar mijn schreden): O, hoor toch hoe zij van ons spreekt! Dan denk ook ik aan u en zal te zelfder tijde Dan meenen te verstaan wat gij te zeggen placht, Dan zal uw geest zich stil gaan zetten aan mijn zijde En keuvelen met u, heel zacht. O, dat de herinnering aan deze heerlijke uren Gelijk een tooverdroom op onze winters zweef' En met een gulden glans de jaren moog' borduren Wier aantal God in zijn Geheimboek schreef! - Laroche, 29 Juli 1894.
De voorzaat
Toen bracht mijn geest mij naar het ver verleden Waarvan de tijd steeds verder, verder schrijdt... En 'k heb geweend en heb mij diep verblijd Met de' oirmensch, vader van de ruwe zeden. Hoe spreekt zijn zielzucht in die zielsgebeden, Hoe heeft hij vrouw en kind zijn hart gewijd! Hoe wordt de steenen akst, die schedels splijt, Gezwaaid door de' ijz'ren spier en naakte leden! Een broeder kende ik en dat heeft me ontroerd: De mensch is eeuwen lang een mensch gebleven, Zijn gister is aan 't morgen vast-genoerd. Het weten heeft ons wetten voorgeschreven, De wet heeft vrede en vrijheid ingevoerd: Wij doen verfijnder, wat zij eens bedreven.
Aan den lezer
Het is des dichters roeping te vermaken, Te spreken tot verstand, herinnering, En tot het dichterhart, dat elk ontving, En nooit het schoone en goede te verzaken. Zoo is de leer. Maar zult ge 't in mij laken, O lezer, dat ik eigen wegen ging: Op eigen wijze, omdat ik moet, bezing Al wat mij machtig treft en 't hart doet blaken? Wellicht heb ik, wanneer ik zong om 't zingen En niet om lof als loon mijn zangen dichtte, Toch aan een roeping, onbewust, voldaan, Wellicht, schoon ik tot u mij nimmer richtte, Gevoelt gij, wat mij trof, ook u doordringen:... Neem daarom, als ze zijn, deez' liederen aan!
Voorgevoel
Verheven wezen! Zonne, op wie ik stare Met oogen onverzaad'lijk door uw schijnen, Ik leve in u, dijn' daden zijn de mijnen: Ik prijs uw doen alsof 't het mijne ware. Geschiedt u leed, ik, die het wedervare, Zal 't keeren, want het alles moet verdwijnen, Dat niet een straal van vreugde op u doet schijnen, En 'k wensch w vreugde, opdat die mj verklare. Daar, waar het blozen troont, voel ik een gloeien, Als ik aanbiddend staar naar 't kristallijn Van 't blauwe diep der oogen, die mij boeien. Wat hand of hart bezat, is niet meer mijn, 't Veelvuldig lied is u, dat gij hoort vloeien: Uw roeping is, zooals gij zijt, te zijn'.
Het grootsche denkbeeld
Een zwerver zet zich op de zachte zoden Van geurig groen, die 't woud des bergs bezoomen, En de effen blauwe hemel doet hem droomen En 't mos, dat krielt van bezin, de rooden. En 't spelend koeltje ritselt door de boomen En schuift hem beukeloovers toe, de dooden... Tot zacht gemijmer schijnt natuur te nooden, En 't grootsche denkbeeld heeft hem ingenomen: Natuur, Gij waart, toen God het Wees! deed hooren; God heeft u, als ge zijt, op eens gedacht. En ons het heerschen over u beschoren! - Hij deed God spreken, denken, gaf Hem kracht: Hij sprak en naar zijn beeld werd God geboren En God werd mensch, hij werd van Gods geslacht.
Kennis
De dieren, onze vreugde- en leed-genooten, Zijn onze broeders, maar niet zoo als wij (Daar zij ons niet beheerschen kunnen) vrij; Hun leven is, als 't onze, uit stof gesproten. Dit weten wij, maar 't is ons niet ontsloten, Niet of zij weten van der stof waardij. Zij denken en herdenken, nochtans zij Vermogen niet als wij 't waarom te ontblooten. Dit is der menschen hooge macht; hun denken Doet, wat toevallig scheen, natuurlijk blijken; 't Vermag de kennis van wat komt, te schenken. Veel van wat eenmaal wonder heette, vlood (Als duisternis voor 't licht) voor 't Vergelijken: Volmaakte kennis! gij zijt meer dan groot!'
Kennis
