J. Slauerhoff
Bloemlezing


J. Slauerhoff
Lisboa


J. Slauerhoff
In Nederland


Jacob Slauerhoff - De grote vaart
Jacob Slauerhoff
POEZIEWEB-POETRYWEB
BELGIUM

De grote vaart

Gedichten uit Archipel, 1923

Gedichten uit Eldorado, 1928

Gedicht uit Soleares, 1933

Gedichten uit Een eerlijk zeemansgraf, 1936

Gedichten uit Al dwalend, 1947 (postuum)

De zee


De zee, het enige leven dat strekt
Van begin tot einde
-Terwijl alle andre, voor kort gewekt,
Gedwee en weerloos verdwijnen-
Geeft in eeuwige breking
De grote, zachte verzekering
Dat, wanneer allen versterven, verstijven,
Zij bevallig zal blijven.

En als ik ga gehaast,
Genaderd en genaast
Door de jagende dood,
Hoor ik de troost
Van 't eendre golfgeruis,
Dat is als het vermengd gejuich
Van al haar schipbreuklingen, al haar meeuwen,
Aanbreken over de eeuwen,
Die mij verzwijgen en verteren.

Zij heeft geen andre vormen
Dan de borsten van haar golven,
En geen andre woorden dan de volle
Koren van haar brandingen en haar stormen.
Maar sidderend belijdt
Elk leven, hoe verfijnd
En schoon 't in 't licht verschijnt,
De wankele kortstondigheid
Van zijn bekoorlijkheid
Voor de geweldige eentonigheid van 't grootse
En de onsterflijke lieflijkheid van 't doodse.


Uit Eerste verzen

Linecol

Het boegbeeld: de ziel


Dit is mijn lot: gebeeldhouwd voor den boeg,
Den scheepsromp achter mij te moeten volgen;
Mijn zegetocht over knielende golven
Aan 't schip te moeten danken dat mij droeg.

Wel leef ik 't zwerven liever dan het vaster
Landlijk geluk, dat wortelt als een boom
In één trouw, voor één einder; mijn driemaster
Draagt me in de drift van iedren wereldstroom.

Liefkoozingen van alle golven schuimen
Over mijn borst en bevlekken mij niet.
Volgende reinigen van voorge, zij ontruimen
Mij snel, mijn vreugd blijft vrij van hun verdriet.

Ik zal nooit van een houden, zij zijn alle
Even witwoedend, even snel weer grijs.
Ik lok, zij streelen, laat ze los, zij vallen
In met het koor, dat sterft achter mijn reis.

Geen vrouw leed liefde zoo gelijk bewogen
In drift, als ik de zee: zijn ademtocht
Houdt mij beurtlings bukkend en opgetogen,
Geen man heeft machtiger zijn bruid bezocht.

Uit zoo groot omhelzen zoo zuiver zelf
Behield geen vrouw; over zijn diepte zwevend
Bleef mijn beeld in zijn borst begrensd en bevend.
Ik overleefde hem - tot des einders gewelf.

Geen bruid huwt met haar vorst gebied als ik
Met 't schip, dat mij meetroont, vorstelijk vrijgevig...
Máár 'k leef ook zeer bekrompen, onderhevig
Aan koers en vrachtvaart van de onvrije brik.

'k Lig met mijn romp in 't vuile dok verankerd
En duld de lading van smaadlijke vracht;
't Gelaat vertrokken, 't verre lijf verkracht
Voelt gevangen vrouw zich weerloos bezwangerd.

En houd ik mij hardnekkig in extase
Bóven gesternten, diep in zee gezonken,
Dan hoor 'k 't aanklevend schuim der aarde razen:
Vlak achter mij liggen matrozen dronken.

Zoo dronk ik schoon en schande in één teug.
Stijgt mij de roes der reine hemeldriften,
Dan werkt besef van laag bestaan als gift en
Proef ik zoo wrang dat 'k niet voor engel deug.

