Simon van Beaumont - Gedichten
Simon van Beaumont

 Nu komt de zoete lent
vernieuwen ons den tijd


Nu komt de zoete lent vernieuwen ons den tijd
De winter met zijn kouw, ijs, regen, sneeuw, moet wijken.
Allerlei groene kruid komt uit het aardrijk kijken,
't Zoet westwindeken waait den noorden tot een spijt.
Het vroege morgenrood de lange nachten slijt.
Het nachtegaalken klaagt zijn lied aan alle wijken,
En met zijn droefheids zang doet droefheid van ons strijken.
Lucht, land, zee, mensch en vee, 't schijnt al te zijn verblijd.

Mars en Cupido zijn op wegen en in velden,
D'een neemt jong minnaars aan, en d'ander strijdbaar helden,
En elk te storten poogt, d'een tranen, d'ander bloed,
Cupido met zijn boog en Mars met blote zweerden;
Volg' Mars wie wil, ik hou Cupido's krijg in weerden,
Daar blijft men zelden dood en 't sterven is nog zoet.



 Waertoe te gaen
door verre Landen dwalen


 Waer toe, te gaen door verre landen dwalen,
 Verslijten tijt, geld-quisten, breecken wind?
 Die sonder moeyt' en kost in Holland vind
 Dat noodigh is, wat hoeft hy 't verr' te haelen?
 Als men al heeft geleert de tael der Walen,
 Hoe Engelsch praet, of Spaensch, een vrouw of kint,
 En datmen 't huys gekomen wel versint
 Weetmen in Duytsch sich nauwlijcks te vertalen.
 Een wulps gelaet, een valsch bedeckt gemoedt,
 Hoererens lust, een dert'le quispel-voet,
 Een tong gewent tot vloeck en laster-reden,
 Sijn het cieraet dat Napels, dat Parijs,
 Dat Roome geeft. Hollander, sijt ghy wijs,
 Blijft t'huys, leert wel 's Lands-recht, gebruyck, en seden.



 Ghy seylt nu lustich voort
van wint en stroom ghedreven


 Ghy seylt nu lustich voort, van wint en stroom ghedreven, 
 Uyt de meersch van u hoop', siet ghy verheucht het licht 
 Van een heylsame baeck, uw's liefs vriend'lick ghesicht, 
 En daer ghy 't hebt gemunt stuyrt ghy recht uwen steven. 
 Ick moet noch trooste-loos laveren ende sweven, 
 Tegen wint, tegen stroom, de seylen al gheswicht, 
 Mijn Noort-ster schuylt bedeckt met doncker wolcken dicht, 
 Touw, ancker, 't heeft my al in desen storm begeven.
 Ick sien noch lant noch sant in dees verbolgen zee, 
 Maer mocht ick noch een reys weer komen op de ree, 
 Geen weer soo schoon dat my andermael sou bekoren. 
 Wijs is hy, en bedacht, die sich te lande hout, 
 En de calm-stille zee voorsichtich niet betrout:
 'T is beter niet ghewaecht, dan schip en goet verloren.

    Uit 'Ionckheyt'



 Wel-coom-gedichten aen Ionck-vrou Anna Roemers*,
 Op hare over-comste in Zeelant.

 Sonnet

Ghy heerscher van de zee, Neptun, wilt nu de baren Doen liggen stil en vlack, en houden in den bant De winden noort, suyt, west, dat sy het Zeeusche lant Met haren rouwen storm, niet vreeslick en vervaren, Want in een plancken-hol comt met ons over-varen Een costelick juweel, een onwaerdeerlick pant, Een maecht, wiens eer en roem, verspreyt aen elcken cant, U hoochlick heeft verplicht haer schip wel te bewaren; Sy sal tot uwer eer doen klincken hare stem, En met een soet gesang het danssende geswem Van u Zee-Nymphen al doen gaen voor onsen steven. Maer als u wil of macht ontbraeck tot haer gheluck, Soo sal sy bergen noch op der Delphynen rugh Meer als Arion deed', haer end' ons aller leven.

    Uit 'Zeeusche Nachtegael' (1623)

