C.S. Adama van Scheltema - Poëzie
C.S. Adema van Scheltema

In het park bij avond
Eenzaam
De dorpskerk
De oogst
Herfstnacht
Avond
De zingende dagdief
De wijde wereld
Melancholische monoloog
Midzomermorgen
Dat is die minne die ewelic minnet
Cupidootje
Le Retour des hirondelles
Heimwee

In het park bij avond


De zoete geuren van den Zomer speelden
Met zilvren schimmen van de matte maan,
In 't glanzig water doolde een witte zwaan -
Een witte bloem, waar 't licht heur veeren streelde.

In' t bevend hart voelde ik de zoete weelde
Zoo veler minnende harten opengaan,
Ik zag de kostbre bloem der liefde staan -
'k Dacht: of toch ééns die menschen englen teelden!

0! kon ik ál die liefde in verzen dringen,
Mijn liefde in ál mijn dierbre woorden zingen,
En ál mijn woorden aan hun voeten dragen: -
Een lichte vlam sloeg uit elk woord haar zwingen,
En deed in elke ziel den morgen dagen,
Dien in den nacht mijn dichteroogen zagen.



Linecol


Eenzaam


De sombre pijnen ruischten, kreunend bogen
Hun donkre kronen neder naar de korst
Der aarde, de winden sloege' aan mijn borst
Hun grauwe vleugels, de struiken hadde' oogen.

Ik vluchtte de verlaten hei, - de vorst
Der eenzaamheid, de vale raaf, gevlogen
Op mijn schouders, zat over mij gebogen,
Dat ik de bange lucht nauw aadmen dorst.

Bij 't witte dorp groette een levend wezen,
Een gulle boer van achter 'n volle kan,
En voor zijn groet smolt alle leed en vreezen.

0! wanneer komt de tijd, dat ieder man
In elk paar ooge een vriendengroet zal lezen,
Geen menschenhart eenzaam meer leven kan!



Linecol


De dorpskerk


Waar nog de oranje lucht in 't Westen blaakte,
Haar lichternis den schuwen nacht bedwong,
Rees aan mijn weg een donker dorp, daar zong
Murmlend een laat gebed - de kudde waakte.

Dan zag 'k hoe de oude kerk haar klimop-wrong
Tot hoogen paarsen bisschopsmantel maakte
En als een wondre vogel 't kroost bewaakte,
Dat bang onder haar veil'ge vleugels drong.

Maar langzaam zonk die gloed: het purper sleet, -
De naakte maan was op haar troon gestegen;

Zoo valt eens van elk ding elk logenkleed
En staat één licht boven de wereldwegen;

Ach, wie, die in zichzelf om vrede streed,
Heeft niet geknield voor 'n afgodsbeeld gelegen.



Linecol


De oogst


En de eerste zicht zeeg door het ruischend graan,
En de eerste cirkel gleed, als de ebbe in zee,
Aan 't golvend veld terug, - de schorre sneê
Rustte niet meer na de eerste wreede baan.

Toen voelde ik, hoe de zonnestralen mee
Met de aren vielen, - 'k zag de zonschoof staan
Over de lande', en 'k hoorde 't oogstlied aan,
Dat fluistrend door de volle halmen gleê.

En ik zocht in mijn hart, of uit zijn grond
Ook 't oogstlied rees, - ook ik het gouden koren
Tot rijpe garven van mijn vreugde bond: -

Zie, 't welig graan wiegde in de diepe voren
Op de' akker van mijn hart, - 0, de oogst dien 'k vond
Was deez': nooit gaat één menschenhart verloren!



Linecol


Herfstnacht


Langs wei en wilgen glee de vochte nacht,
Het deinzend witte kleed golfde en bezoomde
Het lage land, - boven den herfstdauw doomde
Het blinde oog der maan - zoo stil, zoo zacht.

De schim der stad ontvlood een matte klacht,
Ginder en verder stond een boom en droomde
Eenzaam, - van mistig natte takken stroomde
Aldoor, aldoor een doode bladervracht.