Dit zal het eind zijn: op een slordige helling
Van 't schurftig schip te worden afgesloopt.
Ik zal stom smeken om een nieuwe stelling,
Laf, als een hoer die zich voor 't laatst verkoopt.

Men nagelt mij misschien als laatste gunst
Nog op de stompheid van een oude kof.
Wij passen bij elkaar: zijn molmge vunst'
En mijn geschonden schoon, verfloos en dof !

Dan weer berouw 'k, naakt in mijn schaamle schaamte
Dat ik niet eer, als waardloos wrakhout stierf:
Liever nog lang met een roestig geraamte
Over 't geluksgebied van vroeger zwierf

Bespottingen van alle golven botsen
Tegen mij op. Mijn leed wordt staag verbrijzeld.
Zij schenden mij, als scherpkantige schotsen
Van vroegre liefde het onmeetlijk ijsveld.

Wie leed zoo fel, zoo laf, voordat hij stierf;
Met zooveel smaad gekroond, zoo laag gekruisigd
Over 't weleer bekoord gebied? Wie zwierf
Zoo lang rampzalig, voor hoogst Heil ' vooruitzicht

Van mijn wanhoop: dat na dit overwintren
Voorbij mijn dood eenmaal een storm, een hoos
Mij zal vernietigen, zoo vormeloos,
Dat 'k mij niet meer herinner in mijn splintren ?


Uit Archipel

Linecol

Het doodeneiland


Geen ankerplaats, geen monding van een beek.
De sloep bleef steken in een modderkreek.

De bosschen dorren, leven op vergane
Uit eigen vroeger loof gevallen blaren.

Hun takken storten afgestorven boomen
In beddingen van uitgedroogde stroomen,

Waar de oevers uit gebleekte beendren steken,
Die bij een windvlaag (of bij 't langsgaan) breken.

Wind gaat lijkkleurig van het zerkenstof,
Kan niet van 't eiland af, een doodenhof,

Dat diep den bodem van de zee doortrekt
En deze ver-om aandoet met bederf.

Aasvogels blijven mijlen uit de kust;
Alleen de albatros, die enkel rust

Op raas van schepen, varend naar hun schipbreuk,
Strijkt neer en krijscht, zijn doodsroep maakt geen inbreuk.


Uit Archipel

Naar boven

Linecol

De profundis

 
Waar de zee zwart wordt van diepte, en wrakken
Niet verder zinken - vaste sterren worden
Over der onderwereld plantenhorden
Die plomp als rotsen kiemen, noch vertakken,

Wacht - onder wijd en angstig ledig zwijgen,
Als dood diep in een geest die zich niet kent,
En drukt een stilt', nooit opgeheven dreigen
Der laatste rampen, steeds weer afgewend,

De drenkelingen, die zijn afgedaald.
Zij merken helsch herleefd dat zij niet mogen
Vergaan, maar eeuwig met gesperde oogen
Een nacht inzien, die opklaart noch vervaalt.


-De psalm De Profundis (psalm 130): 'vanuit de diepten'.
Smeekbede van de mens tot God.
Het is een van de psalmen die worden gebeden voor
een overledene. De aanhef ervan wordt vaak gebruikt
als epitaaf. De Profundis is door vele componisten
op muziek gezet, o.a. door Orlandus Lassus en J.S. Bach.

Uit Eldorado

Linecol

Zeekoorts


Ik moet weer op zee gaan, een goed schip en in 't verschiet 
Een ster om op aan te sturen, anders verlang ik niet. 
Het rukken van 't wiel, 't gekraak van het hout, het zeil er tegen, 
Als de dag aanbreekt over grauwe zee, door een mist van regen. 

Want de roep van de rollende branding, brekende op de kust, 
Dreunt diep in het land in mijn oren en laat mij nergens rust. 
't Is stil hier, 'k verlang een stormdag, met witte jagende wolken 
En hoogopspattend schuim en meeuwen om kronklende kolken. 

