
|
O wereldrad, hardvochtige despoot, vermorzelend tot ondergang en dood! en aarde, ach, hoe ongeteld kleinood bevat uw ondoorgronde moederschoot! I Het eerste groeien aan den waterkant hoewel herkent het zinnende verstand dons van een cherublip daarin en waas van kinderwangen in de jonge plant. II Waar lila tulpen, rozen rood ontsproten, daar is bij wijlen koningsbloed gevloten en onder donkere violen ligt een vrouwenhoofd, in zijn zwart haar besloten. III ‘Ik ben de Joessoefbloem; mijn goudmond laat u het juweel zien van mijn hoogen staat' fluistert de roos, en ik: ‘geef nog een teeken'. ‘In bloed gedompeld is mijn prachtgewaad'. IV Duizende dagen doofden er hun licht in duizend nachten. Dus uw voet zij licht voor dit dof, glansloos stof; het was eenmaal de stralende oogbal van een vrouw wellicht. V O werkman, wees omzichtig in uw doen! Tot aardewerk van alledaagsch fatsoen vormt gij de kostelijke vingeren van Kai Khosrau, de hand van Feridoen. VI De kruik ook is in liefdes ban geweest en hield in schat van zwarte haren feest en dit zijn handvat, als een blanke arm was hij gelegd om jonge vrouwenleest. VII De roode wijn, die onder lachgeluid zich voortspoedt door den gorgelenden tuit, is bloed des harten en het blank kristal een oogentraan, die het rondom ontsluit. VIII Veel kostbaar bloed heeft ‘s werelds loop gestort en menig bloem is onverhoopt verdord; verhef u niet op jongzijn en op glans, de knop valt af, eer zij geopend wordt. IX Wij gaan en komen en de winst is waar? en weven draden en het kleed is waar? In ‘s hemels welving zijn tot stof verbrand vele weldenkenden; hun rook is waar? X De wereld gaat en gaat, als lang na dezen mijn roem verging, mijn kennis hooggeprezen. Wij werden vóór ons komen niet gemist, na ons vertrek zal het niet anders wezen. XI In dezen kring van komen en van gaan is Alif niet, noch Ya te verstaan, en niemand, die beseft, van waar verscheen, naar waar verdween de vreemde karavaan. XII Geen, die op om te keeren zich bezon, sints hij verdween achter den horizon; verzuim, vergeet niets in dit doorgangshuis, voort gaat de tocht, als eens de reis begon. XIII Ons blijven is vervuld van harteleed, van raadselen, waarvan geen wijze weet het in of uit, en evenwel ons scheiden is aarzelend en nimmermeer gereed. XIV Het laatste der begravenen verging tot stof en asch en door den wereldkring drijven in ijle zwerving hun atomen als wolken ver in een luchtspiegeling. XV Daarom, laat af van hoop en wanhoop, kom waar vrouwen lachen en waar om en om de wijnkan rondgaat, drink voordat uw stof wordt omgearbeid tot een andre kom. XVI O droomend hart, kies u een nieuw vertier in vrouwenwang en purpren eglantier; licht als kwikzilver vlieten onze dagen, de pracht der jeugd zinkt als een bergrivier. XVII Ons is de dag; op alle winden varen de zorgen om wat morgen zal weervaren. Morgen is ons vertrekken met een heir, dat is op weg sinds zevenduizend jaren. XVIII Wat deed u uit den eersten slaap ontwaken en voerde u met veiligheidsverzaken tot hem, die bij uw wegzijn brandt als vuur en beeft als heete lucht bij uw genaken. XIX De liefste naderde, mijn zinnen weken; een hart, dat sprak; een mond, die niet kon spreken. O fel verdorsten, wreed martyrium tusschen de murmelende waterbeken. XX O lief, dat niet dan eerst uit leed ontsprong en wel uit wee. Hoe bitter vlijmend drong in dezen haarkam het kliefijzer binnen, voordat hij nestelde in de zware wrong. XXI De zefier waait uw adem toe; het neemt mijn hart weg en voortaan van mij vervreemd krijgt het en hunkert slechts naar U, naar al wat van U uitgaat, al wat naar U zweemt. XXII Geen hart, dat niet verbloedt, van U gerukt; geen oog, dat Uw aanschouwen niet verrukt; daar is geen ziel, of om U, Onbekommerde, is zij in zorg en is om U bedrukt. XXIII Maak licht voor mij des levens zwaar gewicht, verberg mijn leed voor ‘s menschen aangezicht, geef heden vrede en voor morgen ga naar Uw genade met mij ten gericht. XXIV Goud en veel koper als een klokkespijs goot eens de Maker in mijn vormmatrijs naar Zijnen dunk. Wie is er dan aansprakelijk, wanneer de klok nu klinkt op hare wijs? XXV Die het geijkte wijselijk beleden, die aan geen twijfel of onzekerheden ziek gingen en den andersdenkenden getroost het leven en de eer afsneden. XXVI Wijn drink ik en des morgens riekt mijn baard naar most; Godlof, ik heb mijn trots bewaard voor hen, die dagelijks hun vriend verraden en triomferen in hun valschen aard. XXVII Een druktemaker is, wiens naam bekend is, een intrigant, wiens leven afgewend is. Waarlijk, hij ware ‘t wijste daaromtrent, die niemand kent en die van geen gekend is. XXVIII Tentmaker, zie, uw lichaam is een tent, den Sultan ziel tot een kort logement. De vorst vertrekt; straks vouwt het linnen op de dood en geen, die nog de standplaats kent. XXIX Ik scheidde; onverstand was allerwegen, van al mijn parels werd niet één geregen. De dwazen! honderd dingen, nooit beseft en nooit bereikt, zijn in mij doodgezwegen. * De Rubaiyat is een verzameling kwatrijnen van de Perzische dichter Omar Khayam (XIe eeuw), die vertaald zijn door J.H. Leopold (1911). Hoogstwaarschijnlijk maakte hij gebruik van de Engelse vertaling van Edward FitzGerald (1809 - 1883) . |

