De Rederijkers


Blazoen van de Brusselse rederijkerskamer 'Den Boeck'

Zuidelijke Nederlanden

'Rederijker' is een volksetymologische vervorming van 'rhetoriker', ontleend aan het Franse 'rhétoriqueur'.
Ook de benamingen ‘retrosijn' en 'rhetoricien’, komen reeds voor in in het midden van de veertiende eeuw..
Rederijkerskamer is dan weer afgeleid van ‘Cameren van rhetorike’,

De ontstaansgeschiedenis

In Frans Vlaanderen (toen Artesië) waren misschien reeds in de twaalfde eeuw en zeker in de dertiende eeuw
broederschappen ontstaan, die aan de H. Maagd gewijd waren, onderandere de in 1229 opgerichte Confrérie
Notre Dame du 'Puy’ te Valenciennes.
In het begin van de 13e eeuw stichtten rijke Atrechtse (Arras) burgers culturele verenigingen, de zogenaamde
'puys' (afgeleid van Notre Dame du 'Puy’). Later werden ze 'Chambres de Rhétorique' genoemd.
Ze bevorderden de burgerlijke dichtkunst en toneelkunst en waren zeer actief in Artesië*.
De 'Puys d'Amour' uit de 14de eeuw hielden zich vooral bezig met lyrische poëzie.
Ook in Doornik werd in 1280 een puys vermeld. Deze 'puys' waren dus ontstaan uit geestelijke broederschappen
en hadden ook invloed ondergaan van de trouvères. Ze waren een voorbeeld voor de eerste rederijkerskamers
in Vlaanderen en Brabant. Ook de Schuttersgilden die al bestonden vanaf het begin van de 13de eeuw
deden hun duit in het zakje van de rederijkerij.
De oudste rederijkerskamer in Vlaanderen was ‘Alpha en Omega’ uit Ieper.
In Holland kende de rederijkerij zijn hoogtepunt vooral tijdens De Gouden Eeuw. Heelwat kamers werden
toen gesticht door uitgeweken Vlamingen en Brabanders uit het Zuiden.
Na de Spaanse furie en de val van Antwerpen was de glorietijd van de rederijkerskamers in De Zuidelijke
Nederlanden voorbij.
De hertog van Alva en zijn Bloedraad traden niet alleen streng op tegen de oppositie en de reformatie,
maar ook tegen de kritische rederijkers. Honderden mensen werden terechtgesteld en vele duizenden
werden verbannen.
Jaren later, toen de toestand zich enigszins normaliseerde, probeerden de moedigste rederijkers opnieuw
enige activiteit te ontplooien. De Raad van Vlaanderen bepaalde echter in augustus 1593 dat het verbod
van kracht bleef. Sommige kamers gehoorzaamden en stopten met ‘de const van Rhetorica’ maar bleven soms
als zuiver kerkelijke gilden bestaan.
Tijdens het bewind van Albrecht en Isabella werden de rederijkers weer gedoogd, al werden hun toneelstukken
onderworpen aan de censuur (1601). Voor elke opvoering was de voorafgaande goedkeuring van de plaatselijke
pastoor of gerechtsofficier vereist.
*Artesië (Artois): regio in het ancien regime, die gedeeltelijk overeenkomt met Nord-Pas de Calais Artois,
Artesië met zijn puys en trouvères, was ongetwijfeld de bakermat van de rederijkerij, maar ook in Engeland
en Vlaanderen zat men toentertijd niet stil. Dit blijkt ondermeer uit de 'Concordia Regularis' (ca.970) van Ethelwold,
bisschop van Winchester. Hij weidt uit over het religieus theater en beschrijft ondermeer een liturgisch drama
dat in de Gentse Sint Pietersabdij werd opgevoerd. Dit liturgisch theater lag aan de basis van de mysteriespelen
en de allegorische moraliteiten.
In Nieuwpoort bestond reeds in de twaalfde eeuw een vrome confraterniteit, 'dont les membres s'exerçaient
à faire "des rimes" en l'honneur de la Sainte Vierge.'

In 1373 bracht de baljuw van Oudenaarde verslag uit over twee steekpartijen en een handgemeen met zeven
betrokkenen, 'twelke al gheviel int 'Spel van Strasengijs'.
Dit is de oudst bekende vermelding van een Middelnederlands wereldlijk toneelstuk, dat ongetwijfeld ook al
vóór 1373 werd opgevoerd.
Ook in Vlaanderen waren dus kiemen voor de rederijkerij aanwezig.

