Iphone and smartphone optimized content

J.H. Leopold - Rubaijat
Rubaiyat *
  Omar Khaym (Nisjapoer, 1048 - 1123) 
Perzisch wiskundige, astronoom, 
filosoof, schrijver en dichter.
Al-Khayyami betekent 'de tentenmaker'.


O wereldrad, hardvochtige despoot, 
vermorzelend tot ondergang en dood! 
en aarde, ach, hoe ongeteld kleinood 
bevat uw ondoorgronde moederschoot! 
 

I 
Het eerste groeien aan den waterkant 
hoewel herkent het zinnende verstand 
dons van een cherublip daarin en waas 
van kinderwangen in de jonge plant. 

II 
Waar lila tulpen, rozen rood ontsproten, 
daar is bij wijlen koningsbloed gevloten 
en onder donkere violen ligt 
een vrouwenhoofd, in zijn zwart haar besloten. 

III 
Ik ben de Joessoefbloem; mijn goudmond laat 
u het juweel zien van mijn hoogen staat' 
fluistert de roos, en ik: geef nog een teeken'. 
In bloed gedompeld is mijn prachtgewaad'. 

IV 
Duizende dagen doofden er hun licht 
in duizend nachten. Dus uw voet zij licht 
voor dit dof, glansloos stof; het was eenmaal 
de stralende oogbal van een vrouw wellicht. 

V 
O werkman, wees omzichtig in uw doen! 
Tot aardewerk van alledaagsch fatsoen 
vormt gij de kostelijke vingeren 
van Kai Khosrau, de hand van Feridoen. 

VI 
De kruik ook is in liefdes ban geweest 
en hield in schat van zwarte haren feest 
en dit zijn handvat, als een blanke arm 
was hij gelegd om jonge vrouwenleest. 

VII 
De roode wijn, die onder lachgeluid 
zich voortspoedt door den gorgelenden tuit, 
is bloed des harten en het blank kristal 
een oogentraan, die het rondom ontsluit. 

VIII 
Veel kostbaar bloed heeft s werelds loop gestort 
en menig bloem is onverhoopt verdord; 
verhef u niet op jongzijn en op glans, 
de knop valt af, eer zij geopend wordt. 

IX 
Wij gaan en komen en de winst is waar? 
en weven draden en het kleed is waar? 
In s hemels welving zijn tot stof verbrand 
vele weldenkenden; hun rook is waar? 

X 
De wereld gaat en gaat, als lang na dezen 
mijn roem verging, mijn kennis hooggeprezen. 
Wij werden vr ons komen niet gemist, 
na ons vertrek zal het niet anders wezen. 

XI 
In dezen kring van komen en van gaan 
is Alif niet, noch Ya te verstaan, 
en niemand, die beseft, van waar verscheen, 
naar waar verdween de vreemde karavaan. 

XII 
Geen, die op om te keeren zich bezon, 
sints hij verdween achter den horizon; 
verzuim, vergeet niets in dit doorgangshuis, 
voort gaat de tocht, als eens de reis begon. 

XIII 
Ons blijven is vervuld van harteleed, 
van raadselen, waarvan geen wijze weet 
het in of uit, en evenwel ons scheiden 
is aarzelend en nimmermeer gereed. 

XIV 
Het laatste der begravenen verging 
tot stof en asch en door den wereldkring 
drijven in ijle zwerving hun atomen 
als wolken ver in een luchtspiegeling. 

XV 
Daarom, laat af van hoop en wanhoop, kom 
waar vrouwen lachen en waar om en om 
de wijnkan rondgaat, drink voordat uw stof 
wordt omgearbeid tot een andre kom. 

XVI 
O droomend hart, kies u een nieuw vertier 
in vrouwenwang en purpren eglantier; 
licht als kwikzilver vlieten onze dagen, 
de pracht der jeugd zinkt als een bergrivier. 

XVII 
Ons is de dag; op alle winden varen 
de zorgen om wat morgen zal weervaren. 
Morgen is ons vertrekken met een heir, 
dat is op weg sinds zevenduizend jaren. 

XVIII 
Wat deed u uit den eersten slaap ontwaken 
en voerde u met veiligheidsverzaken 
tot hem, die bij uw wegzijn brandt als vuur 
en beeft als heete lucht bij uw genaken. 

XIX 
De liefste naderde, mijn zinnen weken; 
een hart, dat sprak; een mond, die niet kon spreken. 
O fel verdorsten, wreed martyrium 
tusschen de murmelende waterbeken. 

XX 
O lief, dat niet dan eerst uit leed ontsprong 
en wel uit wee. Hoe bitter vlijmend drong 
in dezen haarkam het kliefijzer binnen, 
voordat hij nestelde in de zware wrong. 

XXI 
De zefier waait uw adem toe; het neemt 
mijn hart weg en voortaan van mij vervreemd 
krijgt het en hunkert slechts naar U, naar al 
wat van U uitgaat, al wat naar U zweemt. 

XXII 
Geen hart, dat niet verbloedt, van U gerukt; 
geen oog, dat Uw aanschouwen niet verrukt; 
daar is geen ziel, of om U, Onbekommerde, 
is zij in zorg en is om U bedrukt. 

XXIII 
Maak licht voor mij des levens zwaar gewicht, 
verberg mijn leed voor s menschen aangezicht, 
geef heden vrede en voor morgen ga 
naar Uw genade met mij ten gericht. 

XXIV 
Goud en veel koper als een klokkespijs 
goot eens de Maker in mijn vormmatrijs 
naar Zijnen dunk. Wie is er dan aansprakelijk, 
wanneer de klok nu klinkt op hare wijs? 

XXV 
Die het geijkte wijselijk beleden, 
die aan geen twijfel of onzekerheden 
ziek gingen en den andersdenkenden 
getroost het leven en de eer afsneden. 

XXVI 
Wijn drink ik en des morgens riekt mijn baard 
naar most; Godlof, ik heb mijn trots bewaard 
voor hen, die dagelijks hun vriend verraden 
en triomferen in hun valschen aard. 

XXVII 
Een druktemaker is, wiens naam bekend is, 
een intrigant, wiens leven afgewend is. 
Waarlijk, hij ware t wijste daaromtrent, 
die niemand kent en die van geen gekend is. 

XXVIII 
Tentmaker, zie, uw lichaam is een tent, 
den Sultan ziel tot een kort logement. 
De vorst vertrekt; straks vouwt het linnen op 
de dood en geen, die nog de standplaats kent. 

XXIX 
Ik scheidde; onverstand was allerwegen, 
van al mijn parels werd niet n geregen. 
De dwazen! honderd dingen, nooit beseft 
en nooit bereikt, zijn in mij doodgezwegen.


*
De Rubaiyat is een verzameling kwatrijnen
van de Perzische dichter Omar Khayam
(XIe eeuw), die vertaald zijn door Jan Hendrik
Leopold (1911). Hoogstwaarschijnlijk
maakte hij gebruik van de Engelse vertaling
van Edward FitzGerald (1809 - 1883) .


Naar boven


Omar Khayam - in English


J.H. Leopold - Gedichten


Oostersch - Soefisch


J.H. Leopold - Cheops



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002  

© Gaston D'Haese: 24-10-2003.
Laatste wijziging: 08-01-2016.

E-mail: webmaster