Jacques Perk
De burcht in La Roche-en-Ardenne

Serenade aan Mathilde

Als jonge twintiger maakte Jacques Perk enkele reizen naar de Ardennen
(o.a. met zijn ouders en later ook met Willem Kloos).  In juli 1879 leerde hij
daar de jonge Mathilde Thomas kennen, op wie hij hevig verliefd werd.
Hij viste uiteindelijk achter het net, want Mathilde was al verloofd.
Voor het sjansende meisje was het niet meer dan een oppervlakkig avontuurtje,
want volgens haar neef vond zij Perk 'ennuyeux, blondasse, fadasse et collant'.
De idylle van Jacques Perk en de mooie Walin zou slechts enkele weken duren.
Toch inspireerden deze hopeloze liefde en de prachtige natuur in de omgeving
van La Roche de dweperige dichter tot het schrijven van honderden sonnetten,
waar enkele echte pareltjes tussenzitten.  Het leeuwendeel van deze romantische
verzen is echter, mijns inziens, zeemzoet en oersentimenteel. Oordeel zelf...

Serenade aan Mathilde


 De regen dringt door deur en ruiten 
      En schept de straten tot een meer; 
 Geen bergen kunnen 't water stuiten, 
      Het golft langs rots en ruigte neer; 
 En de Oerte schuimt en schuurt, de wilde, 
      En schuift zijn baren langs zijn boord... 
 Luik de oogen! Sluimer in, Mathilde, 
      Want de Oerte zingt ntonig voort. - 
   
 Ik zing en mijn gedachten zweven 
      Om u als luwtjes om de roos: 
 Ik voel de liefde in 't harte leven 
      En voel mijn harte liefdeloos. 
 O, donkre nacht! Mij zijt ge een milde, 
      Uw duisternis alleen bekoort. 
 Luik de oogen! Sluimer in, Mathilde, 
      Want de Oerte zingt ntonig voort. - 
   
 Reeds zijt ge door het woord gebonden, 
      Het woord der trouw, dat zalig maakt; 
 Reeds hebt gij het geluk gevonden, 
      Dat samen met de liefde ontwaakt. 
 Ik ben gelukkiger dan 'k wilde, 
      Omdat  dat geluk behoort: 
 Luik de oogen! Sluimer in, Mathilde, 
      Want de Oerte zingt ntonig voort!