Enkele benamingen

In het begin van de vijftiende eeuw werden de rederijkers ‘gesellen van der kercke’, ‘gesellen van den spele’
of ‘gesellen van der conste’ genoemd. In de zestiende eeuw noemden zij zich ‘gesellen van der retorike’ en,
naar het Frans, ‘rhetorykers’ of ‘retorisienen’.

Belgium Foederatum (1543 - 1579)

Artesië was de bakermat van de rederijkerij. De rederijkers waren vooral actief in Vlaanderen, Brabant,
Zeeland en Holland.

De Verenigde Nederlanden in de Bourgondische Kreits* (1548)
De kaart geeft hier en daar een verkeerd beeld. Toentertijd dekte de benaming Limburg niet
dezelfde lading. Enerzijds bestond wel een hertogdom 'Limburg' aan de Vesder (ten N.O. van Luik)
en anderzijds 'Loon', dat ongeveer overeenkomt met de huidige Belgische provincie Limburg.
De benaming 'Limburg' voor de provincie werd ingevoerd door koning Willem I in 1815.
Luik-Loon* kende 'een relatieve autonomie' tot de Franse annexatie in 1795, want het behoorde
tot de Westfaalse Kreits.
Na de nederlaag en de dood van Karel de Stoute in de slag bij Nancy (1477) ging Picardië
deel uitmaken van Frankrijk.
*Luik had het graafschap Loon ingelijfd in 1366, omdat de laatste graaf van Loon geen mannelijke opvolger had.

* De Bourgondische Kreits

Bij zijn troonsbestijging in 1515 oefende Karel V gezag uit over de volgende 'Nederlandse' gewesten:
Holland, Zeeland, Henegouwen, Namen, Vlaanderen, Brabant, Limburg a.d. Vesder, 'Spaans' Overmaas
en Luxemburg.
Door het opkopen van vorstelijke rechten en door oorlog gingen ook de volgende gebieden deel uitmaken
van de XVII Provinciën: Doornik (1521), Friesland (1524), Neder- en Oversticht (1528), Artesië (1529),
Groningen, Drenthe (1536), Gelderland (Gelre) -Zutphen (1543) en als laatste Lingen (1547).
De Vrede van Kamerijk in 1529 en Het Verdrag van Augsburg (1548) bestendigden de Habsburgse
Nederlanden in de zogenaamde 'Bourgondische Kreits'.

De Nederlandse opstand, die in 1568 begon, resulteerde na enkele decennia in de scheiding
tussen de Noordelijke- (Zeven Verenigde Provinciën) en de Zuidelijke Nederlanden.

Organisatie van de rederijkerskamers

De rederijkers organiseerden ommegangen, grote stoeten, refereinfeesten en 'landjuwelen'.
Elke rederijkerskamer koos een patroonheilige en een kenspreuk. Het bestuur van een rederijkerskamer bestond
uit een hoofdman, bijgestaan door dekens. De ‘prins’ -soms ook 'keizer'- was meestal een vooraanstaand persoon,
die initiatieven nam op artistiek gebied. Voor de literaire activiteit van de rederijkerskamer was de 'factor' (=dichter)
verantwoordelijk. Tenslotte waren er ook een fiscaal of penningmeester, een bode en een nar of zot.
De meest prestigieuze kamers werden ‘hoofdkamer’ genoemd. Voor de Vlaanders waren dat ‘Alpha en Omega'
in Ieper en ‘De Fonteine’ in Gent. Voor Brabant nam ‘Die Rose’ van Leuven het voortouw, terwijl ‘De Goudbloem’
te Sint Niklaas hoofdkamer was van het land van Waas.
De hoofdkamers gaven de toon aan en oefenden een soort patronaat uit. Zij bevestigden ondermeer de stichting
van nieuwe kamers.

Rederijkersref(e)rein

De rederijkers namen vooral de Franse literatuur als voorbeeld. Hun ref(e)rein komt overeen met de ballade,
zoals deze in Frankrijk sedert de 14de eeuw in zwang was.
De rederijkersgedichten bestaan meestal uit vier strofen, met aan het slot van elk ref(e)rein een stock*
(=ongewijzigde regel) of prince**
Rederijkersrefreinen waren meestal niet bestemd om gezongen te worden.

* Stock (keervers): Repeterende slotregel(s) die iedere strofe van een strofisch gedicht afsluit(en). De stockregel
is een kenmerkend verschijnsel in de ballade of het ref(e)rein van de rederijkers. Hij bevat de kern of het thema
van het gedicht.
** 'Prince' is een synoniem van 'stock'. Beide termen komen overeen met de Franse 'envoi' (opdracht).