* Anna Roemer Visscher (°Amsterdam 1584; †Alkmaar 6 dec. 1651). Oudste dochter van Roemer Visscher
en zuster van 'Maria Tesselschade'. Anna trouwde pas op 17 januari 1624 met Dominicus Boot van Wesel.
Haar beide zonen kregen hun opleiding op een jezuïetenschool te Brussel (vanaf 1640). In 1646 verhuisde zij
met haar gezin naar Leiden, waar haar zonen studeerden aan de universiteit. Na de dood van haar man in 1647,
trok zij naar Alkmaar, waar ook Maria Tesselschade woonde.
'Wijse Anna' beheerste Frans, Italiaans en kon schilderen, borduren, musiceren en glasgraveren.
Zij was bevriend met belangrijke dichters van die tijd, maar voelde zich het meest aangetrokken tot Cats.
Zelf schreef zij ook poëzie, maar tijdens haar leven is slechts een klein deel van haar werk in druk
verschenen. Een twaalftal gedichten van haar hand verscheen in de 'Zeeusche Nachtegael' (1623),
die naar aanleiding van haar bezoek aan Zeeland (in 1622) werd uitgegeven. Tijdens deze reis logeerde zij
enige tijd bij Simon van Beaumont in Middelburg.
Zij verbleef ook herhaaldelijk in de Zuidelijke Nederlanden, namelijk te Brussel, Antwerpen en Leuven.



 Gedicht, ten selven eynde


 Ionck-vrouw ANNA wilt niet schromen 
 In ons Zeeusche lucht te comen;
 Door u gheestich hooch verstant
 Heeft u al te vast geplant
 In sijn gracy Phebus constich,
 Boven al is hy u jonstich,
 Die u hout in sijnen sin
 Voor sijn thiende Sang-Goddin:
 Hy sal met het suyver schijnen
 Van sijn stralen doen verdwijnen
 Al wat u te vreesen is,
 Alle zee-lucht, alle mis,
 Alle heete quade winden,
 Alle dompen doen verswinden,
 Dat ghy in ons Zeeusche lucht
 Niet sult vinden dan ghenucht,
 Die u beter sal vermaecken
 Dan al d'Amsterstamsche staecken
 Die met zeylen, roggh en vlas
 Brenghen door de groote plas:
 En als u noch yet mocht deeren,
 Phebus salt wel connen weeren;
 Heeft hy niet der kruyden cracht
 En genees-konst in sijn macht?
 Daerom, Ionck-vrou, wilt niet schromen
 In ons Zeeusche lucht te comen.

    Uit 'Zeeusche Nachtegael' (1623)



 Liet, ten eynde als vooren


Herderinnen.
 Segt ons, ghy Herders van dit lant 
 Waerom waerom naer u verstant
 In dese lest-gheleden daghen
 Heeft Zephyrus soo soet ghewaeyt,
 En bloemkens over 't velt ghesaeyt
 Meer dan het is ghewoon te draghen?
  
 En waerom sendt de Son nu neer
 Soo lieffelick ghetempert weer,
 Die ons soo vierich plach te branden
 Int velt, wanneer den heeten hont
 Soo naer by sijnen waghen stont,
 En dede splijten 'tkley der landen.
  
 De moesel klinckt door 'tgansche velt,
 Geen herder meer sijn schapen telt,
 Pan selver slaet de kudden gade;
 Men vreest voor dieven, wolf, noch vos,
 Valeyen, weyen, bergh, en bos
 Zijn vol van blyschap, vry van schade.
  
 Diana sien wy dach aen dach
 Ten danße gaen, meer dan sy plach,
 De Nymphen al zijn vol van vreugden,
 Schoon Chloris, wacker Amaril,
 Philemon gheestich, off Myrtil,
 Haer noyt met singen soo verheugden.

Herders.
 Ghy Herderinnen, weet ghy niet 
 Waerom dat al dees vreucht gheschiet?
 Hebt ghyt alleen noch niet vernomen?
 Die Nymph die op den Amstel woont,
 Van Phebus met laurier gekroont,
 Die waerde Nymph is hier gecomen;
  
 Sy is ghecomen over zee,
 En met haer zijn gecomen me
 De Gracien en Sang-Goddinnen,
 Cupido roeyde met sijn boogh,
 Een koppel Swanen 'tscheepken toogh,
 End de Zee-Nymphen stuerdent binnen;
  
 Sy stuerdent aen den Zeeuschen kant,
 Terstont verheuchde 'tgantsche lant;
 En daerom ist dat al dees daghen
 Dus Zephyrus sijn bloemkens saeyt,
 De Son soo schijnt, het velt verfraeyt,
 Hemel en aerd van vreugt gewagen.

    Uit 'Zeeusche Nachtegael' (1623)

Simon van Beaumont  (°1573; †1654)



Poëzie in de Gouden Eeuw
Vondel - De slaepende Venus
Bredero - Gedichten
G.A. Bredero - Ooghen vol majesteyt
Focquenbroch - Aan Phillis
Liefdesgedichten van anonieme dichters
Liefdesgedichten
Vlaamse dichters
Nederlandse dichters
Liefdesgedichten - Top 10


Homepage


Poëzieweb-Poetryweb: pageviews since/sinds/depuis 21-03-2002: 

Statist. Poëzieweb-Poetryweb:
  Free counter and web stats       © Gaston D'Haese: 21-10-2008.
Laatste wijziging: 28-01-2012.  E-mail: webmaster