J. Slauerhoff
In Nederland

J. Slauerhoff
Lisboa

J. Slauerhoff
De grote vaart

Jacob Slauerhoff - Bloemlezing van gedichten
Jacob Slauerhoff
POEZIEWEB-POETRYWEB
BELGIUM



Bloemlezing

Gedichten uit 'Archipel', 1923


Gedichten uit 'Serenade', 1930


Gedicht uit 'Saturnus', 1930


Gedichten uit 'Yoeng Poe Tsjoeng', 1930


Gedichten uit 'Soleares', 1933


Gedicht uit 'Een eerlijk zeemansgraf', 1936


Gedichten uit 'Al dwalend', 1947 (postuum)


Gedichten gepubliceerd in het tijdschrift 'Forum, 1933-1934



Onder het zonnezeil

Onder het zonnezeil, verrukt door den wind,
Zit ik gelukkig.
’t Noodlot is nukkig,
Maar er blijft niets meer dat me aan ’t leven bindt.
De vrouwen, vroeger voor eeuwig bemind,
Liet ik gelukkig
Vroegtijdig achter zonder kind.
Ik heb genoeg aan de natuur,
Altijd grootmoedig,
En aan de stille of stormende oceaan,
Eindloos voorspoedig.
Een vluchtig avontuur
Houdt me even opgetogen:
Meeuw, door een golf bewogen,
Veilig bevleugeld, toebehoorend aan
’t Onmeetlijk, onuitputtelijk azuur.


Linecol

De vriendinnen I

’t Begon op een zomernacht, bijna toevallig:
Terwijl zij zich aan het venster koelde,
Droomde haar lieveling bang en woelde
Zich bloot. Zij vond haar, omziend, bevallig:

De handen naast ’t hoofd geperst in ’t kussen,
’t Dek afgegleden, de knieën hoog
En zelve in zachte boog. Zij wilde kussen,
Zacht, dat ze niet ontwaakte, maar ze bewoog

Toch, en kreunde als in een droom gevallen,
Ontstellender nog; zij heeft haar toen gewekt,
En de leden die zij lijden zag in felle
Angst met haar groter lichaam toegedekt.

’t Was niet haar schuld, zij had het niet bedoeld.
Wanhopige verrukkingen ontstonden.
Zij wist niet meer hoe ze vroeger bestonden,
Zo dicht bijeen. Had geen dit ooit gevoeld ?
Nu werden ze anderen in één hevige stonde.

Zij voelden zich ineengevlijd, een kus, en
Tegelijk geschokt in bevredigd snikken.
Vergeefs hielden zij een sluier tussen
Beiden, in te overstelpende ogenblikken.

In ’t licht, vervreemd, zag zij haar lievling weer:
Zij lag achterover en sloeg haar gade,
Die overeind stond, mijmerend na de 
Eerste nacht, de armen hoog, ’t hoofdje beschouwend neer.


Uit Archipel  (1923)

Linecol

Chinese dans

Door tromdonder bliksmen cymbelslagen.
Zij, naakt omwaad door een roodzijden lap,
Golft onder de storm van doffe toonvlagen.
Armen en benen houdt zij slap.

’t Hoofdje op de halsstengel zwevend,
De knieën wijd, dan weer dicht bij elkaar;
De kleine borsten zijn een bevend,
De smalle voetjes een dansend paar.

Zij wervelt sneller, het rode gewaad
Ontbloot haar, in brede baan opvloeiend,
En schroeft zich, omsnoert haar hals, zij staat
Stil op de tenen, hijgend, witgloeiend.

En de dood der dans wordt aangekondigd
Door een tromslag, één felle bekkenstoot.
Als een nachtwolk hoog op ’t bloed der zon ligt,
Blijft zij over ’t doek, smalblank op breed rood.