Dichtvormen

Op de eerste plaats was dus het ref(e)rein of ballade populair. Zij beoefenden ook andere dichtvormen
zoals het rondeel(1), het ketendicht(2), het ABC-gedicht(3), de retrograde of kreeftdicht(4), het achrosticon(5)
het schaakbord(6) en het aldicht(7).

(1)Het rondeel is een dichtvorm waarin hele regels herhaald worden en waarin maar twee rijmklanken voorkomen.
Meestal telt het rondeel acht versregels. De regels 1, 4 en 7 zijn dan aan elkaar gelijk evenals de regels 2 en 8.
Als een rondeel bestaat uit twaalf of dertien regels wordt het rondeau genoemd. Dan zijn meestal de regels 1, 7
en 12 of 13 dezelfde evenals 2 en 8.
(2) Het ketendicht is een rijmvorm waarbij het slotwoord van de ene regel rijmt op het beginwoord van de volgende.
(3) Eerste regel begint met A, tweede regel met B, enz.
(4) Een retrograde is een gedicht dat zowel van voor naar achteren als van achter naar voren kan worden gelezen.
(5) Een acrostichon (ook: naamdicht of lettervers) is een gedicht waarvan de eerste letters van iedere regel
of strofe, achter elkaar gelezen, zelf ook een woord of zin vormen.
(6) Het schaakbord is een versvorm, waarbij in elk der vierenzestig vakjes van een schaakbord een regel
wordt geschreven, die men op verschillende manieren kan lezen.
(7) Het aldicht is een rederijkersgedicht waarin van iedere twee versregels alle woorden rijmen.
Voorbeeld:
   Voort, zijt niet moe,
   wilt nu gaan verzinnen,
   Hoort, swijt, ziet toe:
   stilt, wi gaan beginnen.

Landjuwelen

Landjuwelen waren literaire wedstrijden (toneel en verzen) tussen kamers uit vele gewesten.
De organiserende kamer van een landjuweel stuurde een kaart (=brief) naar de kamers die men wilde uitnodigen.
Deze kaart beschreef de opdrachten en welke prijzen (meestal zilveren schalen) er te verdienen vielen.
Het oudste landjuweel had plaats te Doornik in 1394. Er zijn echter zeer weinig gegevens over, zodat het ook
een schuttersfeest kan geweest zijn. Het eerste landjuweel waar meer over gekend is, werd gehouden te Oudenaarde
in 1413. Dan volgden Veurne (1419), Duinkerke (1426), Brugge (1427), Mechelen (1427), Leuven (1518),
Diest (1521), Brussel (1532), Mechelen (1535), Gent (1539), Diest (1541), Antwerpen (1561), enz.
Tussen 1431 en 1620 werden meer dan 60 landjuwelen georganiseerd. Ze groeiden uit tot feestelijkheden
die dagen en soms zelfs weken duurden. Meestal daagden er kamers op uit Noord en Zuid. Op het landjuweel
van Antwerpen in 1496, waren behalve kamers uit het Zuiden ook Reimerswaal en Amsterdam aanwezig.
Vermeldenswaard is ook, dat er een nauwe samenwerking bestond tussen Brugge en Rijsel. Rijsel organiseerde,
net als Brugge, een jaarlijks tornooi, namelijk de 'Espinette'*.
Ieder jaar in februari kwam een Brugse delegatie naar Rijsel om er aan het toernooi deel te nemen, zoals ook
inwoners van Rijsel deelnamen aan het jaarlijkse Brugse 'toernooi van de Witte Beer' dat in mei plaats vond.
Het jaarlijkse steekspel van laatstgenoemd gezelschap vormde telkens aanleiding tot feestelijkheden
waaraan ook Brugse dichters hun bijdrage leverden.
Ze schreven esbattementen die werden opgevoerd, droegen lofdichten voor en deden verslag van dit alles
in kronieken. Het laatste landjuweel ging door te Mechelen in 1620.
(bron DBNL)
*L'esbattement des nobles Roys d'Espinette