Ik ben een gedoemde zwerver, waar moet ik anders heen ? 
Maar gelaten door de wind gaan, weg uit de stad van steen. 
Geen vrouw, geen haard verwacht mij. Ik blijf ook liever zonder. 
'k Heb genoeg aan een pijp op wacht, en een glas in 't vooronder.


Uit Eldorado

Linecol

De ontdekker  I


De rustigen die mij tartten te vertrekken 
Heb ik om 't schip te krijgen woest beloofd 
Rijkdommen fabelachtig te ontdekken, 
Waarvoor ik ingestaan heb met mijn hoofd, 

En eindlijk in triomftocht aangebracht. 
Tot zinkens toe geladen lag mijn vloot. 
Wel waren bijna al mijn mannen dood, 
Maar alle havensteden bont bevlagd. 

Toen moest ik knielen voor den gouden troon. 
De koning boog en wilde mij een keten 
Omhangen—die ik hem met wilden hoon 
Ontrukt heb en een hoovling toegesmeten. 

Nu heeft een vrouw mij innig vroom omhelsd, 
En in haar grijze ogen zag 'k mijn vrede. 
Ik neeg—maar in mij brandde toch het felst 
't Vuur dat mij voorschrijft buiten rust en rede. 

En haastig heb ik mij weer ingescheept, 
Zeker van een ontdekking, anders groots, 
Maar ben door onweerstaanbaar drift gesleept 
Naar zeeën leeg en kusten steil en doods. 

Nimmer belijd ik mijn dwaling, mijn zwak. 
Voor dezen blinden muur zal 'k blijven kruisen 
Tot 't eind der wereld met mijn trouwe wrak, 
Waarop drie kale masten: galgen ? kruisen ?


Uit Eldorado

Linecol

De ontdekker  II


Hij had het land waarvoor hij scheepging lief, 
Lief, als een vrouw 't verborgen komende. 
Er diep aan denkend stond hij droomende 
Voor op de plecht en als de boeg zich hief 

Was 't hem te moede of 't zich reeds bewoog 
Onder de verten, waarin 't sluimerde, 
Terwijl 't schip, door de waterscheiding schuimende, 
Op de aanbrekende geboort' toevloog. 

Maar toen het lag ontdekt, leek het verraad. 
Geen stille onzichtbre streng verbond hen tweeën. 
Hij wilde 't weer verheimlijken—te laat: 
Het lag voor allen bloot. Hem bleef geen raad 
Dan voort te varen, doelloos, desolaat 
En zonder drift—leeg, over leege zeeën.


Uit Eldorado

Linecol

Het eeuwige schip

 
De zee wint invloed door tallooze lekken
Op 't binnenmeer van mijn groen donker hol;
Papyrusdun sleten de eeuwen mijn dekken,
Korstmos omgroeit mijn romp, die als drenkling zwol.

Op mij onttrok zich werelds grootst verleden
Aan de ondergang van mijn verzonken rijk:
Diepzee-netels vreten zijn hardsteenen steden,
Mijn vermolmde masten staan nog gelijk.

De eeuwig wisslende alleen is onveranderd
Als ik, die ontelbare schepen sindsdien
- Nooit een dag gezonken, geen nacht stil verankerd -
Als een geestenstroom voorbij heb gezien.

Lompe karvelen, zwaargebouwde brikken
Zag ik wijken voor 't slank, snelzeilend fregat,
En dit als uitstervende vogel wegschrikken
Voor 't monsterlijk stoomschip, hoogdrijvende stad.

Zijn boeg splijt de breede vloedgolven, tergt de 
Cyclonen en orkanen met zijn vaart,
Totdat een horde hoogtoornige ijsbergen
Een kern poolkoude vèr zuidlijk bewaart.