Uit Archipel  (1923)

Naar boven

Linecol

Complainte

Ik leefde ook liever monogaam,
Maar ben veroordeeld als nomade,
Tot geen gestage echt bekwaam,
Steeds af te wijken van de paden 

Door elk van wieg tot graf bewandeld,
Strak afgewend van ’t boos instinct:
Hun ziel voor welvaart vlot verhandeld,
Hun drift verdrongen en verminkt. 

’t Geluk, dit smadelijk verdrag
Toch te vergeten bij een gade:
Een zacht licht in een trieste dag,
Des nachts een donkere genade, 

Wordt duur gekocht; die lieve lust
Groeit in een stadje vast en vaster,
Moet luisteren naar regel, rust,
Van klokgelui tot laf gelaster. 

Ik zal wel heengaan op een nacht
Met stille trom: een desperado
Die smachtend zoekt als Eldorado
Een land nog niet in kaart gebracht. 

Om eindlijk, door elk visioen 
Verraden, mij te laten werven
Voor ’t vreemdelingenlegioen,
Zo eervol anoniem te sterven.


Uit Serenade I  (1930)

Linecol

De ochtendzon

De flamboyants* ontluiken groen en rood;
Onder hun lommer zal de markt beginnen.
Wijdbeens gaand, balanceeren negerinnen
De vruchten op haar hoofd en van haar schoot.

In het goedkoop hotel van Boabdil
Blijven de blinden dicht, de gangen stil;
Alleen een boy gluurt door de gescheurde deuren,
Maar ziet - het is te vroeg - nog niets gebeuren.

Eindlijk, aan ’t hoogste raam rekt zich, nog loom en 
Voor veertien jaar en een creoolsche, groot,
Dolores, in ’t halfdonker, schouderbloot,
En doet haar haren in den ochtend stroomen.

*De flamboyant (Delonix regia) is een tot 15 m hoge boom
met een brede, schermvormige, tot 20 m brede kroon
en een stam met een diameter van 130 cm of meer.
Bron: Wikipedia.

Uit Serenade  (1930)


Linecol

Voor de verre prinses

Wij komen nooit meer saam:
De wereld drong zich tusschenbeide.
Soms staan wij beiden ’s nachts aan ’t raam,
Maar andre sterren zien we in andre tijden.

Uw land is zoo ver van mijn land verwijderd:
Van licht tot verste duisternis - dat ik 
Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,
U zou begroeten met mijn stervenssnik.

Maar als het waar is dat door groote droomen
Het zwaarst verlangen over wordt gebracht
Tot op de verste ster: dan zal ik komen,
Dan zal ik komen, iedren nacht.


Uit Serenade  (1930)

Linecol

Avond

Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.

Moe van de geuren die zij moeten dragen
Van graven oud en rozen uitgebloeid,
Weemoedig vlagend door verwarde hagen
En ’t armelijk loof dat om de zerken groeit.

Je hebt weinig gedacht en veel gezwegen
En stil de handen om mijn hoofd gelegd,
Zoo zeggend: "Ook de grootste liefde kan niet tegen
Den dood die niets ontziet en alles slecht."


Uit Serenade  (1930)

Linecol

Woninglooze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat vóór den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee ’k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in ’t donker openbreekt.


Uit Serenade  (1930)

Linecol

Liefde

Liefde is niets dan daaglijks verder gaan 
Door dorre woestenijen, 
Om na de nacht saam moe weer op te staan 
Uit duistere valleien. 

Liefde is niet een wijdverklaard begrijpen, 
Een stijgen tot het licht, 
En niet oneindig zijn en ook niet rijpen 
Tot innerlijk gezicht. 

Want leven is geen vast geluk, maar een rampspoedig 
Dolen in ’t labyrint 
Van de gevoelens; wie de weg weet is hoogmoedig, 
Als onervaren kind. 

Liefde is alleen elkander droef verdragen 
Als vrouw en man: 
Twee vijanden die toch elkander schragen 
Zo nu en dan, 

En, daar God voor hun wanhoop en hun vragen 
Geen heul, geen antwoord heeft, 
Soms naar de eeuwigheid de zweefvlucht wagen 
Die een omhelzing geeft.