Toen dacht ik aan ons werk, o kameraden!
Hoe nachten nog om onze schouders hangen,
Om zwakke lichtgestalten, zwaar beladen:

Wij schudden 't menschenlot, door vreugd bevangen -
En slechts een dorre vloed van vale bladen
Ruischt in het meer van mateloos verlangen!



Linecol


Avond


De zwarte takken
In den wind,
De blâren zakken
Om 'n menschenkind.

Bij 'n boerenwagen
Werkt een man,
De wolken dragen
Het duister an.

Boven die beiden
Rijst een ster,
Over de weiden -
Heel - heel ver!



Linecol


De zingende dagdief


Over de heide zeurde ik,
 Zoo zonder gedachte,
Een oud liedje neurde ik,
 Het zonneke lachte.

Over de hei ging ik,
 - Een luierend feestje -
Uit den hemel ontving ik
 Een lievenheersbeestje.

Over de hei sloofde ik,
 Om mij gonsde een bietje,
Voor 'n wijfje, geloof ik,
 Zong een leeuw'rik zijn liedje.

Over de hei stapte ik,
 Zocht een ouderwetsch wijsje -
Zoo arg'loos betrapte ik
 Het aldermooiste meisje!

Over de hei lachte ik,
 - Hoe zou ik beginnen? -
Wat is dat mooi, dacht ik: -
 Twee menschen, die minnen!



Linecol


De wijde wereld


De wijde wereld lag te grijp,
 Een vogeltje speelde er wat, -
Ik droomde en rookte een zomerpijp,
 En dacht zoo - en streelde maar wat.

De wijde wereld lag te kijk,
 Een beestje werd ergens geboren, -
In 't mooie malsche zomerrijk
 Ging een ander weer ergens verloren.

Ik keek de wijde wereld in,
 En dacht, zoo'n beetje zelfzuchtig:-
Wees jij weer kind, als in 't begin!
 Wat wijzer! - wat minder luidruchtig!



Linecol


Melancholische monoloog


't Is triestig in den leegen morgen,
 Ik heb het, geloof ik, verbruid,
Alleen de Zon is zonder zorgen -
 Lacht goedig de wereld wat uit.

Ai jij daar! rijke mooie moeder!
 Die je nooit aan 'n sterveling stoort,
Ik ben hier maar een arme loeder
 En moet door de wereld nog voort!

't Is maklijk om zoo'n Aard te maken,
 Je bent er licht binnen gerold, -
De vraag is hoe ze verder raken,
 Hoe 'n drommel de wereld doortolt!

Zie jij den boel beneê maar draaien,
 De kiekens maar al in de weer! -
Niewaar? jij denkt: - laat ze maar waaien,
 't Komt toch altijd op 't zelfde neer!

't Is triestig in den leegen morgen - -
 Jij daarboven! lach ze maar uit!
Met al er jammerlijke zorgen
 Gaat de wereld toch langzaam vooruit!



Linecol


Midzomermorgen


Het raam is opgeschoven,
 Ik zit stil voor mijn ontbijt,
Buiten staan de eerste schooven
 En ginder bloeit de boekweit.

't Is anders drukker 's morgens,
 Nu is het tuintje heel stil -
Het lijkt of 't iets verborgens,
 Iets bijzonders zeggen wil.

Kijk: bij de rozenstokken
 Ligt 't bloeisel al op den grond,
Tusschen de zonnevlokken
 Van den blonden morgenstond.

Ik hoor het windje loopen
 Door den donkren noteboom, -
De dag - de dag staat open! -
 Ik geloof dat ik nog droom.

Ik wilde wel iets grijpen,
 Maar ik - ik weet niet wat - en -
Ik kan maar niet begrijpen
 Hoe ik zoo gelukkig ben -!



Linecol


Dat is die minne die ewelic minnet


Wat dauwt daar zoo waar de
  Zon ondergaat -?
Kind, de zon doet de aarde
  In nachtgewaad.

Wat zijn dat voor dingen
  In wei en riet -?
Kind, de krekels zingen
  Een minnelied.