Zij lijken, langs den einder rustend, poolvossen,
Maar glijden traag nader, topzwaar van diepen dooi;
De afstand krimpt... daar wentlen zich blanke kolossen
Op 't stalen gevaarte, uittartende prooi.

't Schip knakt, sloepen kantlen, duizenden verdrinken,
De zon bloedt in bewogen avondzee...
Ik zag het machtigst rijk in één slag zinken,
Zou ik bekommerd zijn om dit klein wee ?

Mij deert geen ramp, mijn dekken bleven koud
Al bevoer ik heete petroleumbronnen;
Ook over de zeeën ingestorte zonnen
Zeilde ik koel, zeker van mijn behoud.

Mijn wrakke boeg baande zich breeden doortocht
In ijswoestijnen door geen schip bereikt
Groenlandsche gletschers heb ik beoorlogd,
Onder wier drukking een dreadnought bezwijkt.

Hoe onder eigen warmte, onvermoed,
Het eeuwig ijsveld wegsmelt aan mijn zijwand,
Behoud ik als een trotsch genot voorgoed.
'k Was onschendbaar gelukkig, zonder één vijand:

Hechte, staagknagende herinnering,
Door 't woeden van mijn lot niet uitgeroeid.
Hoe vaak ik tot mijn toppen onderging,
Toch is die vonk van vroeger doorgegloeid.

Niet als in 't ruim van Atlantische vrachtboot,
Waar katoen getakeld in ligt geperst,
Vlammelooze brand woedt met smeulende kracht, tot
Het vuur ten trans loeit door het dek dat berst;

Maar als een glimworm, die met dor geduld
Kruipgangen in 't vermolmde romphout boort,
Waarin 't nog hoorbaar tikt als 't noodweer brult,
Dat, als de zee licht, geel naargeestig gloort.

Herinnring aan een vroegre goede haven,
Die nu bedolven ligt en volgeslibd,
En aan een ouden Argonaut, begraven
Onder het puin van zijn vergeten crypt.

Want waar ik koers, kent de oceaan geen kusten.
Nergens kan 't blauw wit schuim slaan op een klip,
Slechts aan den boeg van het trouwvarend schip.
En 't is, of zij zoo beter kan berusten

In 't azuurgewelf, hoogstrakgespannen.
Zelfs haar werd deze eenzaamheid te machtig.
De zee dankt mij, dat ik mij houd verbannen
In 't wijd gebied, en liefkoost mij stormachtig.

Haar grondeloos gemoed heb ik doorvoeld,
Tot in de golflijnen der zachte trilling,
Die als een snikken door haar diepten woelt
Na de hartstochtelijkste krachtversplilling.

'k Ben een smal vaartuig, murw en diepverkleumd;
Mij streelt het grootst, wulpscht wezen der natuur.
Oneindigheid is 't, die in den maalstroom dreunt.
Zee kent geen grenzen, geen Chineeschen muur.

Waar aardbewoners wandlen in een landschap,
Hun liefde doen leunen aan bemoste ruïnes,
Omhelst mijn leest de torando vol gramschap
En dompel ik onder in dondrende lawines.

Ontelbare malen gekust is mijn karkas
In driften, die ik diepliggend doorvoer,
Wild koortsig koersend, willoos zonder roer;
Maar als een roerdomp in dompig moeras

Droefgeestig roept naar hooggelegen nest,
Heb ik soms om mijn goede haven gesteund.
De golfstroom heeft zich om mijn kreet bekreund:
Tot de vergetelheid van nieuwen tocht geprest.

Ik raak verzoend met 't zwijmlend, tuimlend dolen.
Poolcirkel noch keerkring noch evenaar
Bestaan voor mij, dol vaartuig, levend naar
Een landverloren tijd, de zee bevolen,

Welhaast almachtig over de planeet.
Diepondermijnde, aangevreten continenten
Zijn niet dan achtergebleven fragmenten
Van 't paradijs, dat in de afgrond gleed.