Uit Serenade III  (1930)

Linecol

Woorden in de nacht

Voel je hoe ik naar je toe kom ? 
Je bent naakt in den nacht. 
Wacht ik doe eerst een doek om. 
Nog niet, nog niet. 

Liefkoos mij, zacht. 
Zeg dat je mij mooi vindt 
En alleen door te streelen 
In ’t donker, mij ziet. 

Zullen wij spelen, 
Dat wie ’t eerste lacht, 
Moet ondergaan wat de ander bedacht ? 

O, laat het doorgaan, 
Totdat wij doodgaan. 
Alles wat hierna komt 
Is niets dan Dood, vermomd 
in schijn van Leven. 

Neem mij weer, wacht nog even.


Uit Serenade III  (1930)

Linecol

Zwanezang

Is ’t waar dat ik, in langvervlogen dagen, 
Geloofde in dromen en een dichter was ? 
Dat jonge meisjes met mijn verzen lagen 
Zich te verzadigen, eenzaam in ’t hoge gras ? 

Waarom wil geen mij, eenzaam nu, hergeven 
Wat van de liefde, aan hun bloei verloren ? 
Nu ik verminderd ben, na zoveel leven 
Nog zelfs niet zeggen kan: ik ben geboren. 

Is de vervoering in hen opgegaan, 
Die, eens een weelde, mij verwoestend was ? 
Ook de engelen die ijl en ver bestaan 
Zijn onbereikbaar voor ’t gebannen ras, 

Dat ze verwekt heeft in verkeer met geesten 
En in volmaakte schoonheid heen liet gaan, 
De goden tot genot. Zij zijn voor ons geweest, en 
Nu gelukzalig en zien ons niet aan.


Uit Serenade III  (1930)

Linecol

In mijn leven

In mijn leven steeds uiteengerukt
Door de vlagen waar ’k aan blootsta,
Daar ’k niet kan hechten aan liefde en geluk
Die mij zullen drijven tot ik doodga,
Ontstaan soms plotseling enkele plekken
Van een stilte zo onaangedaan,
Dat ik geloof in slaap te zijn gekomen
Bij de diepten waar geen onderstromen
Meer door ’t eeuwig stilstaand water gaan.


Uit Serenade III  (1930)

Linecol

Morgen rijd ik

Morgen rijd ik met bedwelmende bloemen naar je toe.
Ik wil niet langer wachten, eindelijk weten hoe
Je bent; de bloemen zullen je verraden.
Als je liefdeloos bent, zullen ze kwijnen en treuren;
Als je kwijnt van verlangen, heviger geuren;
Als je brandt van verlangen, hun knoppen scheuren
En jij in een groot gebaar al je gewaden.


Uit Serenade III  (1930)

Naar boven

Linecol

Dame seule

Zij voelt zich onder ’t donker van de bomen 
Zo eenzaam, dat zij zelf haar schouder liefkoost. 
Haar handje, met de ronding ingenomen, 
Die over ’t zomerkleed is bloot gekomen, 
Daalt af, dwaalt af; zij richt zich op en bloost, 
Gaat dan weer voort een kledingstuk te zomen.


Uit Saturnus deel III  (1930)

Linecol

De vrouw aan het venster

Nooit opent zich de poort. ’t Raam is zo hoog
Dat zij eerst de aarde ziet in wijde verte:
De stroom omarmt het bos in blauwe boog;
Door ’t groen gaan rode vogels, ranke herten.

Niets weet zij van het levensspel daartussen;
Maar het moet schoon zijn, want zij mist het zeer.
Zij wil omhelzen, vindt niets om te kussen
Dan de eigen schouder, rond en koel en teer.


Uit Saturnus  (1930, heruitgave van Clair-obscur)

Linecol

De terugkeer

I

Ik zocht in zeeën, bosschen, bergen, droomen,
Nimmermeer rustig tot de plek gekomen,
Waar zij verborgen als een bloesem was,
Onder ’t in lange herfst gewoekerd gras.