Wat dragen de winden
  Voor geur zoo laat -?
Kind, de bloesem van linden
  Die opengaat.

Wat schijnen jouw oogen
  Zoo groot, zoo goud -?
Kind, dat doet dat hooge
  Vergulde woud.

Wat is - zeg - dat verre
  Zoete verdriet -?
Kind, vraag dat den sterren,
  Vraag het mij niet!



Linecol


Cupidootje


Cupidootje,
Speelgenootje
Ach, wat schoot je
 Weer bijzij!
Altijd zeilt je
Scherpe pijltje
 Juist mijn kloppend hart voorbij!

Nooit es deert je
Gauw geweertje
Dan een veertje
 Van mijn hoed, -
En ze zeiden:
"Die verdijde
 Kleine jongen schiet zo goed!"

Of - zeg, schiet je,
Deugenietje
Met een rietje
 Zonder punt?
Want ik zie et
Wel op wie et
 Telkens toch weer is gemunt!

Liefdegodje
Wat bedot je
Vinnig schotje
 Mij zoo vaak?
Word es wakker
Kleine rakker -
 Cupidootje - - schiet es raak!



Linecol


Le Retour des hirondelles


Aan 't behangsel van mijn zure,
  Zure kamer hangt `manselle'-
Een romantische gravure:
  `Le Retour des hirondelles'.

Bij een mooie Rijn-ruïne
  Viert daar de verrukte belle
In haar zijden crinoline
  Le Retour des hirondelles.

'n Kuise `conte de Boccace'
  In haar keursje van dentelles
Ziet ze 't hemels `jeu de grâces':
  Le Retour des hirondelles.

Wijl ze aan groene waterboorden,
  Onder druive' en mirabellen,
Zucht van die verliefde woorden:
  `Le Retour des hirondelles!'

En welzalig, zoet vertederd,
  Deelt zij, hemelsche gazelle,
-Waar' haar zieltje zelf gevederd-
  Le Retour des hirondelles.

O romantische gravure,
  Beeld van vla van caramellen,
Waarom mocht niet eeuwig duren
  Le Retour des hirondelles!

Waarom ging men ze verachten,
  Al die lieve bagatellen -
Hoe vergaten de geslachten
  Le Retour des hirondelles!

Waarom bleven ze niet dromen
  Van het land der muskadellen-
Zal hij dan nooit wederkomen
  Le Retour des hirondelles?

Jonkvrouw! daalt gij naar beneden
  Met uw mandje pimpernellen,
Geef mij weer dat lief verleden:
  Le Retour des hirondelles!

Freule! freule wordt weer levend -
  Als een levende libelle,
Als een zwaluw nederzwevend:
  Le Retour de l'hirondelles! --

Ach - zij blijft maar eeuwig turen,
  Als een zachte poesjenelle -
Ze is per slot maar een gravure:
  `Le Retour des hirondelles'!

Maar wij wachten hem nog immer,
  Al wij arme oudgezellen -
En hij komt voor ons toch nimmer:
  Le Retour des hirondelles!



Linecol


Heimwee

 
   Moeder, toen 'k lang geleden nog uw jongen,
Uw blijde eerstling was en nauw geboren,
had ik u eens, voor éénen dag, verloren —
   En ’t eerste leed was aan mijn hals gesprongen.

   Toen, weer terug, heb ik mijn hoofd gedrongen,
Aan uw warm hart, gefluisterd aan uw ooren,
Om weer uw zoete moederwoord te hooren
   Toen hebt gij mij zachtjes in slaap gezongen.

Moeder, ik ben alleen in verre landen!
   Ik kan niet meer in uw oogen lezen,
Ik kan niet schreien in uw milde handen;

   O! mocht ik ééns nog aan uw schoot genezen!
Nog éénmaal toeven bij die trouwe wanden 
   Moeder! nog ééns uw arme jongen wezen!



Linecol


Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage


Poëzieweb-Poetryweb: pageviews since/sinds 21-03-2002  

Statist. Poëzieweb-Poetryweb  Free counter and web stats      © Gaston D'Haese: 10-04-20011.
E-mail: webmaster