Laroche-sur-Ourthe (1879).
Onuitgegeven gedicht van Jacques Perk. Bron: De Nieuwe Gids. Jaargang 6 (1891).
Linecol
Liedje voor Mathilde
Uit den hoogen hemel daalt Zachte, zoele zomernacht, 't Landschap door de maan bestraald Glanst van vrede en zomer-pracht. Op Laroches bouw-val blinkend Ligt een hemel uitgespreid Van het licht der maan, die, zinkend, Beeld is der droef-geestigheid. Zoo Mathilde, zijt ook gij. Mijmerzieke zomernacht! Als Laroche schijnt gij mij Even lieflijk schoon en zacht. God, Dien gij bemint, Mathilde, Schonk me u in dit heilge land, Toen Hij, dat ik aanbad, wilde, En heeft dit in u geplant. Straks zoo mijn herinnering Waart op dit geliefd verlen, Dan omhelst zij iedre kling, Dan omhelst zij u meteen! Dan omhelst... o blos van weelde! Stijgt gij mij naar 't aangezicht... Gij, Mathilde! die hem teelde Zeg, bemin ik u wellicht?
Linecol
Aan Mathilde
Wanneer de moeder van het licht wer licht, En voor heur goud den zwarten mist doet wijken, Dan laat ze 'r stralen langs de bloemen strijken, En dankbaar doet elk bloemeke zijn plicht. Zoodra de bloem de lieve zon ziet prijken, Dan wolkt ze wierook op in wolken dicht, En geurenmoeder wordt het moederlicht... Ik moet, Mathilde, u aan de zon gelijken! Gij zijt de moeder van deez' liederkrans - Gij hebt dien met uw zonneblik geschapen In 't zwarte hart; zoo 't glanst, 't is door w glans. Met we bloemen krans ik u de slapen, Uw eigen schepping leg ik om uw hoofd; Zoo zij uw naam voor eeuwiglijk geloofd!
Linecol
Eerste aanblik
En, peinzend, zie 'k uw zee-blauwe oogen pralen, Waarin de deernis kwijnt, de liefde droomt, - En weet niet, wat mij door mijn adren stroomt: Ik zie naar u, en kan niet ademhalen: Een gouden waterval van zonnestralen Heeft nooit een zachter aangezicht bezoomd.... 't Is, of me een engel heeft verwellekoomd, Die met een paradijs op aard kwam dalen. 'k Gevoel mij machtig tot u aangedreven En buiten mij. 'k Was dood, ik ben herrezen, En voel mij tusschen zijn en niet-zijn zweven: Wat hebt gij, tooveres, mij goed belezen! Aan u en aan uwe oogen hangt mijn leven: Een diepe rust vervult geheel mijn wezen.
Linecol
Gebenedijde stonde
O, lieflijkste van alle lieve vrouwen! Gij, hoogbegaafd met schoon en kunstvermogen! 'k Zie, jonge bloem, de blaadjes u ontvouwen, Nog onlangs tot een slanken knop gebogen! Gezegend uur, waarop mijn zalige oogen U mochten vol genot en weelde aanschouwen En zien u met een zachtheid overtogen, Waarop de kracht een Ideaal moet bouwen! Toen ik u zag, voelde ik mijn wangen gloeien, En weer in mijn gemoed de liefde ontbloeien, Die lang in 't ijs der droefheid lag besloten. "O, aarde!" riep ik, toen 'k uw aanblik had genoten, "Gij zijt een hemel! 'k Hoor der englen wieken suizen, Zoolang gij zulke heiligen blijft huizen!"
Linecol
Liefde
Het vurig hart des jonglings, haast nog kind, Gevoelt een rijke en ongekende weelde Wanneer hij zachtheid, liefde, schoonheid vindt, Zooals die nooit het jong gemoed nog streelde. Hij ziet de jonkvrouw, de met schoon bedeelde... En die geen zege wil, zij overwint. Hij mint het Schoone... en liefde is ingebeelde, Als hij de "liefde" van de vrouw bemint. - Mathilde! ik vond de liefde in elke vrouw, Ik heb van 't schoone in allen haast gevonden, En velen liefgehad te goeder trouw, Maar die geliefden, allen samverbonden, Bezitten niet, wat ik in aanschouw, Die meer bekoort, dan zij tezamen konden.
Linecol
Ik min uw minnaar
Dat ik mijn hoofd mocht aan uw boezem vlijen, En zalig zijn als een onschuldig kind, En duizendmaal met blijden blik belijden, Dat gij, Mathilde, mij bezielt, bezint: Dat ik gelukkig ben, nu u verbindt De band der trouw, dien de eeuwigheid zal wijden...! Ik heb hem lief, (omdat gij hem bemint) Wiens min voor u mijn liefde doet gedijen. Gij wilt mij, u te minnen, niet verbieden: Ik bedel niet om uw wedermin, Schutsengel! Gij zijt ziel, - en mijn Godin! Ik schijn u als de zonnebloem de zon te ontvlieden: Ik ben, zoolang gij mij uw bijzijn gunt, Gelukkig, nu gij 't innig wezen kunt!
Linecol
Besluit
En honderdmaal verklaarde ik mij, doch, neen, Zij hoorde 't honderd malen niet, want oogen Verstaan de taal, die zwijgend spreekt, alleen... En ach! haar oogenlach bekroont mijn pogen! Bij haar werd droefenis en lijden logen; Mijn mond moet dus bekennen, wat ik meen: 't Is, dat ik mij, toen me oog en lach bewogen, Als een, die doet, hetgeen hij doen moet, scheen. Zij, in wier harten 't haten zich verhief, Zij zeggen, dat zij haten..., zoo ze oprecht zijn; Zou ik mijn liefde haar dan niet belijden? De liefde baart geluk en zielsverblijden, Geluk maakt liefderijk, ik heb haar lief, En wie gelukkig is, die kan niet slecht zijn.
Linecol
Bekentenis
De bron van warmte en licht was zacht gezonken Op 't ver gebergte en tintte d'avondstond, In iedre vezel waarde weelde rond, Die met den koelen dauw werd ingedronken: Wij doolden om: haar starende oogen blonken, Een blijde glimlach glinsterde om haar mond, 't Was, of me aan haar geheel een leven bond... Zij oogde naar de kim van purpervonken: Mathilde! ik heb u lief... Zoo waar die kammen Te morgen wer in purper zullen vlammen, Wordt gij bemind. Gij zijt zoo godlijk-schoon!... Zij deed als een, die iets op 't hart voelt branden - Toen sloot zij mij de lippen met de handen, En.... bloosde de avondzon heur bleeke koon?
Linecol
Smeekbede