Hoe kon, in ’t ruim teloor, ik ook vermoeden
Dat zij vol zorg de hoeve voort zou hoeden
En stil in stagen vree de weelde won
Die ik wild zwervend nooit bereiken kon ?

Bosch, velden, meren liggen dor en grauw
In langen herfst in de einder, laag en nauw;
Zij bloeit, ondanks den nacht, ondanks den dood
Van bloemen, droomen - welkt ternauwernood.

II

Zij leeft in ’t afgelegen, mistig land
Dat ik verliet de wereld om te varen;
Zij woont er nog, ik weet het zeker, want
Een sterke vrede was de hare.

Het maakte haar niet neerslachtig dat de weiden
Groen waren, lente, zomer, herfst en winter.
Zij werkte, en wist altijd iets te vinden
Dat ’t grijs bestaan tot een rein wonder wijdde.

Zelfs op het kleine kerkhof zat zij graag,
Er stond een bank onder het schrale loover,
Achter een schrompelende wilgenhaag
Bijna vergeten door den zomer. 

Daar kon ze ’s avonds na het dagwerk toeven,
Zag van haar boek, ’t liefst een dat zij al kende,
De wolken trekken over molens, hoeven,
Tot de avondzon haar weer aan huis deed denken.

Daar wilde ik voor haar staan, als uit haar droomen
Overgegaan in een warm, waar verhaal,
Maar zij zou mij van verre al aan zien komen:
Het lage land ligt tot den einder kaal.


Uit Saturnus  (1930, heruitgave van Clair-obscur)

Naar boven

Linecol

Chrysanten in de oostelijke tuin

Snel gaan de jaren. - Vroeger wist ik het niet,
Wel in mijn rijpheid. Ik weerhield ze niet.
Leed en teleurstelling van al mijn jaren
Kwamen met mij in de eenzame tuin hier samen.
In ’t midden van een perk sta ik lang stil,
De zonneschijn is dun, de wind snerpt kil,
De bloemen zijn verrot en uitgeroeid,
De volle zomerbomen uitgebloeid;
Alleen een tengere, bleekzuchtige chrysant
Staat, door de wind vergeten, aan de kant.
Ik heb een beker boordevol geschonken,
Maar merkte nauwlijks dat ik had gedronken.
Hoe in mijn jeugd gemaklijk mijn gemoed
Van droevig blij werd, van vertoornd weer goed !
Als ik wijn zag, op elk uur van de dag
Dronk ik hem uit en was één en al lach.
Nu laat de sterkste drank mij nuchter en koud.
Bleke chrysant, je bleef niet leven om mij
Te troosten in ’t droef seizoen, maar wij zijn allebei
Uit beetre tijden over, en beiden nu veeg en oud.


Uit Yoeng Poe Tsjoeng  (1930)

Linecol

Vroege sneeuw

Ik hoor je soms hees fluisteren.
Om ’t bed staat de stilte, de nacht.
De bamboebosjes kraken zacht,
Buiten in het verdere duister,
Want het gaat sneeuwen in de nacht;
Morgen is de wereld wit,
Wordt het winter.
Onze liefde… waarom huiver je ?


Uit Yoeng Poe Tsjoeng  (1930)

Naar boven

Linecol

Mandalika

Hier is geen ander gehoor dan ’t verre gebrul van de branding,
Het droge geritsel der hooge pandanen,
Geen andre beweging dan ’t wuiven der blaren
En ’t loome deinen der golven.
Als ’t leven op aarde opnieuw moest beginnen,
Zou het niet zuiver blijven, alleen op dit eenzame eiland ?


Uit Soleares  (1933)

Linecol

Pomba

Als een witte kat, naakt en languit
Ligt ze in de zon, in een bed van bloemen;
De borsten van haar boezem komen
Als koepels boven de kelken uit.

Ze is volmaakt blank, behalve de haren
En benen, in zijden kousen zwart;
Blank ronden de dijen zich weer tot waar een
Plek zwart dons ligt als een driehoekig hart.