De grootste liefde, die den mensch kan nopen, Noopt ook der waerelden talloos getal Het hart der zon te zoeken, dat hen zal Vol wreedheid, smachtende om zich heen doen loopen. Zoo zwerven ook om 't vuur, dat gloeit in 't dal, De wolven van het woud in donkre hoopen, Die smachten daar in bloed den muil te doopen. Van zonnevuren wemelt het heelal. Toen de eeuw'ge zon na eeuwen werd geboren Als uit een gril van 't eeuwig werkend Iets, Schoot uit haar borst een waereldje naar voren: Der menschen aarde, n klank des eeuw'gen lieds, En haar te kennen werd den mensch beschoren: Is dan volmaaktste kennis meer dan niets? -
Een denker
Des denkers kluis baadt in de bleeke stralen Der maan, die door 't gewelfde venster tijgen, En op de hand het hoofd, in roerloos zwijgen, Zit daar de denker sinds het zonne-dalen. En 't nachtlijk koeltje suist door de espetwijgen De kluis in, om door lokken heen te dwalen Van zilver, die met maan-licht-zilver pralen; Doch hij doet meer den sneeuwen baard nog nijgen. Daar oop'nen zich de lippen. Om te spreken? Ja, langzaam zweven door de kluis de tonen Als door den mond aan 't volle hart ontweken: Wat kan, wien weet te wezen, z beloonen Voor levend dood zijn, als ten sprekend teeken Van vre met wat hij weet, 't geloof te honen?
De dooden-akker
Om 't kleine gods-huis rijst een krans van kruisen Van eeuwge bloemen, wort'lende in de groeven; En de airen van dien akker hooren 't suizen Van 't luwtje, dat de klachten draagt der droeven. Paleizen van geluk kwam hij vergruizen, De strenge dood, die leeft van ziel-beproeven, En deed de dooden in paleizen huizen, Waar zij geluk noch ongeluk behoeven. Hij brak den mensch van ziel en stof voor immer, En schonk aan graf en stof een eeuwig leven, Want al wat niet te splitsen valt, sterft nimmer. Voor het bestaan is 't eindeloos verlen te vinden, En de eindelooze toekomst na het sneven: Wij rusten langer dan wij 't leven minden! -
Ommekeer
Door al wat leeft gevoelde ik mij verlaten, En nergens was ik en met niets tevreden; Elk haatte mij, zoo meende ik, zonder reden: Ik, leed en leed en kon de haat niet haten. 'k Verlangde, en wist niet wat; ik heb gebeden; 'k Zag al wat slecht was; vond Natuur verwaten, En ijdel 't leven, wie een lach bezaten, Der domheid kroost, die ketterleer beleden. - Toen zag ik u en kon geen meening uiten: 'k Had vreugde, vrede, liefde weergevonden, 'k Zag waar gij tradt een bloem, een roze ontspruiten. Natuur en Menschheid voelde ik mij verbonden; In u wilde ik 't heelal in de armen sluiten.... Gij, engel! zijt mij tot geluk gezonden!! -
Aan den lezer
Toen nog niet was, dat waar ge thans op tuurt, Dacht ik: wat zult ge een ander 't hart ontblooten, Dat zich in honderd klanken heeft ontsloten En uit het wrangste honig heeft gepuurd! Toen heeft in mij een stem mij aangevuurd, Die sprak: Gij juichte' in wat gij hebt genoten, Wat waar en schoon docht, hebt ge in 't lied gegoten, Geheel uw aard heeft zang en stift bestuurd. Uw lied zegt wat ge woudt; gij moet het geven; Wat deert u dat een ander 't oog laat gaan. Op wat gij wrocht, en 't vonnist... als een leven!? Gij hebt als dichter niet vergeefs bestaan, Als 't n bekoort en stijft in moed en streven! - Neem daarom, als ze zijn, deez' liedren aan! -
Dropsteen
Bij 't rossig, zwaaiend schijnsel der flambouw, Welks walmen tranen teelt bij 't krinklend stijgen, Zie 'k spichtig kegels stijgen, pegels nijgen, Wier blijde blankheid werd tot weenend grauw. Het dropt, het dropt, van spits tot spits; aanschouw Hoe langzaam droppen door de droppen zijgen En vallend leven geven aan het zwijgen En worden tot een zuil bevrozen dauw. Wat daalt zoekt wat daar rijst, en welhaast zullen Zij, samengroeiend tot een eeuw'ge zuil, Elkaar omhelzen en met schors omhullen. Zoo gaat het morgen in het gister schuil; Zoo kwam Mathilde mijn gemoed vervullen En kreeg mijn gansche ziel daarvoor in ruil.


Naar boven

Jacques Perk
Bloemlezing & biografie


Jacques Perk
Serenade aan Mathilde


Sonnet van Mathilde Thomas
(met hertaling van Jacques Perk)


De tachtigers


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 01-11-2004.
Laatste wijziging 18-09-2017.

E-post: webmaster