Rederijkerskamers in de Zuidelijke Nederlanden

Vlaanderen:
De grote steden hadden meestal meerdere rederijkerskamers.
In Vlaanderen was 'Alpha en Omega' (°1455) uit Ieper de oudste.
   Haar zinspreuk was 'Spiritus ubi vult spirat' (De geest waait waarheen hij wil).
   De andere Ieperse kamers waren 'De Rosieren' en 'De Korenbloem'
Tielt: 'Sint Jan-Baptist (°1462) en 'Bespoeit dat bloeit' (°1551)
Diksmuide: 'De Heilige Geest' (°1424). Volgens DBNL °1613. Er waren
   meerdere kamers in Diksmuide, onderandere De Royaerts (°1473)
Veurne: 'De Sorgeloosen' (°1424) verenigde zich in 1530 met de Veurnse
   kamer van 'St. Barbara'
Kortrijk: 'St. Barbara' (°1427) en 'Het Heilig Cruus' (1451)
Brugge: 'De Heilige Geest' (°1428) en 'De drie Santinnen' (°vóór 1500),
   waar Eduwaert de Dene factor was.
Nieuwpoort: 'De Doornecroone' (°1443). Met als zinspreuk
   'Van vroescepen dinne'
Roeselare: 'De zeegbare Herten' (° 1494)
Menen: 'De Barbaristen' (°1486) met als zinspreuk 'Wij hoppen bruers'
Deinze: 'De Nazarenen' (°16e eeuw)
Gent: hier ontstonden in de loop der eeuwen wel een dozijn kamers,
   maar slechts een vijftal gezelschappen zijn echt van belang geweest:
   'De Fonteine' (°1448), 'Sint Barbara' (°1468), 'Sint Agnete'
   of 'De Bodemloze Mande' (°1471), 'Maria ter Eere' (°1478)
   en 'De Balsemblomme' (°1493)
Ninove: 'De Witte Waterrosen' (°1452)
Aalst: 'De Catharinisten' (°1464) en 'Sint Barbara' (°1540),
   met als devies 'Vicit vim Veritas'
Dendermonde: 'De Rosiers' (°1478)
Oudenaarde: 'Pax Vobis' (°1471), 'De Heilige Geest' (°1478)
   en 'De Doornecrone' (°1490). Naast de twee officieel erkende rederijkerskamers
   waren nog enkele andere toneelgezelschappen actief (meestal aangeduid als 'scole'),
Pamel (Oudenaarde): 'De Kersouwe' (°1471) met als devies 'Jonst souct const’.
   In 1556 werd het reglement goedgekeurd door de magistraat van Pamele.
   Onder het blazoen van Pax Vobis ging de kamer naar de wedstrijd in Gent in 1539.
   Zij nam deel aan de wedstrijd georganiseerd door De Corenbloem in Brussel in 1562.
   In 1567 werden de Oudenaardse kamers gesloten. In 1571 werd opnieuw een verbod
   uitgevaardigd. Toch namen de twee Oudenaardse kamers deel aan de refreinwedstrijd
   in 1574 in Antwerpen. In 1582 gingen de kamers opnieuw dicht en in 1593 werd er
   een algemeen verbod op rederijkersactiviteit in Gent en de kasselrij Oudenaarde
   uitgevaardigd. In 1609 mochten de 2 kamers weer optreden. De Kersouwe nam in 1613
   deel aan een wedstrijd in Haarlem.
   Matthijs de Castelein is factor geweest van de twee voornaamste Oudenaardse kamers.
   Variante benamingen: 'Retorike van Pamele' (1468-1471); 'De Kersauwe' (1472-1556);
   'Kerssouken' (1562); 'De Kersouwe' (1613).
   P.S. Het middeleeuwse stadje Pamele werd in 1595 bij Oudenaarde gevoegd.
Ronse: 'De Wijngaardeniers', met als zinspreuk 'Naer aerbeyt compt ruste'
   en de tweede Ronsense kamer 'Laus Deo' (°1507)
Sint Niklaas: 'Gheselscap vande Gaudtblomme'(°ca. 1491)
Halewijn (Halluin): 'De Rethorycke van Halewijn' organiseerde een wedstrijd in 1546
   waaraan o.a. 'De Nazarenen' van Deinze deelnam. De 'Rethorycke van Halewijn'
   nam in 1547 deel aan een wedstrijd in Nieuwpoort. In 1560 traden zij ook op
   tijdens een rederijkerswedstrijd in Diksmuide.
Ruibroek (Rubrouck): 'Het Sacrament' (°1532), met als devies 'Alleven groene'
Belle (Bailleul): 'De Gheltshende' (°1531) en 'Jong van herten' (°1530).
   Volgens de archieven zijn er in Belle 'vyf rethorike' actief geweest,
   o.a. 'De Spaderijken'. 'De Gheltshende' en 'De Spaderijken' nemen in 1786
   deel aan het landjuweel van Winoksbergen.
Winoksbergen (Bergues): 'De Royaerts' (°1516)
Hazebroek (Hazebrouck): 'Sint Anna', gheseyt 'Ghedienstigh in ’t werck’ (°1526)
Duinkerke: In 1584 werden de Duinkerkse rederijkerskamers afgeschaft
   door de hertog van Parma. Enkele decennia later werd 'Het Kersouwken'
   (=madeliefje) opgericht. De patroon was de H. Michael en de zinspreuk
   luidde 'Verblydt in den tydt'.
   De chirurgijn (arts) Michiel de Swaen werd in 1687 benoemd tot 'prince'.