De wind die door ’t bos in zoele vlagen
Aanzweeft en de bloemen deinen doet,
Schijnt zich meewarig af te vragen,
Waarom zwart blank naakter schijnen doet.


Uit Soleares  (1933)

Naar boven

Linecol

Dit eiland

Voor de zachtmoedigen, verdrukten,
Tot geregelde arbeid onwilligen,
Voor de met moedwil mislukten
En de groots onverschilligen,

De reine roekeloozen,
Door het kalm leven verworpen,
Die boven steden en dorpen
de woestijnen verkozen,

Die zonder een zegekrans
Streden verloren slagen
En ’t liefst met hun fiere lans
De wankelste tronen schragen;

Voor allen, omgekomen
Door hun dédain voor profijt,
Slechts beheerscht door hun dromen,
De spot der bezitters ten spijt,

Neem ik bezit van dit eiland,
Plant ik de zwarte vlag,
Neem iedere natie tot vijand,
Erken slechts ’t azuur als gezag.

Wie nadert met goede bedoeling:
Handel lust of bekeering,
Wordt geweerd aan ’t rif door bezwering
Of in ’t atol door onderspoeling.

Oovral op aard heerscht orde,
Men late mijn eiland met rust;
’t Blijft woest, zal niet anders worden
Zoolang ik kampeer op zijn kust.


Uit Een eerlijk zeemansgraf  (1936)

Jan Jacob Slauerhoff overleed kort na zijn 38e verjaardag
en een maand na de publicatie van zijn laatste dichtbundel,
'Een eerlijk zeemansgraf'.

Naar boven

Linecol

Camoës

Camoës wou vrij zijn, smaadde zich een keten,
Zwierf in China, maar schreef de Lusiade,
Zijn leven lang door ’t heldenlied bezeten,
Het was een dwangarbeid en toch genade.

Soms vluchtend, soms gekerkerd, soms vergeten,
Aan ’s levens eind ook door den roem verraden,
Stierf hij in ’t pesthuis, eenzaam zonder eten.
Gij martelt mannen, Muze, nooit verzade !

Vergeet toch niet dit afschrikwekkend voorbeeld,
Voordat ge uzelf tot ’t zelfde lot veroordeelt:
Het sterkste droombeeld zwicht voor armoe, leed...

’t Is al gebeurd, ’t gedicht is al begonnen,
En voortaan werkt ge of ge tranen zweet,
Totdat het bloed in de aadren is geronnen.


Uit Al dwalend  (postuum, 1947)

Linecol

Ik had het leven me anders voorgesteld

Ik had het leven me anders voorgesteld,
Meer als een spel van nauw betoomde krachten,
Van grote passies en vermetel trachten,
De grote trek, de worstling met geweld.

Geen vrouw is Venus en geen man is held,
En beiden trachten zij elkaar te pachten,
En geen van beide’ is ooit een dag bij machte
Te leven door klein euvel ongekweld.

Men wil, bij ’t sneller omgaan van de jaren,
Zich graag voorgoed een ander wezen paren
En veel dat min is en gemeen verstoren.

Maar niemand die ’t benarrend Zelf ontsnapt,
En breken moet die droom van ridderschap.
Men strijdt niet meer met wapens, maar met woorden.


Uit Al dwalend  (postuum, 1947)

Linecol

Voorgevoel

’t Is mij te moede als werd ik weer een kind
Dat nog niet spreken kan, begint te staamlen,
Dat vindt van moeder, menschen, dieren, wind
De stemmen even vreemd en eensgezind,
En door elkaar de klanken gaat verzaamlen.

Hoe heerlijk, nog te weten van geen woorden
Die zinnen worden en die weer gesprekken,
Bijvoorbeeld denken: een groen bosch heet Noorden,
Iets anders groots en groens heet zee, en moorden
Zijn zwarte dingen die men moet ontdekken.