Zooals de zon den dauwdrup, als de roze De bij, en 't wijde wak der zee de beken Duldt aan het warme hart, het bodemlooze, Waarin zij, wat hen lijden deed, ontweken; Doe gij alzoo, Mathilde! ik vlood het booze, Mijn ziel viel u te voet... gedoog mijn smeeken, Gun mij, dat ik u minne, en laat me een pooze Verzinken in 't u zien, en zwijgend spreken: Ik heb u lief! Geheel mijn wezen - trilde Van diepe vreugd, toen gij mij zijt verschenen, En 'k moest van eerbied en van weelde weenen: Toen bleef mijn nacht geen nacht.'k Had lief, Mathilde! Als een, die niet meer wil, gelijk hij wilde, Maar met wat hooger is zich wil vereenen.
Linecol
Die lach
Zooals wanneer opeens de zonneschijn Door 't zwart der breede wolken heen komt breken, En schittert in de tranen, die er leken Van blad en bloem, als vloeiend kristallijn, Z, dat het weenen lachen schijnt te zijn: Zoo is, wat mij ontstemt, opeens geweken, Mathilde! ontsluit w mond zich om te spreken, En doolt een glimlach om uw lippen, fijn: - Doch van den lach is glimlach dageraad, En klinkt uw lach, hoe drinken hem mijne ooren! De vreugde vaart door pols en vezel rond. - En met geloken oog zie 'k uw gelaat, Zoo zonnig: 'k meen uw zilvren lach te hooren, Wanneer ik roerloos wacht op de' uchtendstond...
Linecol
Zij komt
Gij, berken, buigt uw ranke loovertrossen! Strooit, rozen, op het zand n sneeuw n blad! Gij, zwaatlende olmen, nijgt u naar het pad, En kust den dauw van sidderende mossen! En, snelgewiekte liederen der bosschen Stemt aan n zang n lof! En, klimveil, dat Den slanken, diep-beminden beuk omvat, Druk hechter aan de twijgen u, de rossen! Voorzegger, die uzelven roept, o, kom, En roep uw "koekoek" duizend blijde keeren, En fladder aan, vergulde vlinderdrom! Zij zweeft hierheen, die zon en zomer eeren: De lof van hare schoonheid klinke alom, Waar zon en zomer te beminnen leeren!
Linecol
Harmonie
De maan blinkt door den zwarten bouwval henen En laat haar zilver glijden langs de duin, Door de Ourthe omkabbeld en gekroond met puin: Getrotste grootheid in bemoste steenen. Hoe smelt het bruine licht in 't lichte bruin!... Hoe ruischt de stroom! Het woud, in nacht verdwenen, Schijnt aan den nachtegaal het oor te leenen, En nijgt eerbiedig looverdos en kruin. En gij, Mathilde! uw lied rijst naar den hoogen... De ziele der natuur, in u gevaren, Uit zich door u in deze zalige uur! In elke star meen ik uw blik te ontwaren, En duizend starren tintlen in uw oogen... Ik min Natuur in u, in Natuur!
Linecol
Een handkus
Ik mag die slanke handen zoetjes streelen, Als zwoele wind de blanke duiveveeren. 't Zijn lelies, waar de schaduwen om spelen, Gekruifde golfjes, die de meeuwen scheren. Ik druk ze, en zal hun wederdruk niet weren, Ik wil, ik wil ze kus op kus ontstelen. Een warme handedruk zal ze niet deren, En deerde ze al, een handkus zou ze heelen. Gedoog, dat aan die sneeuw mijn wang zich koele, En dat mijn lippen 't warme dons beroeren, En dat ik dan nog eens mijn straf gevoele! Gij weet, die straf, toen ik mij liet vervoeren En in het kussen uwer hand volhardde, Toen gij met de andre door mijn lokken warde'.
Linecol
De schietbeek
In 't breede lommer van de lage boomen Glipt, glipt het beekje langs de holle boorden: Het streelt de blonde bloemen aan zijn zoomen, En zingt een lied vol murmelende akkoorden. Toen kost gij, lieve, uw lust niet meer betoomen Maar waadde' door de golfjes, die bekoorden: Zij wijken, nu zij bij uw voetjes komen, En kussend fluisteren zij liefdewoorden. Hoe fronsen zich die gladde rozenvoeten In 't rimpelend kristal... O, laat mij beiden, Om met een voetkus mijn vorstin te groeten!... En 'k liet het linnen van haar voeten drinken Het water, weenend om het wreed verscheiden, En zag haar oog van frissche blijheid blinken.
Linecol
Madonna
Hoe minzaam heeft uw koozend woord geklonken, Uw zilvren woord, maar l te goed verstaan! 'k Zag in uw oog een glimlach en een traan, Blauw bloempje, waarin morgenparels blonken; Gij wijst mij naar de Moedermaagd, ik waan Mij in aanbidding voor haar weg - gezonken... Daar voel ik me eindeloozen vre geschonken: Ik zie naar hr - Mathilde, bid ik aan: Gij, die de Moeder mijner liefde zijt, Zijt Moeder Gods, want God is mij de Liefde: U zij mijn hart, mijn vlammend hart gewijd! Een kerk rijst allerwegen aan uw zij - O, deernisvolle ziel, die niemand griefde, O, mijn Madonna! bid, o, bid voor mij!
Linecol
Aanzoek
Wat werd ik zonderling opeens te moede, Toen gij mij, lieve, vleiend hadt gevraagd: "Aanbid, met mij vereend, de Moedermaagd, En neem mijn godsdienst aan: het is een goede. Ik zal Haar bidden, dat Zij u behoede; Dat mijn geloof ok in w harte daagt; Geloof, als ik; het ongeloof verlaagt, En 'k hoop, dat uw gemoed nog vroomheid voede!" Zoo fleemdet ge, en gij zaagt mij smeekend aan; Ik had zoo gaarne toen uw zin gedaan: 't Geloof is beter dan het niet-gelooven. Doch neen, behoud uw godsdienst, mijn vriendin! Hij maakt u goed, laat mij mijn eigen zin: Wat hij schenkt, dat zou hij mij ontrooven.
Linecol
Belijdenis
- "Gelooft ge aan God?" - "Mathilde!" - "Bidt gij aan?" - "'k Gevoel mij klein bij l wat is verheven, En ik aanbid!" - "Uw God is zonder leven!" "Kan zonder leven de Natuur bestaan?" - "Smeekt ge om gen, voor wat gij hebt misdreven? Zwaar tuchtigt Jezus, wie daar heeft misdaan!... Gij zijt niet goed! Wie alles heeft gegeven, Wil daarvoor dank!" - Toen ben ik heengegaan: En naar den blauwen hemel, die zoo effen Zich welfde, hief ik 't droomende aangezicht, En voelde gij in 't rijk des vredes heffen: "Gij, (sprak ik) levenwekkend, eindloos licht! Gij doet aan 't hart, dat in - leeft, beseffen: Gelooven, bidden is Mathilde's plicht!'
