
|
Het gedichtEr slaapt een gedicht in mijn geestDat heel mijn ziel openbaart. Ik voel het vaag als gerucht en wind Al definitief gevormd en gebaard. Het heeft geen ritme, rijm of woord. Al bestaat het niet, toch blijf ik dromen en trachten. 't Is een soort gevoel, een waas, En niets anders dan een blije mist rond gedachten. Dag en nacht met mijn mysterie Droom ik en lees en ontrafel het elke stond, Want woorden spelen hoog spel in mij Hun vage volkomenheid waart rond. Ik weet dat het nooit wordt geschreven. Ik weet ik weet niet wat het is. Toch is er over dromen, mijn leven, Omdat geluk, zelfs ingebeeld, geluk is.
IntervalWeg, heel ver weg,Ver weg van hier... Is er geen zorg na plezier En nergens asiel, Ver weg van hier. Haar lippen waren niet bloedrood, En haar haren niet van goud. Haar handen die met ringen speelden En mijn handen die dit niet deelden, Want haar handen speelden met goud. Zij is aan iets voorbij, Heel ver weg van pijn. Hoop noch vreugde maken haar blij; Bemin haar niet vergeefs, Noch kom op haar domein. Misschien eens op een dag, Tussen schaduw en licht, Dat zij weer aan mij denkt En mij verrukking schenkt Heel ver weg uit het zicht. Alentejo gezien vanuit de treinNiets met niets er omheenEn hooguit een boom of vier; Niet echt groen, noch fris En geen rivier of bloem of lis. Als er een hel is, dan is ze hier. Waar anders, dan in deze verdommenis ?
Wanneer ik aan het raam zit, Door de ruiten, die de sneeuw bevlekt, Zie ik lieflijke beelden, de hare, als Zij langskomt... langskomt... voorbijgaat... Verdriet heeft mij bedekt met haar sluier:- Een schepsel minder in deze wereld En een engel meer in de lucht. Wanneer ik aan het raam zit, Door de ruiten, die de sneeuw bevlekt, Denk ik dat ik het beeld zie, van haar, Dat nu niet langskomt... niet langskomt...
Omtrent de steenDe steen ging uit, gekleed als een man.Op het feest, danste de steen. 's Avonds laat in het park, drukte de steen zijn mond op de vochtige grond. De steen weende niet, maar af en toe vulden zijn grijze handschalen zich met tranen. Hij droeg een stok om de wolken weg te slaan. Hij droeg een spiegel om niets te vergeten. Toen hij de vrouw had gezien, kon de steen de wond niet helen of doen spreken.
Autopsychografie *De dichter veinst zo goed,dat hij het zelf geloven moet en zelfs zijn eigen pijn is veinzerij en schijn. En zij die hem lezen, voelen de beschreven pijn, maar niet zijn dubbele pijn, die niet van hen kan wezen. Het speelgoedtreintje, als metafoor voor ons hart, blijft op zijn spoor en om ons af te leiden blijft het zijn rondjes rijden. © De vorige vertalingen zijn van Lepus
![]() |
|
Deze bescheiden freelance vertaler en handelscorrespondent was zeer introvert, manisch-depressief, verslaafd aan alcohol en in zekere mate ook schizofreen. Deze handicaps hebben hem niet belet om uit te groeien tot de belangrijkste Portugese dichter uit de literatuur van de twintigste eeuw. Naast zijn drie bekendste heteroniemen (Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Álvaro de Campos) zijn er nog tientallen `andere', waaronder Bernardo Soares, die 'Het boek der rusteloosheid' schreef. Pessoa bleef heel zijn leven vrijgezel en heeft alleen een platonische(?) relatie gehad met Ofélia Queiroz. Zij komt in 1919, als negentienjarige, werken op een van de kantoren waaraan Pessoa verbonden is. Er ontspint zich een levendige briefwisseling, gedurende negen maanden. In november 1920 zet hij een punt achter hun relatie. Negen jaar later is er een heropflakkering en wordt de briefwisseling een viertal maanden hervat. Zij deden echter meer dan brieven schrijven, want af en toe gingen zij wandelen, maakten tramritten en zoenden mekaar. In een interview zegt Ofélia, dat hij haar de eerste keer kuste als een waanzinnige (tijdens een stroompanne), maar dat hij zich niet echt wou engageren. Alle bronnen zijn het er over eens, dat het waarschijnlijk nooit tot seksuele betrekkingen is gekomen. Pessoa verhuisde meermaals in Lissabon. Hij heeft ook een appartement gehuurd in de Rua Coelho de Rocha, 16, samen met zijn moeder en zijn halfzuster Henriquetta. Hij bleef er wonen tot hij stierf aan levercirrose. Zijn literaire nalatenschap bestaat uit meer dan 27.000 manuscripten (op papiertjes, caférekeningen, enz.), die na zijn dood gevonden werden in zijn legendarische 'kisten'. Tijdens zijn leven is slechts een gering aantal van zijn Portugese gedichten in boekvorm uitgegeven (Mensagem, 1934). De rest werd opgenomen in literaire tijdschriften of is postuum verschenen. Vermeldenswaard is, dat hij in 1918 ook twee engelstalige dichtbundels publiceerde, namelijk 'Antinous' en '35 Sonnets'. Zij werden toenmaals door de critici niet hoog aangeslagen. ![]() |