De woorden hebben klank en kleur en glans,
Zij komen op en willen gaan bewegen;
Vaak is een stroef, een ander norsch, verlegen,
Maar als ik fluister dat ik nog niet regen
Van rag kan onderscheiden, zien zij kans
Op liedren die lang hebben stilgelegen,
Bijna verstandig waren doodgezwegen.


Uit Al dwalend  (postuum, 1947)

Linecol

Japanse danseres

Zij was zo tenger dat het wijd gewaad
Haar eerder hulpeloos dan groter maakte,
Zo kinderlijk alsof het smal gelaat
Onder de zware wrong zopas ontwaakte.

Maar toen de fluiten gilden, de trommen trilden
En gong bonsde, wierp zij zich in de strijd;
’t Was of zij even aarzelde, even rilde,
En toen - een ruk, een zwaai, zij was bevrijd.

Als een samurai met een smalle degen
Snel schermend honderd vijanden weerstaat,
Hield zij een heir van boze geesten tegen,
Was Foedsji*-puur haar dans, machtloos het kwaad.

Maar toen woest-plotseling de muziek verstomde,
Alleen de fluiten nog geklaag aanhielden,
En zich de nacht over de tempel kromde,
De luide bijval louter stilt’ vernielde,

Werd zij weer needrig, tenger, slank en vloog
Nog eenmaal op en stond dan, bijna brekend,
Alleen de armen hield zij nog omhoog,
En boog het hoofd, als om vergeving smekend.


Foedsji: Fuji - vulkaan (hoogste berg in Japan)

Uit Al dwalend  (postuum, 1947)


Naar boven

Linecol

Ziekentroost

 Pizarro had de vijftig overschreden, 
 En weinig roem behaald uit veel gevaar.
 Zijn eerste vrouw droeg veeren in het haar 
 En op zijn kleine akker werkte een tweede.
  
 Hij stond bekend als drieste moordenaar, 
 Geen wet haast die hij niet had overschreden, 
 Maar dat behoorde tot de goede zeden, 
 Op Hispaniola. Hij was vijftig jaar.
  
 Toen kwam de kans: met een vermolmd karveel 
 Maakte hij de reis die niemand voor hem deed, 
 Veroverde met honderd man Peroe.
  
 Vijftig was hij, ik dertig maar, wie weet 
 Ontdek ik niet het zesde werelddeel, 
 Al ben ik nu na weinig stappen moe ?


Hispaniola: vroegere benaming van Haïti

Uit Forum, Jaargang 1  (1932)


Linecol

Oud

 Verwaaide heesters in een leegen tuin.
 Klimrozen in de luwte van den muur.
 Wat zonnebloemen, spruitend tusschen ’t puin 
 Der vorige winter ingestorte schuur.
 Het vage pad door hei naar ’t lage duin, 
 Vanwaar ik ’s middags op den einder tuur 
  
 Over mijn boot, gekanteld, half in ’t zand, 
 Door ’t laatste springtij hoog op ’t strand getild.
 Een meisje gaat, de rokken in de hand, 
 Als zeilde zij - wat lijkt ze slank, jong, wild -
 Boven de golven, raaklings langs den rand 
 Van ’t leven, enkel leunend op den wind.
  
 Ben ik het zelf, die vroeger met een vrouw, 
 Jeugdig als zij, hier speelde nymph en sater, 
 En haar in ’t doodstil zand, het deinend blauw, 
 Bezeten heb, bemind en toch verlaten: 
 Die nu mij hier voel staan, te stram, te grauw, 
 En dezen buit voorbij laat langs het water ?


Uit Forum, Jaargang 2  (1933)

Linecol

Herfst

 Ik kon het in huis niet uithouden.
 ’t Laatste lief stelde mij teleur 
 Evenzeer als het eerste.
 Ik ging op ’t terras uitzien op de wouden 
 Trachtte mij te troosten met de allereerste 
 Bloemen en de allerbedwelmendste geur.
  