Waar zenithmetingen mijn tocht niet meer versperren
Vergeet ik de zon, die door een hemel dwaalt,
Noch zie ik op naar de verstrooide sterren
Van 't hemelrijk, dat uit de diepzee straalt.

Van schaamle scheppingswondren vermoeid
Vind ik daar diepbevredigde verrukking.
Wat starre aardkorst doemde tot mislukking
Staat hier tot monsterachtig schoon volbloeid,

Zich onder 't zwaar smaragdgewelf verbergend
Om niet te storen harmonie der sferen.
Heimwee zou 't hart der zaligen verteren
Bij 't zien dier weelde, aarde en hemel tergend.

Oceaniërs wonen er in zachte wouden,
Waar zij zich zwevend welven en omstrenglen,
Door verregaande trilling voeling houden,
Eeuwig genietend, zuivere zinnenenglen.

Over den rand der onderzeesche atollen
Staan groote roode anemonekelken,
Doelloze, fraaigewelfde parasollen,
Die welbehaaglijk wieglen, nooit verwelken.

De groei der bodembosschen is despotisch
Als 't oerwoud aan den Amazone-oorsprong,
Een tooverland, verheimlijkt en exotisch,
Waar peillood noch ontdekkingsreis in doordrong.

't Licht is veelkleurig speelziek, als gemengd 
Uit avondrood tot violet verteederd,
De hevig gele gloed die prariën zengt
En 't poollicht, bovenaardsch groot pauwgevederd'.

Ik hoor ontkiemende koraaleilanden
Klimmen met een zacht-knetterend geluid,
Over den ondergang der vastelanden
Doodsklokken, diep en lang vooruitgeluid,

Zondvloed verkondigend die komen moet.
Moeras-, ijs-, rotstijd, alle gaan voorbij.
Eens springt de dorre maan in hoogen gloed
En zee omsluit de aarde in zwellend tij;

Het poolijs smelt, de waatren brullen, wassen,
Storten zich in vuurmonden van vulkanen,
't Heet hart der aarde blusschend; volkenrassen
Lossen zich op in lange karavanen

Om neer te slaan op de verre bergplateau's
Waar lava nooit-gedooid graniet doorzengt,
Bergstortingen, wolkbreuk en waterhoos
Met aarde en levensvuur ten onder brengt,

't Uitschreeuwend voor 't begin der lange stilte,
Die golfgeklots slechts opneemt in haar orde,
Waar, onder wolke- en windeloze kilte,
Grauwgroene heuvlen alle einders vordren,

En 'n dwaalster zijn banen blijft begaan,
Licht door den lagen loden schemer zwevend:
't Schip, de eeuwige bloesem van de oceaan,
Vulkanen, flora, fauna overlevend.


-dreadnought: 1) onverschrokken kerel;
   2) dikke over- of duffeljas;
   3) groot pantserschip, slagschip

Uit Eldorado


Naar boven

Linecol

Mandalika

 
Hier is geen ander gehoor dan 't verre gebrul van de branding,
Het droge geritsel der hooge pandanen,
Geen andre beweging dan 't wuiven der blaren
En 't loome deinen der golven.
Als 't leven op aarde opnieuw moest beginnen,
Zou het niet zuiver blijven, alleen op dit eenzame eiland ?


-pandanen: tropische bomen met steltwortels.

Uit Soleares


Naar boven

Linecol

Zeemans herfstlied


't Geweld van de wervelende vlagen 
Verwoest de weerloze bloemen 
en plundert de steunende hagen, 
De blanke meren vertroebelen. 

Had ik nu een nederige hoeve 
En kinderen spelende buiten, 
Om aan de beregende ruiten 
Gedachtloos gelukkig te toeven. 

Na 't zwerven en stuurse staren 
Over de eeuwige zee, 
Na 't eindeloos tumult van gevaren: 
De stilte van een vredige stee. 