Spijtig genoeg werden Duinkerke, Belle, Ruibroek, Winoksbergen en Hazebroek, kortom
   alle Vlaamse steden en dorpen 'over de schreve', in de loop van de volgende eeuwen verfranst.

Brabant:
Antwerpen: 'De Violieren' (°1400), 'De Goudbloem' (°1488) en 'De Olyftack'
Lier: ‘Het Jenettebloemken’ (=lychnis diurna)
Mechelen: 'Het Boonbloemken' (°1518) en 'De Peoene' (°1471), met als devies
   'In principio erat verbum - In den beginne was het woord'.
   'De Peoene' werd in 1617 heropgericht door de aartshertogen Albrecht
   en Isabella. In 1620 organiseerde de kamer een grote wedstrijd waaraan
   zowel kamers uit de Zuidelijke als de Noordelijke Nederlanden deelnamen.
   De derde Mechelse kamer was 'De Lisbloem' (1510),
   In 1510 namen de 'Gesellen van der Lysbloemen' deel aan het landjuweel
   in Herentals, samen met de andere Mechelse kamer 'De Gheraepte Loeten' (°1478).
   Beide kamers zijn daarna waarschijnlijk gefusioneerd... 'De Lischbloeme'
   nam ook deel aan het landjuweel (spel van sinne) in Antwerpen (1561).
Vilvoorde: 'De Goubloem' (°1524), met als zinspreuk 'In liefden groeyende'
Brussel: 'Den Boeck', 'De Corenbloem' en 'Mariacranske-De Wijngaard'
Leuven: In 1490 nam 'De Pensee' deel aan een wedstrijd in Lier. De kamer nam deel
   aan het landjuweel in Antwerpen in 1496, aan het landjuweel in Mechelen in 1515
   en aan dat van Diest in 1521. De kamer kreeg in ca.1547 hetzelfde statuut
   als De Roose (°1448) en De Kersouwe (°1479).Op het einde van de zestiende eeuw
   was 'De Pensee' niet meer actief. De twee andere Leuvense kamers hebben de troebelen
   van de zestiende eeuw echter wel overleefd.
Tienen: 'De Corenbloeme' (°1481) en 'De Fonteine'(°1539) met als zinspreuk:
   'Filivs mevs dilectvs, fons gratia vite et misericordie'
Aarschot: 'Het Terwenbloetsel' (°1518)
Diest: 'De Lelie' werd volgens de ene bron gesticht in °1403 en volgens DBNL in °1470.
   Uit de ledenlijsten (vanaf 1578), kan men afleiden dat de kamer van dan af bestaan
   heeft tot het einde van het Ancien Régime.
   Tenslotte 'De Christusogen' (=lychnis coronaria).
Zoutlleeuw: 'De Lelikens uuten Dale' met als zinspreuk: 'Ionst voer const' (1561).
   De 'rethores' worden voor het eerst vermeld in de stadsrekeningen van 1505.
   Zij namen deel aan de landjuwelen van Brussel (1532), Diest (1541)
   en Antwerpen (1561).

Loon (nagenoeg Belgisch Limburg):
Borgloon: 'De Goutbloeme' (°1561) vergaderde in het Grevenhuis (het huidige stadhuis).
   Het devies was ‘Loon versoet arbeydt, arbeydt versoeckt loon’.
Hasselt: 'De Roose' (°ca.1500)
   De rederijkerskamer De Roode Roos ontstond als opvolger van de St.-Annagezellen,
   die toen al enkele jaren een mysteriespel opvoerden tijdens de processies.
   Uit historische documenten blijkt dat de kamer gesticht werd tussen 1495 en 1505.
   Als devies koos men “Hitte Vercoelt” en als patrones O.L.V. Presentatie.
   De Langeman, de oudste Hasseltse reus die al in 1497 vermeld werd, was eigendom
   van De Roode Roos. De rederijkers namen hem over van de smeden (ca. 1515).
   Ook bij de uitdeling van erwtensoep, een andere aloude traditie, waren de rederijkers
   betrokken.
   Tussen 1565 en 1575 zijn er geen sporen van rederijkersactiviteit in Hasselt,
   maar na 1585 werden opnieuw spelen opgevoerd tijdens de kermis.
   Voor WOII bleef De Roode Roos een belangrijke rol spelen in het cultuurgebeuren
   van Hasselt, vooral met haar harmonie en haar symfonieorkest.
   Ze bestaat nog steeds, maar haar publieke optreden beperkt zich tot de deelname
   aan de meiavondviering en de zevenjaarlijkse uitdeling van erwtensoep.
Sint Truiden: 'De Akelei' - 'Gesellen vander Oculeijen' (°1495) en de tweede Truidense
   'De Rozenkrans' ('Gesellen vanden Roosencrans') (°1495).
   "Op 30 maart 1522 besloten de heren en de stad van Sint-Truiden 'beijde die rethorijckers
   van der Acoleyen ende Rosencrans' te verbieden. Dit besluit werd ingetrokken
   op 31 augustus 1523. De kamer werd voorgoed afgeschaft in 1568 omwille van de tweedracht
   met De Rozenkrans 'ende meer andere pregnante redenen'.
   In de ordonnantie die op 23 april 1569 naar aanleiding van de troebelen werd uitgevaardigd,
   werd er uitdrukkelijk gestipuleerd dat er maar een rederijkerskamer meer mocht zijn
   en dat alle spelen die deze kamer zou opvoeren vooraf moesten gevisiteerd worden
   door de stedelijke overheid." (© Bron: DBNL)