Linecol
Ochtendbede
De Nacht week in het woud, en, bij haar vluchten, Heeft ze op struweel en bloem een dauwkristal Geweend, dat glinstert in de zon, en zuchten Luwt ze uit het woud, langs berg en beemd en dal; En dar, op 't smalle pad, in hooger luchten, Ontwaar ik haar, die wuift, mijn ziel, mijn al... Doch uit mijn hart rijst naar die hooge luchten De klacht: hoe klein, hoe klein is mijn heelal! Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud, En 's hemels blauw is 't blauw dier droomende oogen, - Haar boezem is de berg en 't golvend woud: O, zomer, zonneschijn en hemelbogen, Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt, - Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!
Linecol
Onthulling
Eens zag ik om mijn liefde sluiers glijden, En toen ze omhuld bleef, is mijn vreugd gevlucht... Thans zijn de raadselnevels blauwe lucht, Die zich aan 't aangezicht der liefde vlijden... Nooit zal mijn weeldekus uw wang ontwijden, Uw huivrende aanblik is mijn elst genucht: Woonde er begeerte naar u in een zucht, Zou 'k dan u aan uw minnaar niet benijden? 't Is of uw zachtheid, liefde en mededoogen Vereering voor "het vrouwlijke" beveelt: Want hiervan is uw blonde schoonheid beeld! De ware vrouw in u houdt me opgetogen... En zlk een liefde is niet, die elk begrijpt: Uw schoonheid heeft mijn ziel daartoe gerijpt.
Linecol
Zij sluimert
Zij rust in 't malsche mos, en houdt gebogen Dien arm, dien mos en lokken beide streelen, - Een sprei van groene schaduw, zacht bewogen, Daalt uit de zilverloovers der abeelen; Zij ademt zuchten, en zij lacht, als togen Er droomen door heur ziel, die vroolijk spelen; O, zoete hoop! Straks opent zij heure oogen, Straks zal de hemel nieuwe heemlen telen: Slaap zacht! Ik zie den donkren nacht genaken, Dat gij uw oog voor eeuwig houdt geloken, - Dan sluimert gij, maar kunt niet meer ontwaken: Dan zal de zode, die gij dekt, dekken, Dan zal geen zonnestraal uw lippen strooken, Geen lied van 't woud u uit dien sluimer wekken.
Linecol
Avondzang
Het zuidewindje suist door zwarte twijgen, En kust het slapend dons der zangers teeder, De zilvren boomen wiegen heen en weder, En doen hun schaduw met hen mede nijgen, Een stille zwoelte komt uit de akkers stijgen Een koele stilte daalt op donzen veder, - De zilvren nacht-zon sprenkelt droomen neder, En lacht van liefde in eeuwig-lachend zwijgen: Mathilde, sluimer! Zomernacht doet droomen, En zomerdroomen zijn van manestralen. En manestralen zijn als liefdestroomen: De liefde doen zij uit den hemel dalen, En dalen in de ziel, die zij vervromen: Is liefde dwaling, kan men zoeter dwalen...?
Linecol
De bergstroom
- "De bergstroom doet de gauwe golfjes deinen, En schuimt er mede heen; zie.... eer zij komen, - Daar waren zij, daar zijn ze, en zij verdwijnen: Heeft al een ander me uit uw hart genomen?" - "Zie, hoe er 't golfje leeft in lange lijnen: Z leeft uw beeltnis altijd in mijn droomen. - Straks zal het in het land der zee verschijnen: Z toeft uw beeld me aan vaderlandsche zoomen". - - "Straks smelt het henen in de holle baren Der vaderlandsche zee - waar is 't gebleven? Zoo weinig zal uw hart mijn beeld bewaren." - - "Geef aan de zee - nooit zal zij wedergeven! - In 't hart, waar liefde en eindeloosheid paren, Daar zal Mathilde, als 't golfje in zee, in leven!"
Linecol
O, noodlot!
Wie naar ons staren, staren naar ons beiden, Als waren wij gelukkig en verloofd; Men ziet ons aan, en wenkt met oog en hoofd, En wil ons vreugd door wedervreugd bereiden. Mathilde! ik zou u nimmer kunnen leiden Door 't leven! 't Noodlot, dat gij wijs gelooft, Scheidt mij van u, die mijn verdriet me ontrooft En vroolijk hart.... Ik kan niet van u scheiden... En tch, die Macht, die over 't menschdom waakt, Is wijs, en doet mij wijslijk u verlaten, Omdat, hoog wezen! Gij me een onding maakt! Ik leef in , en denk en doe als gij, Ik ga mijzelf, zooals ik n ben, haten - Tot dweper, tot een jonkvrouw maakt gij mij...!
Linecol
Voorgevoel
Verheven Wezen! Zonne, op wie ik stare, Met oogen, onverzaad'lijk door uw schijnen...! Ik leve in dijn' daden zijn de mijnen: Ik prijs uw doen, alsof 't het mijne ware. Geschiedt u leed, ik, wien het wedervare, Zal 't keeren, want het alles moet verdwijnen, Wat niet een straal van vreugde op doet schijnen, En 'k wensch w vreugde, opdat die mij verklare. Daar, waar het blozen troont, voel ik een gloeien, Als ik aanbiddend staar naar 't kristallijn Van 't blauwe diep der oogen, die mij boeien. Wat hand of hart bezat, is niet meer mijn, 't Veelvuldig lied is , dat gij hoort vloeien: "Uw roeping is, zooals gij zijt, te zijn."
Linecol
Scheiding
De voerman zwaait de zweep, ik hoor ze knallen; De wagen ratelt langs de helling heen; De rem knarst tegen 't wiel, de schellen schallen; De hut, die haar bevat, rijst en wordt kleen; Klein wordt de kluis, waarin de maagd verdween, Die me als godin gedaagd is, duizendtallen Bloesems om 't hoofd - ze is aan mijn hart ontvallen, En 't hart, dat stierf in haar, leeft... maar alleen: Vloeit nu gerust, gij, ingehouden tranen! Met moet zich de smart een uitweg banen: Wat ware een traan, zoo daar geen ziel in trilde? Spreekt, tranen! dan 't "vaarwel", dat ik niet vinde... Ik wilde zeggen, hoe ik haar beminde, En alles wat ik zeide was: "Mathilde!"