Maar het is anders geworden, 
Mijn makkers zijn vroeg gestorven 
Of in ander alleen—zijn verzworven. 
Ik strandde in een dode stad, 
Bewandel een eenzaam pad, 
Vertrouwd met vergeten graven, 
Omspeeld door zieltogende blaren.


Uit Een eerlijk zeemansgraf

Linecol

Ultra mare

 
Hier is de wereld niets dan waaiend schuim,
De laatste rotsen zijn bedolven
Na de verwekking uit de golven,
Die breken, stuivend in het ruim.

Het laatste schip wordt weerloos voortgesmeten,
Het zwerk is ingezonken en aschgrauw.
Zal ik nu eindelijk, vergaan, vergeten,
Verlost zijn van verlangen en berouw ?


Uit Een eerlijk zeemansgraf

Linecol

De albatros

 
De wereld moe, voor vreugd te oud geworden,
Liet ik mij op den Westendwinddrift drijven
Van al wat op de aarde bloeide en dorde,
Alleen de golven eeuwge bloesems blijven.

Ten Zuiden van de Hoop- en Stormkaap
Hindert geen kust, geen klip mijn stille vaart,
Waar de albatros ook op zijn wieken slaapt,
Boven den storm, door sterren aangestaard.

De wolkenhorden, langgerekte baren
Omgorden een heelal, ledig en grauw.
De onzichtbre wind, de diepten openbaren
Mij meer geheimen, dan de diepste vrouw.


Uit Een eerlijk zeemansgraf

Linecol

Lof der stoomvaart


Voorgoed is 't zacht, sierlijk gebogen hout
Geweken voor het harde en stijve staal;
Zeilschepen zijn nu schimmen uit een oud
En vaak gedaan, nu gansch vergaan verhaal.

Stoommonsters stevenen op alle zeeën,
Geschuwd door de enkle zwartverweerde brik
Die alleen overbleef om eens ons tweeën
Te varen naar het eiland van geluk.


Uit Een eerlijk zeemansgraf

Linecol

Brieven op zee

 
Gelezen worden ze ontelbre malen,
Al was de inhoud haast vooruit geweten,
Van 't zelfde levensstof in alle talen
En op den duur tot op het woord versleten.

Toch weer ontvouwd, na 't eenzaam avondeten,
Des nachts op wacht, te kooi en na 't verhalen;
Voor hen die zooveel eenzaamheid verbeten
Is uit die letters leeftocht nog te halen.

Tussen lieve en liefhebbende steeds staat er
Van kroost, huis, dorp en eiland weer 't alleen
Bij trouw, geboorte en dood gevarieerd relaas.

Na tal van reizen is het of een waas
't Bekende aan land omhult, men is alleen
En hoort bij 't schip en houdt het met het water.


Uit Een eerlijk zeemansgraf

Linecol

Verzadiging

 
De lange achtermiddagen aan boord
Waarin de zon op vale golven gloort,
Tusschen de wolken uit, of door een lek
In 't hemeldak licht droop op 't gore dek.

De lege achtermiddagen aan boord
Waarin de zon, door een gesloten poort,
Tusschen de spleet in 't saaien kooigordijn
Op een portret valt als een streep karmijn.

Dra wordt de lucht in de bedompte hut
Duf door de eigen adem als men dut
En toch het verre slaan der glazen hoort,
De stille achtermiddagen aan boord.

Des nachts op wacht ziet men de sterren schijnen
En kan men soms met andre schepen seinen,
De blik wordt aangetrokken door een koord,
De lange achtermiddagen aan boord.

Een slingrend koord, men moet er niet aan denken
Het leven dat ons kwelt, een dag te schenken,
En toch gaan de gedachten met dat koord
Mee op en neer, de middagen aan boord.