P.S. Sint-Truiden was één van de Goede Steden van het prinsbisdom Luik en bevond zich
als een enclave in het graafschap Loon. Nadat dit laatste teloor ging, breidde Luik
zich in 1366 uit met Loon (ongeveer het huidige Limburg).

Zeeuws Vlaanderen
Hulst: 'De Transfiguratie' of 'De Hulstbloem' (°1483)
Sluis: 'De Distelbloem' (°1496) met de zinspreuk ‘Van 't oude nieuw’
Aksel: 'St. Barbara' (°1496)

° Stichtingsdatum of voor het eerst vermeld.
Sommige van de voorgaande rederijkerskamers bestonden maar enkele decennia, terwijl andere
het meerdere eeuwen volhielden.

Als je meer wil weten over bepaalde kamers in de Nederlanden, surf dan naar
DBNL rederijkerskamers
1400-1650
.

Beroerde tijden

Brussel ~ In 1507, onder de leiding van de stadsdichter Jan Smeken, smolten twee Brusselse rederijkerskamers
samen tot een nieuwe literaire vereniging, namelijk 't Mariacranske.
De nieuwe kamer koos voor verdraagzaamheid en samenwerking met het motto 'Minnelijk akkoord'.
Samen met de twee andere kamers, Den Boeck en De Corenbloem, gaven ze vorm aan het socio-culturele
leven van Brussel. Ze werkten mee aan optochten zoals de jaarlijkse Ommegang, maar ze namen ook deel
aan talrijke landjuwelen met eigen toneelstukken en gedichten .
Vermeldenswaard is de ommegang van 1549, die ondermeer bijgewoond werd door keizer Karel V
en Willem van Oranje
De bloeiperiode van de rederijkerij werd allengs verstoord door de bikkelharde repressie.
Desalniettemin bleef Brussel sterk hervormingsgezind. Op de Grote Markt in Brussel vond de eerste terechtstelling
van Lutheranen plaats in 1523. In de daaropvolgende decennia werden nog vele 'ketters' gedood. Onder hen
ook veel rederijkers, die zich bij de reformatie hadden aangesloten.
Volledigheidshalve moet vermeld worden dat de katholieken, na de overwinning van Willem van Oranje
en de 'calvinistische geuzen' in 1577, op hun beurt werden onderdrukt.
Na de herovering van Brussel in 1585 door de Spaanse troepen van Farnese, moesten de rederijkers
zich nog maar eens gedeisd houden.

Gent ~ Een mijlpaal in de betrekkingen tussen rederijkers en overheid is het rederijkersfeest te Gent
in 1539 geweest. Negentien kamers namen aan de wedstrijd deel. Uit Vlaanderen kwamen de rederijkers
van Brugge, Leffinge, Ieper, Mesen, Nieuwpoort, Nieuwkerke, Tielt, Axel, Menen, Oudenaarde, Kaprijke,
Kortrijk, Lo, St.-Winoksbergen en Deinze. Uit Brabant namen deel: kamers uit Antwerpen, Brussel
en Tienen. Uit Henegouwen: Edingen. Het refereinfeest had plaats op 20 april, de toneelwedstrijd tussen
12 en 23 juni. Elke kamer moest antwoord geven op de vraag ‘Welc den mensche stervende meesten
troost es’
. Verscheidene kamers uitten scherpe kritiek op de maatschappij en de kerk.
De hoofdprijs van de toneelwedstrijd ging naar Antwerpen, vóór St.-Winoksbergen en Tielt.
De Gentse drukker Joos Lambrecht zorgde voor de uitgave (op 31 augustus 1539) van de refreinen
en van de Gentse spelen. Deze boeken werden door de wereldlijke en kerkelijke overheid als een provocatie
beschouwd.
Niet lang na het feest (augustus 1539) brak in Gent een opstand uit tegen keizer Karel, waardoor hij
gedwongen werd naar zijn erflanden te komen. Gent werd streng gestraft en kreeg de nieuwe of Carolijnse
concessie opgelegd, een ordonnantie (10 juli 1540) die bestuur en rechtspraak ordende. Deze ordonnantie
verbood ondermeer de rederijkersspelen.

