|
DIE OGEN BIJ DE DOOD VAN MADONNA LAURA SONNET XII SONNET CXXXIV |
Die ogenDie ogen gloedvol door mij beschreven,die armen, handen, voeten en gezicht, waardoor ik vaak innerlijk werd ontwricht en met geen mensen kon samenleven; Krulharen met filigraan geweven, die zoete glimlach op mij gericht, in een verloren paradijs gezwicht, waar elk goed gevoel werd prijsgegeven. Zo leef ik, vol woede en levenswee, zonder haar uitstraling die ik aanbad, toen mijn schip leksloeg op de levenszee. Ga weg, liefdeslied, uit mijn gedachten, nu de gave verdween die ik bezat; Van nu af aan bral ik jammerklachten. ![]() ![]() Bij de dood van Madonna LauraOwee mooi gelaat, owee zoete ogen,Owee lichaamstaal, bekoorlijk en vol kracht ! Owee stem, die vervuld was van mededogen En het beste in iedereen naar boven bracht ! Owee zoete glimlach die de pijl afschoot, Die mij tot in het diepste heeft geraakt ! Verheven ziel, die heerste bij leven en dood, Maar haar queeste voor altijd heeft gestaakt ! Van kleur hebt u haar mooi gelaat beroofd En het licht in die prachtige blik gedoofd; Die hechte liefde geestelijk verbonden, Hebt u, Dood, meedogenloos ontbonden. U kwam mij bestelen en bedreigen En toen die hemelse stem moest zwijgen, Huilde ik en had nergens interesse voor; Ik baal van alles wat ik zie en hoor. P.s.: De eerste twee kwatrijnen behoren tot sonnet nr. 267 en de twee laatste kwatrijnen maken deel uit van sonnet nr.283 ![]() ![]() Sonnet XIIAls mijn bestaan zolang bestand mag zijn tegen mijn verdriet, mijn bitter lijden, dat ik beleef hoe, door de kracht der tijden, Vrouwe, geen glans meer in uw ogen schijnt, hoe uw fijn gouden haar naar zilver gaat, hoe ge geen guirlandes meer zult dragen en ik niet waag over mijn leed te klagen als ik de bleekheid zie van uw gelaat, dan geeft het liefdesverdriet mij zo’n moed dat ik de waarheid niet meer zal ontvluchten, de jaren noem, de dagen en de uren; al zal ‘t te laat zijn voor verlangen zoet, dan zal toch niet aan wat ik moet verduren de troost ontzegd zijn van uw late zuchten. ![]() ![]() Sonnet CXXXIVIk vind geen vrede en ik kan niet strijden,ik hoop en vrees, ik brand en ben van ijs, ik zweef omhoog en ik lig verstijfd te lijden, ik bemin de wereld, die ik misprijs. Ik ben verlost en kan me niet bevrijden, ik heb een houvast en raak toch van de wijs, ik voel me levend en gestorven beide: ach, liefde is zowel hel als paradijs! Ik zie verblind, ik schreeuw en kan niet praten. ik haat mezelf en hou van iedereen, ik roep om hulp en wil het leven laten, ik huil van vreugde, ik lach terwijl ik ween, leven en dood, wat kan het mij baten: en dit, lieveling, komt door jou alleen.
In sonnet CXXXIV maakte Francesco Petrarca meesterlijk gebruik van het 'oxymoron' ![]() |