Uit Een eerlijk zeemansgraf

Linecol

Dit eiland


Voor de zachtmoedigen, verdrukten,
Tot geregelde arbeid onwilligen,
Voor de met moedwil mislukten
En de groots onverschilligen,

De reine roekeloozen,
Door het kalm leven verworpen,
Die boven steden en dorpen
de woestijnen verkozen,

Die zonder een zegekrans
Streden verloren slagen
En 't liefst met hun fiere lans
De wankelste tronen schragen;

Voor allen, omgekomen
Door hun dédain voor profijt,
Slechts beheerscht door hun dromen,
De spot der bezitters ten spijt,

Neem ik bezit van dit eiland,
Plant ik de zwarte vlag,
Neem iedere natie tot vijand,
Erken slechts 't azuur als gezag.

Wie nadert met goede bedoeling:
Handel lust of bekeering,
Worst geweerd aan 'rif door bezwering
Of in 't atol door onderspoeling.

Oovral op aard heerscht orde,
Men late mijn eiland met rust;
't Blijft woest, zal niet anders worden
Zoolang ik kampeer op zijn kust.


Uit Een eerlijk zeemansgraf

Linecol

Het einde


Vroeger toen 'k woonde diep in 't land, 
Vrat mij onstilbaar wee; 
Zooals een gier de lever, want 
Ik wist: geen streek geeft mij bestand, 
En 'k zocht het ver op zee. 

Maar nu ik ver gevaren heb 
En lag op den oceaan alleen, 
Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen 
Niet boren door de kimmen heen, 
Voel ik het trekken als een eb 

Naar 't verre, vaste, bruine land... 
Nu weet ik: nergens vind ik vree, 
Op aarde niet en niet op zee, 
Pas aan die laatste smalle ree 
Van hout in zand.


Uit Een eerlijk zeemansgraf

Linecol

La voyageuse


In Singapoer is zij aan boord gekomen
Vlak voor 't vertrek, met dertig stuks bagage;
De eerste nacht doorspookte ze al de dromen
Van een matroos, gemonsterd onder gage.

Hij stond des morgens 't wandeldek te wassen
Nog half versuft, toen zij hem kwam verrassen
En raaklings langs hem in pyama ging
Die strak en soepel om haar heupen sloot,
Of in een ochtendkleed dat open hing
Haar opperst schoon mild aan zijn blikken bood.

Een steelse glimlach heeft hem dol gemaakt,
Hij stond in 't donker op de hondewacht
En ziet haar voor zich, wit en naakt,
Verlokkend in de nacht.

Ze is in Calcutta weer van boord gegaan,
Hij moest als wachtsman bij de gangway staan.
Over haar schouder wapperde haar sjaal
In de rukwinden als een smalle vlag.
't Was 't allerlaatste wat hij van haar zag,
Al heeft hij dag en nacht en nog een nacht gedwaald
Door de concessies waar zij wonen mag.

Hij wierp zijn waardloos boeltje op de stenen,
Hij had het leven zijn gelag betaald.
Is in de Chinese Town spoorloos verdwenen
En eindlijk uit de Ganges opgehaald.

-hondewacht: wacht aan boord van middernacht
   tot vier uur 's morgens
-concessies: toenmalige wijken voor Westerlingen
   in sommige Aziatische landen

Uit Een eerlijk zeemansgraf


Naar boven

Linecol

Bruiloftslied


Mijn gade, het is goed, wij zullen toeven
In een klein stadhuis, ik zal niet vertrekken,
Al bleven mij veel eilanden te ontdekken
Die zich om mijn afwezigheid bedroeven.

Niet dicht bij zee, om mijnentwil,
't Werd mij ondraaglijk aan de rand
Der ruimt' te rusten, bij de golven stil:
Bewaar mij diep in 't binnenland.

'n Gewezen vestingstad is goed.
De avondwandling doen wij om de wallen,
Zien saam zonsondergangen tegemoet
En kudden keren naar de stallen.

Maar soms speur ik in Westenwinden
De zeeën waarover zij woeien.
Wij gaan naar huis, sluiten de blinden,
Bij 't lamplicht tracht je mij te boeien,

Te doen vergeten 't varend schip in 't duister
Waarop ik iedre nacht kon horen alle
Golven van alle verten samenvallen
Om mijn onrustig hart gerust te ruisen.