Antwerpen ~ De Sint-Lucasgilde verenigde zich in 1480 met de rederijkerskamer 'De Violieren'
('De violieren blomme'). Twee eeuwen later (in 1680) kwam een versmelting tot stand met 'De Olijftak'.
Ook in de scheldestad heersten, tijdens de 16e eeuw, censuur en repressie. Schoolmeester en rederijker
Pieter Schuddemate werd in 1547 onthoofd, vanwege een ballade over de wandaden van de Minderbroeders *.
De rederijkerij werd dus gemuilkorfd en durfde zich niet meer kritisch opstellen. Tijdens het pompeuze
Antwerpse landjuweel van 1561, werden de wereldlijke en geestelijke overheden dan ook nauwelijks
gecontesteerd.
'De Olijftak' was de enige Antwerpse rederijkerskamer die de 18de eeuw haalde.
* Ook de rederijker Jan Onghena werd in 1568 te Gent opgehangen wegens een dergelijk vergrijp.
In hetzelfde jaar onderging Heyndrik Adriaensz, factor van ‘de Pellicaen’ te Haarlem, dezelfde straf,
omdat hij een vers tegen de monniken had geschreven. De rederijker Willem Touwaert Cassererie werd
in 1558 op 80-jarige leeftijd te Antwerpen onthoofd, omdat hij verboden boeken bezat. (bron DBNL)
Ook Jacob van Middeldonck, deken van de rederijkerskamer ‘De Damastbloem’, werd in 1546
terechtgesteld omdat hij een ketters stuk had geschreven.
Op 4 januari 1558 onderging Frans Fraet, lid der Violieren en dichter van ‘hondert morale figueren’
hetzelfde lot, wegens het drukken van ‘diverssche seditieuse boecken’.

Mechelen ~ ‘Het boonbloemken’ uit Nekkerspoel maakte een crisis door in 1586 en verdween
van het toneel. Ook de belangrijke kamer ‘De Peoene’ geraakte op het eind van de 16de eeuw in verval,
maar kwam later (17e eeuw) weer tot betrekkelijke bloei. Ze werd afgeschaft door de Franse bezetter
in 1797 en terug opgericht in de 20e eeuw.
Het enige refereinfeest (1620) dat in de zeventiende eeuw hoge toppen scheerde in de Zuidelijke
Nederlanden, had plaats in Mechelen. Uit het Noorden, namen niet minder dan zes kamers aan de wedstrijd
deel, namelijk ‘De Oraengie-lely’ uit Leiden, ‘De witte Angieren’ en ‘De Wyngaertrancken’ uit Haarlem,
‘De Nardusbloem’ uit Goes, ‘De Goudsbloem’ uit Gouda en ‘De Balsembloem’ uit Haastrecht.
Ook uit Noord-Brabant namen twee kamers deel uit 'sHertogenbosch, evenals ‘De Vlasbloem’ uit Helmont
en ‘De Jonge Vreuchdenbloem’ uit Bergen-op-Zoom.
Verder daagden er drie kamers op uit Brussel en drie uit Antwerpen. Tenslotte waren ook Halle, Vilvoorde,
Asse, Diest, Aarschot, Lier, Geel, Mol, Arendonk, Turnhout en Brugge vertegenwoordigd met een kamer.
De vruchten van het Mechelse refereinfeest verschenen in druk met de titel ‘De Schadt-kiste der philosophen
ende poëten’, maar het Mechelsche aartsbisdom had de uitgave gecensureerd. De censor had sommige gedichten
laten verwijderen en andere 'doen aanpassen'. Hij was in het geheel niet blij met het vrij kostbare werk,
voorzien van blazoenen, omdat ‘veele in henne wercken de Philosophen boven de Christene leeraers
verkosen.’

De plakkaten

Vooreerst was er de Carolijnse ordonnantie van 10 juli 1540, die de rederijkersspelen botweg verbood.
Enkele decennia daarna volgden allerlei plakkaten die de activiteiten van de rederijkers bleven hinderen...
Zo werd in het begin van 1560 een plakkaat afgekondigd, waarbij esbattementen, kamerspelen en liederen
verboden werden, die een inhoud hadden ‘offenderende directelick oft indirectelick de catholijcke religie
ofte geestelicke persoonen.’