Linecol
Dorre bloemen
Daar walmen warme geuren om mij rond... Hoe kleurig al die duizend bloemen pronken! Zij buigen zacht, van eigen geuren dronken, De ranke kopjes, als Mathilde blond... Mathilde....! o, dat zij mij nu ok verstond! Hoe dikwijls heb ik haar een bloem geschonken, En werd met bloemen dan beloond of lonken Die ze om mijn handen en mijn harte wond: Die bloemen, liefdegeurend na het sterven, Die, met het leven, geur en kleuren derven, Herleefden, dood, maar als vergeet-mij-nieten Wat zal ik n nog blonde bloemen plukken? Mag ik ze niet meer op haar boezem drukken, Zoo mogen ze ongetinte vruchten schieten!
Linecol
De maan verrijst
Het duister doet de tinten samenvlieten, En dekt met fulpen nacht het schel azuur, - Nu gaat de glimvlieg heen en weder schieten, Gelijk een star, gelijk een dansend vuur: De stilte bidt... Een tempel is natuur, En de aard voelt zich met vrede als overgieten... Het is dezelfde heilige avonduur', Als toen ik 't eerst heur aanblik mocht genieten: Eerbiedig denk ik aan het jong verleden: Ik hoor heur stem, ik hoor heur zachte schreden... Op bloemengeuren stijgt haar naam omhoog - Wat zou dat zilver op den bergtop wezen?... D ar is de maan in al haar glans verrezen... Zo rijst Mathilde voor het droomend oog!
Linecol
Ommekeer
Door l wat leeft, gevoelde ik mij verlaten, En nergens was ik, en met niets, tevreden; Elk haatte mij, zoo meende ik, zonder reden: Ik leed en leed, en kon den haat niet haten. 'k Verlangde, en wist niet wat; ik heb gebeden; 'k Zag al wat slecht was; vond Natuur verwaten, En ijdel 't leven; wie een lach bezaten, Der domheid kroost, die ketterleer beleden. - Toen zag ik , en kon geen meening uiten: 'k Had vreugde, vrede, liefde weergevonden, 'k Zag, waar gij traadt, een bloem, een roze ontspruiten. Natuur en Menschheid voelde ik mij verbonden; In wilde ik 't Heelal in de armen sluiten... Gij, engel! zijt mij tot geluk gezonden!
Linecol
Mijmering
Vr ik haar had gezien, was dof en koud De zomersche natuur, zoo warm en licht, - In 't beekgeruisch hoorde ik geen stillen kout, Voor mij was bloem noch star een zoet gedicht; Haar lief te hebben, werd mij tot een plicht, Toen ik haar 't eerst en lang had aangeschouwd, - Elke ademtocht was slechts aan h ar gericht, Zij scheen me en enkel wezen, duizendvoud: Zij was, veelvuldig mededoogend, en: Een klaar verstand streek over diep gevoel, Gelijk een vlotte beek langs bloemen heen: Zij, waardig duizend zielen aan te bin Worde aan den waardigste ten levensdoel! Ik zei vaarwel: ik zal haar wederzien!
Linecol
Uchtendgroet
De hemel vlamt; de blonde dageraad Rijst uit die rotsen, en vervult met geuren Het dal, dat zich in gloed van rozen baadt, En zwelgt in frisschen dauw en gouden kleuren. Gegroet, gij bergen in uw pronkgewaad En zomerhoogtij-dos! Uw kammen beuren Het hart omhoog, dat voor de Schoonheid slaat, En uit de roos, Natuur, wil honig puren. Vaarwel nu, zandig strand en wilgenplassen, Mijn vaderland, dat ik daar achterlaat, Waar lisschen en... vergeet-mij-nieten wassen! Geloof niet, dat ik, van u verre, u smaad Ik, in den vreemde alleen, haat uw moerassen, Zooals ik vriend en maag en ouder haat!
Linecol
Gescheiden
De kluis, getuige van ons noode scheiden, Leeft in mijn peinzende herinnering.... Zij werd mij paradijs, omdat ze ons beiden, In de' eersten stond van liefde, 't laatst omving. Een kus ten afscheid, toen twee harten schreiden, Verheugde 't hart, dat haar aan 't harte hing... Maar, die der liefde 't leven wou bereiden, Schonk leven aan den dood: zij bleef, ik ging. Dien dag was heel mijn ziel een afscheidslied... Des avonds heb ik mij in slaap geweend En van mijn weenen ben ik weer ontwaakt. Thans zie ik vreemden, maar Mathilde niet: Ik mis haar, en mijn droomend harte meent, Dat eenzaam dolen het gelukkig maakt...
Linecol
Mist
De blik boort moeilijk door de ruimte henen, En ziet niet, wat zich hier of daar bevindt: De duizend loov'ren van de heesters weenen, En 't is, of elke traan weer nieuwen wint. - De zon, die stralen aan het luwtje bindt, Schept alle tranen om tot edelsteenen... En lucht en bosch en berg herkrijgt zijn tint: De damp wolkt op, en 't landschap is verschenen. Zo schemert, als de ziel op raadslen peinst, En voor de duisternis dier raadslen deinst, Ons de gedachte, waar geen licht wil schijnen. O, denkend hoofd, in uw gepeins verward! Het schoone denkbeeld wortelt in het hart: Voor 't liefdelicht moet raadselmist verdwijnen!
Linecol
Intrede
Steil rijst de rots, en braam en stekelwisch, Die hatende aan heur breede flank zich kleefden, Behoeden daar een poel van duisternis, Waarom ze een doornenkrans van weedom weefden. Gelijk te middernacht een rosse smids', Zoo zoekt die muil - waar nacht en stilte zweefden, Om uit te wellen, nu het uchtend is - Den blik, die ijst, voor waar nooit zielen leefden. 't Is, of die opgespalkte wolvekaken, Die zwelgen willen al wat lieft en leeft, Den dood met vunzig-killen adem braken; Zooals men voor een donkre toekomst beeft, Beef ik: ik wil, wil niet dien nacht genaken... Ik ga - en nergens is, wat lichtgloed geeft.
Linecol
Dropsteen