Nooit sliep ik beter, dieper dan aan boord.
't Schip is de lompe wieg die mijn geslacht,
Tot in Groenland, Spitsbergen, Labrador,
Ver van het vaderland heeft voortgebracht.

Maar het is goed, ik zal met jou, lief, wonen
En zwaar gaan van de zorg om jouw bestaan,
En niet tot de eilanden, als zoveel schone
Slaapsters, mij wachtend diep in de oceaan.

Dan bloeit je vreegelaat in 't schemerlicht.
Ik zit bij 't uitzichtloze raam te staren
en denk voorbij de vege straatlantaren,
Hoe 't ijzingwekkend schone Noorderlicht

Gletsjers beschijnt, die eeuwenoude kusten
Tot diep in 't binnenland doen splijten onder
Een ongehoord en nachtenlang gedonder...
Jij komt en kust mij en wil met mij rusten,

Je late' omhelzen in de veilge nacht,
In 't stille huis dat je zelf hebt gekozen
Voor 't samenleven en gestaag liefkozen.
Ach, waarom dit en niet de overmacht

Van 't lot, dat zwervend zijn gebied vergroot,
Zeilend op bron- en mondingloze stromen,
Waar 't leven oplost tot een ruimschoots dromen,
En als vanzelve voortvloeit naar de dood ?

Maar het is goed, in liefdes naam
Heb je gekozen en hebt mij vertrouwd.
Boven groot zelfverlies, klein zelfbehoud,
Blijven wij saam !


Uit Al dwalend

Linecol

Angústia


De zee trekt onder de nacht
Naar vele verlaten stranden;
Als een vloeibare wind is zijn klacht,
En zout, zooals tranen branden.

Ik voel dat overal waar de
Branding in snikken breekt
Tegen de kusten der aarde,
Mijn leed met zijn golven smeekt

Om de verloren genade
Jou weer nabij te zijn.
Ik wil van mijn schip af waden
Naar iedere einderlijn.

Want nergens en overal,
Als 't licht van de maan uit de wolken,
Doolt mijn verdriet door 't heelal
En wil zich verdrinken in kolken.

Maar ik weet dat de zee en ik
Des nachts hetzelfde voelen,
Om één leed tezamen woelen
Op 't oeverloos bed tot een snik.

Zoo zocht ik om te vergeten
Dat ik alles verloor om een vrouw;
Maar waar hij ook door haar schijnt bezeten,
Word ik toch weer gedompeld in rouw.


Uit Al dwalend

Linecol

Volkswijze


Mager paardje, jaag maar:
De steppe is eindeloos breed,
De vliegen steken in je flanken,
De steenen je zeere hoeven,
Je mag nooit stilstaan en drinken
En de zon is zoo hard en zoo heet.

Smal scheepje, vaar maar:
Eindeloos is de zee,
Al trillen je moede masten,
Al heb je te zware lasten.
Toch mag je in geen haven rusten
En aan 't einde van de reis moet je ankren,
Ergens ver buiten de ree.

Arm hartje, klaag maar:
De liefde is eindeloos wreed,
Je krijgt haar niet en haat ze
Of je krijgt haar wel en dan gaat ze
Toch later weer weg en verlaat ze 
Het hartje dat haar beminde;
Nooit komt er een eind aan het leed.

Uit Al dwalend

Jacob Slauerhoff    (1898-1936)

Linecol

Naar boven

Jacob Slauerhoff
Bloemlezing


Jacob Slauerhoff

Jacob Slauerhoff

Nederlandse dichters

Vlaamse dichters

Dode-dichterssoos

Gedichten vertaald in het Nederlands


Homepage


Pageviews sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 01-01-2007.
Laatste wijziging: 30-04-2017.

E-post: webmaster