 Maar ’t was later seizoen dan ik dacht; de koude 
 Bergwind trok dampen over de dalen, 
 Grijs werd alle kleur.
 Ik dacht dat ik nooit meer van eene zou houden 
 En zag beneên door een nevelscheur 
 Het rood van de laatste mispels valen.


Uit Forum, Jaargang 3  (1934)

Linecol

Billet Doux

 Ik wilde een gedicht op een waaier schrijven, 
 Zoodat je de woorden je kunt toewuiven 
 En de strophen, wanneer je wilt blijven 
 Mijmren, weer achtloos dicht kunt schuiven; 
  
 Maar liever wilde ik dat ze binnen 
 In je gewaad geschreven stonden, 
 Zoodat tegelijk met batist of linnen 
 Mijn gedachten je streelen konden.
  
 Ik zou deze dwaze wensch niet uiten 
 Als mij een krankzinnige was vervuld, 
 Je eenmaal zelf in mijn armen te sluiten...
 Maar ik heb engelengeduld.


Uit Forum, Jaargang 3  (1934)

Linecol

O Konakry

 O Konakry wat was je heet; 
 Nog heeter dan de negerinnen, 
 Die gingen glanzend van het zweet 
 Heeter dan langgespeende zinnen, 
 O Konakry ! 
  
 O Konakry wat was je stil; 
 ’t Bleef ochtend in de breede lanen 
 Als was je een groote duiventil 
 Getimmerd onder de platanen.
 O Konakry ! 
  
 De zon kwam niet uit ’t wolkgebied 
 Een vochte schemer bleef er broeien, 
 Geen wind deed ritslen palm en riet 
 Of ’t water van de vijvers vloeien.
  
 En roerloos vlak lag de lagoen 
 Van zee door zwampen afgesloten, 
 Omringd door hard en somber groen, 
 Bewoond door een paar rotte booten.
  
 De negers bleven werkeloos; 
 Zij zaten voor hun lage hutten 
 Of lagen in gevallen loof 
 Door den doelloozen dag te dutten.
  
 Stierf alles dan de warmtedood ? 
 Ik ging alleen door breede lanen; 
 Als rouwfloers door de eeuwen groot 
 Hing daar de schaduw der platanen.
  
 O Konakry, zoo stil en heet, 
 Wij hadden niets elkaar te geven, 
 Wie dof is en geen uitkomst weet, 
 Die moet maar troostloos verder leven, 
 Niet Konakry ?


Konakry (ook Conakry) is de hoofdstad van Guinee.
De stad is een haven aan de Atlantische Oceaan.

Uit Forum, Jaargang 3  (1934)


Linecol

Fado’s

 Liefdewoorden
Slechts zij die de wereld verzaakten Weten de woorden te vinden Die ’t licht niet kunnen verdragen Maar blindelings ’t innerlijk raken. Wee hen! Zij staan in het leven Als blinden in breede straten, Maar beklagen nog hen die nooit minden, Die zijn ziende maar zonder genade. Maneschijn
Het maanlicht strijkt over de bergen En dringt door ramen en deuren, Het weet met vermaan aan de verten De doode uren te kleuren. Fado
Ben ik traag omdat ik droef ben, Alles vergeefs vind en veil Op aarde geen hoogere behoefte ken Dan wat schaduw onder een zonnezeil ? Of ben ik droef omdat ik traag ben, Nooit de wijde wereld inga, Alleen Lisboa van bij de Taag ken, En ook daar voor niemand besta, Liever doelloos in donkere stegen Van de armoedige Mouraria loop ? Daar kom ik velen als mijzelven tegen Die leven zonder liefde, lust, hoop.

Uit Forum, Jaargang 3  (1934)

Jacob Slauerhoff  (1898-1936)


Naar boven


Slauerhoff - De grote vaart


Slauerhoff - Lisboa


Slauerhoff - In Nederland


Nederlandse dichters


Vlaamse dichters


Dode-dichterssoos


Gedichten vertaald in het Nederlands



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D’Haese: 08-01-2007.
Laatste wijziging: 26-03-2017.

E-mail: webmaster