Bij 't rossig, zwaaiend schijnsel der flambouw, Welks walmen tranen teelt bij 't krinklend stijgen, Zie 'k spichtig kegels stijgen, pegels nijgen, Wier blijde blankheid werd tot weenend grauw. Het dropt, het dropt, van spits tot spits; aanschouw, Hoe langzaam droppen door de droppen zijgen, En, vallend, leven geven aan het zwijgen, En worden tot een zuil bevrozen dauw. Wat daalt, zoekt wat daar rijst, en welhaast zullen Zij, samengroeiend tot n eeuw'ge zuil, Elkaar omhelzen, en met schors omhullen. Zo gaat het morgen in het gister schuil; Zo kwam Mathilde mijn gemoed vervullen, En kreeg mijn gansche ziel daarvoor in ruil.
Linecol
Fakkelglans
Hier is het lachend morgenrood een logen En 't leven en 't genot! - Langs steenen bochten Komt uit de verre diepte een licht gevlogen, (Gelijk een glimvlieg) en teelt wangedrochten; Al wilder wordt de vlam: in glonde bogen Golft bloedig licht door 't gapend hol der krochten, En doet hun duister zien aan duizlende oogen, Die gruwen, voor wat dood en stilte wrochtten; Nu trilt mijn schaduw langs de grauwe wanden, Nu sjirpt de heesche nacht daar in den hoogen, Waar 't grimmelt aan des helschen hemels randen, Van wie daar fladdrend kleven aan de togen... O, God! Mathilde... ik zie uw beeld mij wenken, En moet aan , geluk en liefde, denken!
Linecol
De holle berg
"O, zonlicht!" - Op een dennenwoud van rotsen, Wier top mijn langste schaduw niet genaakt, Is 't, of een sombre reus zijn hel bewaakt, En, wat zich roert, dreigt met granieten knotsen. Geen einde links, gen rechts; het duister braakt Gore gevaarten; eeuwge tranen trotsen Alleen de stilte en dood; de hars-toorts kraakt; De voet doet kei op-kei in de' afgrond klotsen. Dat starrenlooze zwerk, dat de' am beklemt Die leegte, die zich rondt in 't nederwelven... Een leeuwenmuil, oneindig opgesperd! Daar grimmen tanden hier en in de vert'... Mathilde!.... Koude schuift door 't bloed, dat stremt... En 'k voel een diepe duizling me onderdelven...
Linecol
Het rijk der tranen
Een waterval, gestremd in 't vallen, boomen, Verstijfd bij 't wortlen in de holle schacht, En schepselen van duizend nare droomen.... 't Is alles dood en steen en ijs en nacht. De geest der hel, die dit heeft voortgebracht, Doet vloek en klacht door lege stilte stroomen: Gij, rijk der tranen, waar de dood slechts lacht, Baart angst en niet der schoonheid huivrend schromen: Leen ik mijn ziel aan u, en leef uw leven - Ik ben ontzield: gij hebt mij stug en wreed Op mij terug, en dus tot haat gedreven. Mathilde! U kan ik zeggen, wat ik leed: Ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven, En wilde minnen, daar ik dichter heet!
Linecol
Dag
En over 't wak van pek, dat schijnt te schragen Het hol gewelf, waarlangs een doodendans Van fakkelglanzen spookt, voel ik mij dragen Door wagglend hout... 't licht dooft - 't is duister thans... Nu drijft de kiel, waar een albasten trans Zo rijst, als zinkt het diep der waterlagen, - En uit de verte lokt een maanlicht-glans, Een troost van medelij voor wie vertsagen: Een kreet van levenslust dringt uit het hart, En duizendwerf, tot in het hart der aarde Weergalmt hij door het doodenrijk der smart... Dar is het licht, het leven, liefde en lust, - 't Is, of ik 't alles nooit voorheen ontwaarde... De traan wordt lach en de onrust zoete rust.
Linecol
O, zomer!
O, zomer, met uw lokken, glanzend gouden, En met uwe oogen, blauw gelijk de wanden Van 't rondend hemeldak, en sneeuwen handen, Die bloemenslingers slank gebogen houden! Wier geurige adem zucht door rijs en wouden, En gloeien wekt, waar zielen wieken spanden, Tot die miljoenen traan en leed verbanden, En lachten, of zij nimmer weenen zouden: Gij juichte', o, zomer! in mijn zielsverrukken, Toen mij uwe armen en Mathilde omvingen, En gij voor mij uw wereld scheent te smukken! Gij zaagt de vreugdetranen 't oog ontspringen... Maar 'k hoorde uw zangren 't lied des lijdens zingen, Toen ze op heur hand den scheidenskus liet drukken...
Linecol
De waterval der beek
Uit stronk en struik en warrelklomp van steenen Stort de kristallen vliet zich bruisend neer, En wordt tot sneeuw en schuim, en murmelt henen, En kust de lisch, die wiegelt heen en weer. - De blauwe beek, door de uchtendzon beschenen, Lacht tegen 't spelend koeltje te elken keer, Als het de logge rots van spijt doet weenen: Geen maagd lacht om een linkschen minnaar meer... Maar.... wt doet, Morgenhemel! mij gelooven, Dat, achter 't vallende kristal, zich baadt Een maagd, wier blankheid blankheid gaat te boven? Wat, dat ze op mij de fonkelblikken slaat, En heen den watersluier heeft geschoven, En lacht en lonkt, dat me alle rust vergaat?...
Linecol
Een adder
Hoe gloeit de bezie langs het holle pad, En schudt het bolle hoofdje heen en weder! De rozen strooien blanke blaadjes neder, En 't geiteblad houdt roos en rots omvat: De rots van klimop pronkt met geiteblad, Dat, uitgeschoten als een slanke veder, Zich losser plooide, breeder steeds en breeder, Tot het de blauwe verte in de armen had. De woudduif koert.... Daar ritslen dorre blaren... O, angst! daar schuifelt iets: twee vonken staren... Het sist - een adder slingert zich om 't been: Zoo slingert zich, in deze stille stonde, Het zoet verlangen naar de zoetste zonde Gelijk een adder om mijn ziele heen...
Linecol
Verlangen