Verder moesten alle zinnespelen en vertoningen gecensureerd worden door de geestelijke overheid.
Een soortgelijk plakkaat verscheen ook in 1561. Ook het edict van 1584 dat de rederijkerskamers verbood
had niet het gewenste effect. Dit blijkt ondermeer uit het feit, dat de overheid telkens opnieuw moest optreden
tegen de rederijkerij.
In 1593 poogde men in Vlaanderen de cameren van Rhetorique terug meer vrijheid te gunnen, maar de Raad
van Vlaanderen, in aanmerking nemende ‘de groote abuusen, desordren, inconvenienten ende schandalen,
die hier voormaels daer duere zijn ghesciet,’
behield de bestaande verbodsbepalingen. In 1597 werd
het koninklijk plakkaat van 1560 hernieuwd.
Tijdens 'het Twaalfjarig Bestand' (1609 - 1621) werden heel wat rederijkerskamers heringericht!

Hun populaire refreinen en toneelstukken:


Den Wellustigen Mensch, Bliscappen van Maria, Die VIJste Blyscap van Onser Vrouwen,

Het spel van de V vroede ende van de V dwaeze Maegden, Boereklucht, Refreynen in 't amoureus,

Refreinen van Jan van Stijevoort, Spieghel der minnen, Een speel van drie minners,

Esbatement vanden Visscher, Elckerlyc, Marieke van Nieumegen, enz.

Vooral de laatste twee werken zorgden voor een verrijking van onze literatuur.

Bekende Zuid-Nederlandse rederijkers:


Anthonis de Roovere (1430-1482), Colijn van Rijssele (1430/40-ca.1500), Jan Smeken (ca.1450-1517),

Jan van Doesborch (1470-1536), Cornelis Everaert (1480/85 -1556), Matthijs de Castelein (1485-1550),

Anna Bijns (1493-1575), Jan van Steyevoort (1495-1576), Jan van den Berghe ( ? -1559),

Eduwaert de Dene (ca. 1506-ca. 1579), Marcus van Vaernewyck (1518-1569), J.B. Houwaert (1533-1599),

Lucas de Heere (1534-1584), Jacob Duym (1547-ca.1623), Willem Ogier (1618-1689), Barbara Ogier

(1648-1720)
en Michiel de Swaen (1654-1707).

*De priester-dichter Justus de Harduwijn (Gent, 1582 - Oudegem, 1636) wordt hier vermeld, omdat hij
lid was van de Aalsterse Catharinistenkamer. Met zijn poëzie stak hij met kop en schouders uit boven
de toenmalige rederijkers. Hij is vooral bekend met zijn dichtbundel ‘Weerliicke Liefden tot Roose-mond’.
Toentertijd werd hij door niemand in De Nederlanden overtroffen op het gebied van poëtische taalvaardigheid.

De invloed van de renaissance

Vóòr het midden van de zestiende eeuw bleven de rederijkers, volgens middeleeuwse traditie, vaak anoniem.
Toen de renaissance in de Nederlanden doorbrak, veranderden de filosofische en wetenschappelijke
opvattingen, maar ook de waarde van het individu. De rederijkers gingen er dan prat op zich te identificeren
en hun naam onder hun werken te vermelden.

Nawoord

De rederijkers hebben gedurende verscheidene eeuwen voor heel wat socio-kulturele activiteiten gezorgd.
In de ons omringende landen bestonden manifestaties zoals de ommegangen en de landjuwelen niet
met een dergelijke grandeur en luister.
Vooral in de zestiende eeuw was de kunst voor de rederijkers middel en geen doel. Met hun 'spelen van sinne'
wouden ze het volk onderwijzen en stichten.
Ze beoefenden drie genres: In 't vroede (ernstige poëzie), in 't amoureuze (liefdesgedichten) en in 't sotte
(komische en schunnige gedichten).
Hun maatschappijkritiek en hun deelname aan de reformatie heeft er mee toe bijgedragen dat de Roomse kerk
geleidelijk afstapte van sommige misbruiken.
De literaire stukken van de rederijkers waren meestal niet hoogstaand en waren doorspekt met Franse
woorden, maar desalniettemin hebben zij de Nederlandse taal met hand en tand verdedigd en gezorgd
voor de democratisering van de literatuur.


Naar boven

Harduwijn - Lof myns Liefs Haer-tros

De rederijkerskamers in de Noordelijke Nederlanden

Naar Bakermat


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 
© Gaston D'Haese: 14-08-2004.
Laatste wijziging 19-02-2017.

E-mail: webmaster