Nog golft de weerschijn, op het meer, der zwanen, Waar de avondster met medelij in staart; En met het wolkje, dat er over vaart Vloeit heen het scheemrend diep in lange banen. De wind, die afscheid neemt, kust de platanen, En rept de wiek, nu hij de kim ontwaart, Die zich aan blauwe duisternissen paart, En berg en bosch en zonneglans ziet tanen. Het wolkje gaat, de wind, het water gaat: De dag heeft reeds den zonnekus ontvangen Aan de overzij der kim, waar de echtkoets staat. En ik gevoel een ongekend verlangen; Ik blijf aan 't meer, dat de' oever kabb'lend slaat... En wilde wer Mathilde aan 't harte prangen.
Linecol
Machtige aandrift
Neen, groenend woud en duizend zangerkelen! Neen, lachend meir, waaruit de lisschen doemen; Neen, rozen, wie de nachtegalen roemen! - Ik kn niet, lokkend loover der abeelen! Gij wilt me uw zoetste vreugden mededeelen, En wellicht zult gij mij ondankbaar noemen... Mij trekt, mij trekt de schoonste bloem der bloemen: Mathilde's beeld komt ziel en zinnen streelen! Zij, die, waar 'k eenzaam was, was aan mijn' zijde, Die altijd om mij henen scheen te zweven, En 't lage deed ontvlin ten allen tijde, Die mij doet zien, wat schoon is en verheven, De vrouwe, wie ik ziel en zangen wijde, Haar moet ik werzien... koste 't ook mijn leven!
Linecol
Was dat een lied?
Zij is verdwenen in het lichtend duister, Ver in de verre verte, en nimmer keert, Goddank! helaas! die stonde, die bezeert, Bezielt, bezaligt... 't Noodlot brak den kluister, Den zachten, die twee helften samen-meert Tot n geheel van liefde, leven, luister... Het scheidensuur van tranen en gefluister Vlamt door de ziel, die scheidend minnen leert. Mijn oog staart naar de verre nevelbanken, En staart beneveld naar den blauwen boog, Van tranen grauw... het regent op mijn handen. Was dat een lied, dat door mijn boezem toog? Die klagend-teeder-blijde vogelklanken - Ik hoor ze, en voel ze in traan en ziele branden!
Linecol
Mijn hart
En met gespannen wieken hangt hij zwevend, De Sfynx, op geuren, boven de' open mond Der blonde bloem, en in den diepsten grond Der keel wringt hij de tong, naar honing strevend; En de elzen, waar zich 't geiteblad door wond, Omhelzen 't stoeiend paar, van vreugde bevend, En hen omhelst de Nacht, een wade wevend Van zilver, die om boom en bloem zich rondt. En voor heur honing koopt de bloem zich kroost; En voor 't bevruchten koopt de vlinder honing, Wanneer het duister met het maanlicht koost: Zoo wisselen zij giften en belooning, 't Geluk ontkiemt uit droefenis en troost - Mijn hart! Mijn hart! zo wil de minbetooning...
Linecol
Kupris in 't woud
Het woud, geworteld in de dorre blren, Spreidt lommer met zijn loovers over 't mos, En zijner bronzen armen tempeltrots Wijdt honderd esmeralden zode-altaren: Om steen en stronken waaiert zich de varen, Zefier kust geuren uit de rozen los, En door het heilig, hemel-schragend bosch Schijnt wellust-ademend een god te waren: 't Is Kupris, wie de mirt en roze kransen, Wie maneschijn van leest en boezem licht, Wier lokkend oog in 't hart verlangen lacht, - En zeven duiven zwermen in heur glanzen, - De zode zwelt, waar zij heur schrede richt... Wee mij! ik zie Mathilde in Kupris' pracht!...
Linecol
De roos
Een zaadje - een loovertwijg - gij zijt verrezen, O, volle, reine roze, op slanken stengel, - En 'k heb u lief, en, bij uw zoet gebengel Op de' uchtendwind, tril ik van huivrend vreezen: Uw schoonheid doet mij bidden tot den engel Der bloemen, dat ge altijd zoo schoon moogt wezen, En bij uw sterven staar ik als verwezen, Wijl ik in dooden dauw mijn tranen mengel: Ik juichte, toen gij wierdt en waart, en weende, Toen gij ter aard vielt: 'k overzie uw leven, Dat mij door kleur en geur genot verleende; Ik dank voor alles, wat gij hebt gegeven... Doch waarom klopte 't hart mij, toen ik meende, Dat ik Mathilde en liefde in zag sneven?
Linecol
Vrij
De lauwe wind zweeft aan op loome zwingen En spartelt door de loovers der abeelen, Die ritselend de zonnestralen streelen, En 't water en zijn hellen glans bezingen. Hoor! hoe in 't veld de leeuweriken kweelen! In de' oofthof, waar de geuren 't al doordringen, Daar zwerven met haar mee de zwervelingen, De vlinders, die om bloem en bezie spelen. Mijn ziele zwerft als zij, maar kan niet vinden. Zij ziet, hoe alles zich door iets voelt binden, En voelt zich vrij.... De rijpe vrucht, gespleten, Bij 't smakken in het zand, is vrij. We ontvangen Den dood, terwijl we 't vrije Zijn erlangen: Ik kan, ik kn Mathilde niet vergeten!
Linecol
Herdenking
"lndien ge een ander waart," heeft zij beleden, "Voorwaar! ik had mij anders dan gedragen... - Maar, toen u de eerste maal mijn oogen zagen, Moest ik met vriendschap reeds u tegentreden." Ik hoor dien lach en zilv'ren woorden heden; Hen kende ik twintig jaar in luttel dagen... De borst zwelt, bij 't herdenken, van behagen, Dat liefde en schoonheid mij haar minnen deden. Zij heeft gevoeld, hoe anders ik beminde, Dan honderd, die zich smeekend voor haar bogen; Mijn eerbied eerde ze als een welgezinde. Thans zal ik weder haar aanschouwen mogen, En tot den stond, dat ik haar wedervinde, Zweeft ze als een star, die leidt, voor biddende oogen...!
Linecol
De afgrond
Hoe kan de zon het droeve vroolijk maken! De hoogte, ruig van rotsen, glanst en lacht, - Daar krast een raaf, en duizenden ontwaken, Want duizend echoos houden er de wacht: Nu wenkt de top! nog ens met alle macht Beproefd, door 't net van doornen te geraken... O, God! ik duizel: dar - daar gaapt de Nacht, Daar spalkt het ijle de versteende kaken...! Mij huivert! In de diepste diepte ontwaren Mijn spiedende oogen 't grondelooze Niet, Waar Nacht en Stilte in kille omarming paren; O, Leven, dat in de eeuwigheid vervliet! O, Liefde en Dood! mijn oog blijft op u staren, Dat wel uw duister, niet uw bodem ziet!
Linecol
Storm
De storm loeit door den hollen bouwval - gierend Beukt hij en brokt, met vuisten reuzesterk, En golft door 't riet in 't water, dat hij, tierend, Opzwalpt en nerklotst met zijn stalen vlerk; Dan, woester woede nog de toomen vierend, Schiet hij de zwarte wolken in van 't zwerk, En wringt ze sam, ze met zich mede-slierend Langs 't aangezicht der maan, waar 't vale merk Der angst op ijst. - En, wen die storm-omnachte Bleek in 't omrotste meer blikt, deint haar 't hoofd Strak aan, dat stille Dood wenkte uit het leven... Zoo stormt het door mijn borst, waar de gedachte, Spokend met steenen blik, de liefde dooft, Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven.
Linecol
Zegen mij
Gij, zachtheid, waar de vrouw op oogen moet! Uw beeld zal nimmer uit mijn boezem wijken, En zich er spieg'len, als in 't beekje uw voet Uw voetje, waarlangs heen de vliet kwam strijken. Gelijk het Goede zult gij voor mij prijken, Dat, schoon, zijn minnaar voor het kwade hoedt. De vrouw, die 'k minnen zal, moet lijken. Opdat ze in har mij beminnen doet. Beminde een ieder, wat ik min in , De wereld waar' gelukkiger dan nu: Met zachtheid zou men 't ruwe en harde aanschouwen. Waart gij het ideaal van alle vrouwen... Nooit streefde een vrouw haar roeping dan voorbij! De zegen Gods verzelle u! De uwe mij!
Linecol
Wederzien
Wie zou dat loover-hutje samenvoegen In rozen-armen, waarin geuren wonen...? De jonkman fluistert, purper op de koonen, En zij tuurt, zonder zien, naar 't boezem zwoegen; Hij kust de handen, die om kussen vroegen, Al warrend door de lokken, die hem kronen; Ik zie zijn lippen door haar lippen loonen, En in het scheemrig hutje lacht genoegen. Mathilde! ik zie u weder, vreugde-dronken: Gevoelend, dat geen scheiding ons kan scheiden Groei ik in uw geluk, meer dan gij beiden. Gij zijt de mijne: uw lach, uw liefde, uw lonken. Uw schoonheid blijft hierbinnen glanzen spreiden, Waar ge, als de zon in zee, in zijt verzonken!
Linecol
Laatste aanblik
Nu voort! Ik zag haar wer, maar om te ontdekken, Dat werzien zien is, wat ik altijd zie. Lang bleef aan haar de blik gekluisterd, die Ten elken tijde rust op hare trekken: Steeds toeft zij, waar ik ben: nooit is er, wie Een liefde, minder hoog, in 't hart kon wekken, Dat, in dien gloed gelouterd van zijn vlekken, Vereend met schoonheid, werd tot pozie. Mathilde, o, mijn Mathilde! nimmer zult Gij, die niet mensch meer zijt, u blozend schamen. En staren op uws dichters blos van schuld: Gij gloeidet met mijn gloeiend hart te zamen, Van blijft altijd mijn gemoed vervuld: U zal ik loven onder duizend namen!
Linecol
Vaarwel
Vaarwel! geliefkoosd land vol liefdeleven, Waarin ik leefde voor de liefde, en zij, Die mij de liefde heeft in 't hart gedreven, Het leven liefde! 't Leven gaat voorbij, De liefde blijft. Verliet de liefde mij, 'k Gevoelde mij aan 't leven ook ontheven - Een liefde, wortlend in het lentetij, Is ieder in zijn winter bijgebleven. Mathilde! u zal ik roepen: gij zult zwijgen... U willen aanzien, en in 't ijle staren, En u niet vinden, waar ik uren zocht! Toch zal onze adem naar n hemel stijgen!... Deez' linde zal me uw lieven naam bewaren - lk dank u, dat ik, lieve! u lieven mocht!
Linecol
Kalliope
En driewerf kruiste ik de armen, driewerf drukte lk niets, en niet de blonde Muze er in, En tot mij sprak de stralende godin, Toen zij ten kus zich naar mijn voorhoofd bukte: "Ik zond de vrouw tot u, die u verrukte... Ik zeide u 't aan: gij mindet met een min, Zo vol aanbidding, zoo vol vromen zin, Dat ze u aan al, wat haar niet was, ontrukte. Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar! Ge aanzaagt... ge aanbadt - u trok, wat is verheven: U daagde een schoonheids-ideaal in haar. Toen zaagt ge wer, naar wat ge aanbadt, gedreven: Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar; 't Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!"
Linecol
Aan Mathilde II
Aanbidt de mensch een afgod hem gelijk? 'k Aanbad. Gij hebt mij tot u opgeheven, En 't arme hart werd duizend levens rijk; Want, waar ik leven zag, schonk ik mijn leven; En voor uw blik nam engte en tijd de wijk, - Driest moest mijn ziele in de eindeloosheid zweven, En rustig werd ze als 't blauwe hemelrijk, Waarachter duizend starren wentlend streven: De vogel zweeft, en zingt, wanneer hij ziet Ter vlucht omlaag, waardoor hij 't hart voelt treffen, En zucht, en traan, en blijde lach wordt lied: Zoo zong ik, wat verblijdde of heeft gesmart... Mathilde! ik ween van weelde bij 't beseffen: Ik drukte in u een ideaal aan 't hart!

Uit Nagelaten Verzen' van Jacques Perk
(Mathilde-Cyclus). Verschenen in 'De Nieuwe Gids'
Jaargang 9 (1894).


Naar boven

Jacques Perk
Sonnetten, het lange gedicht Iris
en korte biografie


Sonnet van Mathilde Thomas
met hertaling van Jacques Perk


Jacques Perk
Nagelaten Gedichten


De tachtigers


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 17-07-2006.
Laatste wijziging: 18-09-2017.

E-mail: webmaster